Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8267

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/18802
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke of vreemdelingrechtelijke staandehouding?

Eiser bevond zich in de wachtruimte van het treinstation Hoofddorp. Volgens het proces-verbaal van aanhouding vinden op dit station regelmatig vernielingen en andere strafbare feiten plaats. Toen eiser de verbalisanten zag, maakte hij een geschrokken indruk en liep hij van hen weg. Vervolgens zijn verbalisanten overgegaan tot staandehouding van eiser. Eiser kon geen legitimatiebewijs tonen, waarop verbalisanten zijn overgegaan tot aanhouding van eiser op verdenking van overtreding van artikel 447e WvSr. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze feiten niet worden opgemaakt of de staandehouding van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de redelijke uitoefening van de taken bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993 dan wel of er in feite sprake is geweest van een controle in het kader van het vreemdelingentoezicht. Daarbij is van belang dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de verbalisanten ter plaatse waren in verband met enig recent gepleegd strafbaar feit. Er moet dus van worden uitgegaan dat dit niet het geval was. Dat in aanmerking genomen valt het naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien welk door artikel 2 van de Politiewet beoogd belang gediend was met eisers staandehouding. Van uitoefening van een strafrechtelijke bevoegdheid was evenmin sprake terwijl ook niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van een andere, niet vreemdelingrechtelijke, wettelijke bevoegdheid tot staandehouding. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Deze staandehouding was onrechtmatig omdat ten aanzien van eiser geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/18802

V-nr.: 272.412.6135

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1974, alias [alias], van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum te Zaandam, eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 25 mei 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 27 mei 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 3 juni 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F.K.H. El-Madni als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Eiser is aangehouden op grond van artikel 447e Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 25 mei 2008 blijkt niet dat de aanhouding op grond van een zuiver strafrechtelijke bevoegdheid heeft plaatsgevonden. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2005. Eiser stelt dat geen sprake is van een strafrechtelijk voortraject, maar van een vreemdelingrechtelijk voortraject. Er was geen bevoegdheid om eiser aan te houden, want er was geen objectief vermoeden van illegaal verblijf. Verder heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld. Sinds 25 mei 2008 heeft verweerder niets gedaan om de uitzetting van eiser te bewerkstelligen. Het is niet duidelijk of de laissez-passer (hierna: lp) aanvraag al naar de Marokkaanse autoriteiten is gestuurd. Het versturen van de lp-aanvraag naar de lp-kamer is een interne handeling.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

De aanhouding van eiser heeft plaatsgevonden op grond van de algemene politietaken. Eiser rende weg toen hij verbalisanten in het oog kreeg. De aanhouding was correct. Het strafrechtelijke traject staat niet ter toetsing door de vreemdelingenrechter. Mocht blijken dat de aanhouding niet correct is verlopen, dan dient de belangenafweging in het voordeel van verweerder uit te vallen. De gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen zijn niet betwist. Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld. Dit blijkt uit de volgende uitzettingshandelingen: op 26 mei 2008 heeft verweerder geprobeerd eiser te horen, maar hij wilde niet meewerken. Op 27 mei 2008 heeft een identiteitsgehoor plaatsgevonden. Op 28 mei 2008 is eiser uitgeplaatst naar het detentiecentrum te Zaandam. Vervolgens is het dossier op 29 mei 2008 bij de Dienst Terugkeer & Vertrek aangekomen. Daarna heeft op 30 mei 2008 een vertrekgesprek plaatsgevonden en is een lp-aanvraag ten behoeve van eiser ingevuld. Het vertrekgesprek was erg kort, want eiser werkte niet mee. Verweerder heeft tijd nodig om te kijken of de lp-aanvraag compleet is en naar de Marokkaanse autoriteiten kan worden verstuurd. Eiser frustreert zijn uitzetting door het gebruik van aliassen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiser betwist de rechtmatigheid van de aanhouding.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 bestaat de bevoegdheid personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfrechtelijke positie - onder meer - indien op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is te oordelen over aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Uit de rechtspraak volgt verder dat voor de vaststelling of sprake is van staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang is dat in het desbetreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van aanhouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden en de redenen die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Dit geldt eveneens indien, zoals hier kennelijk het geval is geweest, staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van de toepassing van artikel 8a van de Politiewet 1993. In dat geval is temeer van belang dat in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 447e van het WvSr wordt opgenomen, in welk kader de desbetreffende vordering werd gedaan en waarom deze noodzakelijk is voor een redelijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993.

De rechtbank leidt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal (processtuk 1) van 25 mei 2008 het volgende af. Eiser bevond zich in de wachtruimte van het treinstation Hoofddorp. Volgens het proces-verbaal vinden op dit station regelmatig vernielingen en andere strafbare feiten plaats. Toen eiser de verbalisanten zag, maakte hij een geschrokken indruk en liep van hen weg. Vervolgens zijn verbalisanten overgegaan tot staandehouding van eiser. Eiser kon bij die gelegenheid geen legitimatiebewijs tonen, waarop verbalisanten zijn overgegaan tot aanhouding van eiser op verdenking van overtreding van artikel 447e WvSr.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze feiten niet worden opgemaakt of de staandehouding van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de redelijke uitoefening van de taken bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993 dan wel of er in feite sprake is geweest van een controle in het kader van het vreemdelingentoezicht. Daarbij is van belang dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de verbalisanten ter plaatse waren in verband met enig recent gepleegd strafbaar feit. Er moet dus van worden uitgegaan dat dit niet het geval was. Dat in aanmerking genomen valt het naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien welk door artikel 2 van de Politiewet beoogd belang gediend was met eisers staandehouding. Van uitoefening van een strafrechtelijke bevoegdheid was evenmin sprake terwijl ook niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van een andere, niet vreemdelingrechtelijke, wettelijke bevoegdheid tot staandehouding.

Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Aan de omstandigheden dat eiser in de wachtruimte van het treinstation in Hoofddorp verbleef en dat hij geschrokken wegliep van verbalisanten, kan naar het oordeel van de rechtbank geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 worden ontleend.

De onrechtmatigheid van de staandehouding maakt de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Verweerder heeft geen belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit artikel 50, eerste lid, Vw 2000 voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. De omstandigheden die de Staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het met de inbewaringstelling gemoeide belang van de openbare orde geven daar evenmin blijk van. Gelet hierop en op de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 5 juni 2008. De overige gronden van het beroep behoeven geen behandeling.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 95,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 70,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 850.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 5 juni 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 850,-- (zegge: achthonderdenvijftig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshondervierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Wielen , griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2008.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JW

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.