Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8226

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/939, 08/4062
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH1321, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regularisatieregeling / WBV 2007/11 / besluitbegrip

Ingevolge het bepaalde in WBV 2007/11 beoordeelt verweerder ambtshalve aan de hand van de bij hem bekende gegevens, dan wel op basis van een verklaring van de burgemeester van de woonplaats van de desbetreffende vreemdeling, of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van deze regularisatieregeling. Deze ambtshalve beoordeling is volgens verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In de brief van 28 juni 2007 is, mede gelet op de inhoud van de latere brief van eiser van 12 oktober 2007, namens eiser verzocht om hem een vergunning te verlenen.Die brief is naar inhoud en strekking voldoende concreet geduid welke vergunning eiser wil hebben, te weten een vergunning op grond van de zogenoemde regularisatieregeling. Dit verzoek is aldus aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb

De meergenoemde brief van verweerder van 17 oktober 2007, welke brief een reactie is op de brieven van eiser van 28 juni 2007 en 16 oktober 2007, is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, welk besluit strekt tot afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de regularisatieregeling. Uit voormelde brief blijkt immers dat eiser niet krijgt wat hij, gelet op de inhoud van WBV 2007/11, (kan vragen en ook) heeft gevraagd, namelijk een verblijfsvergunning op grond van de regularisatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummers: AWB 08 / 939 en AWB 08 / 4062

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

1.2. Bij besluit van 7 januari 2008 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 20 oktober 2000 afgewezen. Tevens heeft verweerder bij dat besluit het bezwaar van eiser van 30 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Op 7 januari 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen voormeld besluit van verweerder van 7 januari 2008. Dit beroep, voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 08/939. Voor zover het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van 30 december 2007, is het bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 08/4062.

1.3. De beroepsgronden zijn kenbaar gemaakt bij brieven van 30 januari 2008.

Op 18 februari 2008 en 29 mei 2008 zijn nog nadere stukken ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de procedures betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Deze zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

1.5. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 11 juni 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen. Als tolk was ter zitting aanwezig mevrouw S. Heeren.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en behoort tot de Avaarse bevolkingsgroep in Dagestan. Dagestan is thans een deelrepubliek van de Russische Federatie. Op 20 oktober 2000 heeft eiser verzocht om toelating als vluchteling. Aan dat verzoek heeft eiser – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

2.2. Eiser heeft activiteiten (waaronder wapentransporten) verricht voor de groepering Svobodnyj Kazkaz (Vrij Kaukasus) en is daardoor in de negatieve aandacht van de autoriteiten komen te staan. Voorts heeft eiser te vrezen voor een discriminatoire behandeling in de Russische Federatie vanwege zijn Avaarse etniciteit. Eiser heeft tevens te vrezen voor enkele personen van etnisch Russische afkomst met wie hij tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland problemen heeft gehad.

2.3. Voor een overzicht van het procesverloop vanaf de datum van aanvraag 20 oktober 2000 tot 20 december 2007, verwijst de rechtbank naar rubriek 3 (“Ontstaan en verloop van de procedure”) in het bestreden besluit. Op 20 december 2007 is een voornemen tot afwijzing van de aanvraag kenbaar gemaakt. Eisers gemachtigde heeft op 30 december 2007 een zienswijze op het voornemen ingediend. Die zienswijze is door verweerder tevens opgevat als een bezwaarschrift tegen de weigering van verweerder om eiser een aanbod te doen in het kader van de zogenoemde regularisatieregeling als neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11. Op 7 januari 2008 heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

AWB 08/939: beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag

2.4. Voor zover het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008 is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 20 oktober 2000, overweegt de rechtbank allereerst ten procedurele als volgt.

2.5. In de begeleidende brief bij het voornemen van 20 december 2007 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 2 januari 2008, 12.00 uur, zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen. De aan eiser geboden termijn is korter dan de gebruikelijke termijn van vier weken. Verweerder heeft hiertoe besloten omdat de rechtbank in haar uitspraak van 11 december 2007 (AWB 07/40523) aan verweerder een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitspraak (11 december 2007) heeft opgelegd waarbinnen alsnog moet worden beslist op de onderliggende aanvraag en daarbij tevens heeft bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 250,- voor elke dag dat verweerder niet of niet volledig voldoet aan de opgelegde beslistermijn. Teneinde de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2007 te kunnen uitvoeren, heeft verweerder zich genoodzaakt gezien de beslistermijn in te korten en het in dit verband gevoerde beleid als neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) terzijde te schuiven, zo is door verweerder gesteld.

2.6. Eiser heeft bij fax van 20 december 2007 kenbaar gemaakt zich niet met deze verkorte termijn voor het indienen van een zienswijze te kunnen verenigen, omdat het Vreemdelingenbesluit 2000 zich tegen een verkorte termijn verzet.

2.7. Artikel 3.115 van het Vb 2000 luidt, voor zover thans relevant, als volgt:

“1. Het schriftelijke voornemen om:

a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen;

(..);

c. (..), of

d. (..), wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

2. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt, bedraagt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt gehonoreerd:

a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, vier weken, en

b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, zes weken.

3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden. (..)”

(onderstreping aangebracht door de rechtbank)

2.8. In onderdeel C15/2.2 (“De zienswijze van de asielzoeker”) heeft verweerder beleid geformuleerd aangaande het tweede lid van artikel 3.115 van het Vb 2000. In dit beleid is bepaald wanneer de in voormeld artikellid genoemde termijn kan worden verlengd (in het voordeel van de vreemdeling). In het stellen van een kortere termijn dan vier weken (ten behoeve van verweerder) is niet voorzien.

2.9. Niettegenstaande de voormelde rechtbankuitspraak, moet naar het oordeel van de rechtbank het hanteren van een kortere termijn dan vier weken voor het indienen van een zienswijze, voor onrechtmatig worden gehouden. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat artikel 3.115, tweede lid, imperatief is geformuleerd en aldus geen ruimte laat om ten faveure van verweerder een kortere termijn voor het indienen van een zienswijze te hanteren. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat verweerder zich had kunnen verzetten tegen de rechtbankuitspraak, maar dit niet heeft gedaan. Ook had verweerder in overleg kunnen treden met de gemachtigde van eiser teneinde overleg te plegen over een en ander.

2.10. Naar dezerzijds oordeel is voormeld artikel 3.115, tweede lid, van het Vb 2000 aan te merken als een vormvoorschrift in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Voormeld artikellid bevat immers een voorschrift dat ziet op de procedure van totstandkoming van het bestreden besluit. Met het hanteren van een kortere termijn dan in dat artikellid voorzien, is er sprake van een gebrekkige toepassing van dit artikellid. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Hiertoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat haar niet gebleken is dat de eiser door het gebrek in zijn belangen is geschaad.

2.11. Eiser heeft zich in de zienswijze als ook in de gronden van beroep beperkt tot de grief dat er sprake is van een formeel gebrek. Eerst ter zitting heeft eiser desgevraagd naar voren gebracht waarom dit gebrek er volgens hem toe heeft geleid dat hij in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft in dit verband gesteld dat de verkorte termijn ertoe heeft geleid dat hij buiten staat was om via de Internationale Organisatie voor Migratie en de gemeente Heerenveen bepaalde voor de aanvraag relevante documenten te verkrijgen. Voorts was het voor eiser en diens gemachtigde, mede gelet op het feit dat het voornemen vlak voor de kerstperiode is uitgebracht, onmogelijk om binnen een tijdsbestek van twee weken overleg te plegen over de naar aanleiding van het voornemen uit te brengen zienswijze.

2.12. Conform vast jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 31 oktober 2003, gepubliceerd in JV 2004/11), wordt ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.114 van het Vb 2000, in beginsel van de vreemdeling gevergd dat hij bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd documenten omtrent zijn identiteit, nationaliteit en reisroute overlegt. Dit geldt ook, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 maart 2005, gepubliceerd in JV 2005/185, voor de overige documenten op basis waarvan kan worden beoordeeld of een rechtsgrond voor verlening van de vergunning bestaat. Met het door eiser gestelde is niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan voormeld beginsel dient te wijken. Bij gebreke van enige concretisering komt de rechtbank evenmin tot de conclusie dat de door verweerder geboden termijn van twee weken voor het indienen van een zienswijze te kort is geweest om met eiser in overleg te treden over de inhoud van de zienswijze. Aldus kan de stellingname van eiser als vermeld in de vorige rechtsoverweging naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat eiser met de wijze van handelen van verweerder in zijn belangen is geschaad.

2.13. Vervolgens overweegt de rechtbank ten materiële als volgt.

2.14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas voor ongeloofwaardig moet worden gehouden, nu eiser op essentiële onderdelen hiervan vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Verweerder heeft hierbij mede de omstandigheden van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 betrokken.

2.15. In beroep heeft eiser verweerders standpunt, dat sprake is van een ongeloofwaardig relaas, bestreden en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem heeft tegengeworpen.

2.16. Overwogen wordt als volgt.

2.17. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vw 2000). Ingevolge het bepaalde in artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een op 1 april 2000 in behandeling zijnde aanvraag om toelating als vluchteling aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de per voornoemde datum in werking getreden Vw 2000.

2.18. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

(..)”.

2.19. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954,88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967,76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; (..)".

2.20. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.21. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.22. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kan worden afgewezen mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.23. Blijkens onderdeel C4/3.6 van de Vc 2000 is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.24. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C 4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats kan de reisroute worden onderbouwd met alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. Verklaringen die inhouden dat een vreemdeling geen documenten heeft en niets meer weet van de reisroute zijn volgens onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 niet geloofwaardig. In het geval dat een vreemdeling geen documenten inzake de reisroute over heeft gelegd maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten wel consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt, geeft hij blijk van de wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute.

2.25. In onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 staat voorts vermeld dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

2.26. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn nationaliteit en identiteit, zijn reis en zijn asielrelaas. Volgens verweerder kan het ontbreken van die documenten aan eiser worden toegerekend. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder geen grond hoeven vinden om eiser het ontbreken van genoemde documenten niet toe te rekenen.

2.27. Daargelaten of aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij geen documenten ter staving van zijn identiteit en/of nationaliteit heeft overgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd en dat er voorts geen sprake is van coherente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de afgelegde reis naar Nederland. Eiser is naar zijn zeggen per bus van Moskou naar Sint Petersburg gereisd; van daaruit is hij per boot naar een hem onbekende plaats gereisd; uiteindelijk is hij na een lange autorit in Venlo, in Nederland, beland. Verweerder mocht in redelijkheid van eiser verwachten dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als de havens van vertrek en aankomst, de wijze waarop hij in die havens de paspoortcontroles heeft weten te omzeilen en dat hij enige concrete aanwijzing over het schip van vervoer, de op de route aangedane havens en de route van de haven van aankomst naar Nederland.

2.28. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing is.

2.5. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 (LJN AF5566) mogen dientengevolge ingevolge artikel 31, van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p.40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van eiser om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan ook een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.29. In dat kader overweegt de rechtbank dat de Afdeling heeft overwogen onder meer in een uitspraak van 23 juni 2005 (JV 2005/315), dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan die gestelde feiten ontleende vermoedens behoort tot de verantwoordelijkheid van verweerder en dat die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Indien en voor zover verweerder van oordeel is dat de door de vreemdeling gestelde feiten geloofwaardig en de daaraan ontleende vermoedens plausibel zijn, is vervolgens voor een terughoudende toets geen plaats, waar het de beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas betreft.

2.30. Verweerder heeft het niet geloofwaardig geacht dat eiser de negatieve aandacht van de Russische autoriteiten op zich heeft gevestigd wegens zijn activiteiten voor Vrij Kaukasus. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser zijn verklaringen omtrent die vrees enkel heeft gebaseerd op vermoedens zijnerzijds en verklaringen door derden. Zo vermoedt eiser slechts dat een of meer van de gearresteerde leden van de groepering de naam van eiser hebben prijsgegeven aan de politie en dat de politie op de hoogte is of kan komen van eisers rol bij de wapentransporten. Ten aanzien van zijn stelling dat zijn naam voorkomt op een ledenlijst van Vrij Kaukasus heeft verweerder voorts gesteld dat eiser daarnaast heeft verklaard dat hij niet zeker weet of een dergelijke lijst wel bestaat. De op zichzelf niet ongeloofwaardige omstandigheid dat een van zijn direct leidinggevenden, een van de gebroeders Chatsjelajev, is geliquideerd, vormt voorts geen concrete aanwijzing dat de Russische autoriteiten op zoek zijn naar eiser, zo is door verweerder gesteld.

2.31. Ook eisers stelling dat hij in de Russische Federatie wordt gediscrimineerd vanwege zijn Avaarse etniciteit en het daarmee gepaard gaande Kaukasische uiterlijk, heeft verweerder als zijnde niet aannemelijk terzijde geschoven. Hiertoe heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat niet is gebleken dat de problemen die hij in dit verband heeft ondervonden – mishandeling door etnisch Russische personen in Perm in de periode tussen 1992 en 1996; de arrestaties door de politie in Moskou in de periode na terugkeer uit Duitsland – ertoe hebben geleid dat eiser is komen te lijden onder ernstige sociaalmaatschappelijke bestaansbeperkingen. Dat eiser alleen al vanwege zijn Kaukasische uiterlijk voor terrorist zal worden gehouden, is eveneens enkel gebaseerd op vermoedens van eiser, aldus verweerder.

2.32. De door eiser gestelde vrees voor de Russische personen met wie het in Duitsland in 1996 tot een gewelddadige confrontatie is gekomen, waarvoor eiser strafrechtelijk is veroordeeld, acht verweerder evenmin geloofwaardig. De verklaringen die eiser in dit verband heeft afgelegd zijn volgens verweerder onvoldoende concreet om te concluderen dat de gestelde vrees gegrond is.

2.33. De rechtbank is, gelet op het gegeven toetsingskader en de verklaringen van eiser in samenhang bezien, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op grond van het vorenstaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat de asielmotieven van eiser – zowel afzonderlijk als in samenhang bezien – geen positieve overtuigingskracht hebben. In hetgeen eiser tegen het standpunt van verweerder naar voren heeft gebracht in de gronden van het beroep als ook ter zitting, ziet de rechtbank onvoldoende grond om anders te oordelen.

2.34. Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat verweerder zich met rede op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is te achten. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten dat eiser geen Verdragsvluchteling is en hem hierom een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000 heeft kunnen weigeren.

2.35. Met betrekking tot de vraag of eiser mogelijk in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op andere gronden overweegt de rechter het volgende.

2.36. Eiser heeft gesteld dat er in de deelrepubliek Dagestan sprake is van een intern gewapend conflict en heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn). Eiser heeft in dit verband bij de zienswijze verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de noordelijke Kaukasus van april 2007 (pagina 56) en het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van januari 2007, getiteld “Nordkaukasus, Entwickelungen in Tschetschenien sowie in Dagestan, Kabardino-Balkarien, Inguschetien und Nordossetien”. Bij de gronden van beroep van 29 mei 2008 heeft eiser zich beroepen op een brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk van 29 mei 2008. In die brief wordt, naast voormelde documenten, verwezen naar een rapport van de US Department of State van 11 maart 2008, een rapport van Amnesty International inzake de Russische Federatie van mei 2008 en een tweetal artikelen afkomstig van het Institute for War and Peace Reporting van 11 januari 2006 en 4 mei 2006.

2.37. Op 29 april 2004 heeft de Raad van de Europese Unie de Definitierichtlijn vastgesteld. Volgens overweging 2 van de considerans van de richtlijn is, kort gezegd, de Europese Raad te Tampere overeengekomen te streven naar invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967.

2.38. Volgens overweging 3 van de considerans van de Defintierichtlijn vormen het Verdrag van Genève en het Protocol de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.

2.39. Volgens overweging 25 van de considerans van de Definitierichtlijn dienen criteria te worden vastgesteld om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Deze criteria dienen in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten op het gebied van de mensenrechten en met de bestaande praktijken in de lidstaten.

2.40. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is een ‘‘persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt’’ een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2 niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.41. Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:

a doodstraf of executie; of

b foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.42. Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.43. Van ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan slechts sprake zijn indien in het land van herkomst sprake is van ‘‘willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict’’. Van een binnenlands gewapend conflict is naar het oordeel van de Afdeling (zie de uitspraak van 20 juli 2007, LJN BB0917, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) pas sprake, indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land militaire operaties uit te voeren die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. Ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden volgens de Afdeling niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict.

2.44. Daargelaten of het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn, zo door eiser is gesteld, niet moet worden bezien in het licht van een beroep op de zogenoemde b-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat eiser hoe dan ook niet valt niet onder de reikwijdte van artikel 15c van de Definitierichtlijn. Hoewel uit de overgelegde informatie valt af te leiden dat de veiligheidssituatie in Dagestan zeker niet rooskleurig te noemen is, is naar dezerzijds oordeel de in de overgelegde documenten geschetste situatie niet zodanig dat daarmee sprake is van een intern gewapend conflict in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn. Uit die documenten is immers niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van gewapende strijd tussen de reguliere Dagestaanse strijdkrachten en één of meer georganiseerde gewapende groepen.

2.45. Daarnaast heeft eiser zich erop beroepen dat bij gedwongen terugkeer naar de Russische Federatie sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM.

2.46. Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1998 1999, 26 732, nr.3 p.37 38) wordt een verblijfsvergunning verleend op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti Folterverdrag) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

2.47. Ingevolge de genoemde artikelen dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen bij uitzetting een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

2.48. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende. Uit bijvoorbeeld de arresten van het EHRM van 6 maart 2001 in zaak nr. 45276/99, Hilal tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2001/104), van 17 februari 2004 in zaak nr. 58510/00, Venkadajalasarma tegen Nederland (NJB 2004/17, nr. 20) en van 26 juli 2005 in zaak nr. 38885/02, N. tegen Finland (AB 2005, 370) blijkt dat naast het aldus gestelde individualiseringsvereiste betekenis toekomt aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd. Uit het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh (nr. 1948/04, gepubliceerd in JV 2007/30) kan niet worden afgeleid dat voormeld individualiseringsvereiste is verlaten. Wel valt, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN BB5779; www.rechtspraak.nl) heeft overwogen, uit dit arrest af te leiden dat, indien een vreemdeling deel uitmaakt van een specifieke minderheidsgroep die doelwit is van ernstige mensenrechtenschendingen en sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden als aan de orde waren in de desbetreffende zaak Salah Sheekh, informatie over de situatie van die groep en de mate waarin die bescherming kan bieden of vinden tegen zodanige mensenrechtenschendingen, uitdrukkelijk meegewogen moet worden bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en die informatie een groter gewicht moet krijgen naarmate bedoelde situatie ernstiger is gebleken.

2.49. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het beroep op vluchtelingschap, meer specifiek het oordeel over de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen, alsmede op grond van de navolgende overwegingen is niet aannemelijk dat gedwongen terugkeer van eiser strijd oplevert met bovengenoemde artikelen. Eiser heeft gesteld dat hem bij terugkeer naar Dagestan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te wachten staat vanwege zijn Kaukasische etniciteit en uiterlijk. In dit verband heeft eiser verwezen naar:

- meergenoemd ambtsbericht inzake de noordelijke Kaukasus van april 2007 (pp. 59 en 60);

- een rapport van Human Rights Watch van november 2006, getiteld “Widespread Torture in de Chechen Republic”en

- een rapport van Amnesty International van november 2006, getiteld “Russian Federation: Torture and forced ‘confessions’ in detention”.

De in genoemde documenten gegeven informatie kan evenwel niet leiden tot een geslaagd beroep op de b-grond omdat deze informatie niet is geïndividualiseerd.

2.50. Ook hetgeen overigens door eiser te berde is gebracht, tast naar het oordeel van de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 7 januari 2008, voor zover hierbij de asielaanvraag is afgewezen, niet aan.

2.51. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep, gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 20 oktober 2000, ongegrond verklaren.

AWB 08/4062: beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van 30 december 2007

2.52. Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008, voor zover daarbij het bezwaar van eiser van 30 december 2007 niet-ontvankelijk is verklaard, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

2.53. In een brief aan verweerder van 28 juni 2007 staat onder meer het volgende vermeld: “ Voorts meent cliënt in aanmerking te komen voor het generaal pardon.”. Bij brief van

12 oktober 2007 heeft eiser vervolgens aan verweerder – onder meer – gevraagd of het dossier van eiser ligt bij de afdeling van verweerder “die het generaal pardon afhandelt”. Hierop is door verweerder op 17 oktober 2007 telefonisch contact gezocht met eisers gemachtigde. Blijkens verweerders brief van 17 oktober 2007 (processtuk 134) heeft de desbetreffende medewerker van verweerder aangegeven dat aan eiser “geen aanbod gedaan wordt voor een vergunning op grond van de speciale regeling omdat er sprake is van een contra-indicatie”. Bij de meergenoemde zienswijze van 30 december 2007 op het voornemen om de asielaanvraag van 10 oktober 2000 af te wijzen, heeft eiser gesteld dat hem ten onrechte geen aanbod in vorenbedoelde zin is gedaan. Volgens eiser staat met het komen te vervallen van een eerder besluit tot ongewenstverklaring van 25 oktober 2004 vast dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De weigering om eiser een aanbod te doen, is volgens eiser gelijk te stellen met een besluit. Verzocht is daarom om de zienswijze op dit punt aan te merken als een bezwaarschrift. Tevens heeft eiser verzocht hem in het bezit te stellen van de minuut met betrekking tot het besluit om hem geen aanbod te doen, aan welk verzoek verweerder bij het thans bestreden besluit gehoor heeft gegeven.

2.54. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet ontvangen kan worden in diens bezwaar van 30 december 2007. Hiertoe heeft verweerder het volgende gesteld. Ingevolge het bepaalde in WBV 2007/11 beoordeelt verweerder ambtshalve aan de hand van de bij hem bekende gegevens, dan wel op basis van een verklaring van de burgemeester van de woonplaats van de desbetreffende vreemdeling, of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van deze regularisatieregeling. Deze ambtshalve beoordeling is volgens verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Er is immers geen sprake van een aanvraag, noch van een op enig rechtsgevolg gericht besluit, zo is in het bestreden besluit op bezwaar door verweerder gesteld.

2.55. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.56. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb luidt als volgt:

“ Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.”.

2.57. Artikel 1:3, tweede lid, van de Awb luidt als volgt:

“Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.”

2.58. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

“ Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” .

2.59. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiser in de brief van 28 juni 2007, mede gelet op de inhoud van de latere brief van eiser van

12 oktober 2007, namens eiser is verzocht om hem een vergunning te verlenen. Naar dezerzijds oordeel is in die brief naar inhoud en strekking voldoende concreet geduid welke vergunning eiser wil hebben, te weten een vergunning op grond van de zogenoemde regularisatieregeling. In dit verband verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005 (LJN AU5893, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en in JV 2005/471). Dit verzoek is naar dezerzijds oordeel aldus aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

2.60. Door verweerder is ter zitting gesteld dat de meergenoemde brieven van eiser niet kunnen worden aangemerkt als een aanvraag, gelet op de inhoud en strekking van WBV 2007/11. Volgens verweerder moeten die brieven slechts worden beschouwd als een “geheugensteuntje” voor verweerder om niet te vergeten de zaak van eiser aan de in voormeld WBV voorziene ambtshalve toets te onderwerpen. Deze redenering volgt de rechtbank evenwel niet. De Awb prevaleert immers als wettelijke regeling boven het door verweerder genoemde beleid. Bovendien is in het WBV 2007/11 uitdrukkelijk de mogelijkheid geschapen om een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een vergunning in het kader van de regularisatieregeling.

2.61. Dat deze aanvraag niet volgens de door verweerder gehanteerde wettelijke voorschriften voor wat betreft plaats en vorm is ingediend, doet evenmin aan vorenstaand oordeel van de rechtbank af. Laatstgenoemde omstandigheid had verweerder wel aanleiding kunnen geven de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb aangegeven weg te bewandelen door eiser in de gelegenheid te stellen de door verweerder geconstateerde verzuimen te herstellen. Van deze mogelijkheid heeft verweerder echter geen gebruik gemaakt. De rechtbank ziet zich in haar oordeel gesteund door een uitspraak van de Afdeling van 6 september 2005 (LJN AU2772, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en in JV 2005/403).

2.62. Het voorgaande mede in aanmerking nemend, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat met de meergenoemde brief van verweerder van 17 oktober 2007, welke brief een reactie is op de brieven van eiser van 28 juni 2007 en 16 oktober 2007, sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, welk besluit strekt tot afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de regularisatieregeling. Dat, zoals door verweerder ter zitting naar voren is gebracht, de brief niet meer zou behelzen dan een schriftelijke weergave van een telefoongesprek, volgt de rechtbank niet. Dat uit die schriftelijke weergave enkel valt af te leiden dat aan eiser geen aanbod zal worden gedaan in het kader van de regularisatieregeling en dat het weigeren van het doen van een aanbod (evenals het wél doen van een aanbod) niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, volgt de rechtbank evenmin. Uit voormelde brief blijkt immers dat eiser niet krijgt wat hij, gelet op de inhoud van WBV 2007/11, (kan vragen en ook) heeft gevraagd, namelijk een verblijfsvergunning op grond van de regularisatieregeling. De weigering op een verzoek van een belanghebbende om een beschikking wordt op grond van het bepaalde in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb gedefinieerd als een beschikking en is daarmee tevens een besluit.

2.63. Vervolgens overweegt de rechtbank dat eiser desgevraagd naar voren heeft gebracht dat de mede als bezwaarschrift aan te merken zienswijze van 30 december 2007 geacht moet worden te zijn gericht tegen de brief van 17 oktober 2007. Dit zo zijnde, rijst vervolgens de vraag of er sprake is van een tijdig ingediend bezwaarschrift. Overwogen wordt als volgt.

2.64. In afwijking van artikel 6:7 van de Awb bedraagt ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 de termijn voor het indienen van een bezwaar of beroepschrift vier weken.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, juncto artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het is ontvangen binnen vier weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

2.65. Niet ter discussie staat dat verweerder in het onderhavige geval de als besluit aan te merken brief van 17 oktober 2007 op 17 oktober 2007 aan eisers gemachtigde heeft verzonden. Derhalve is de bezwaartermijn van vier weken aangevangen op 18 oktober 2007 en kon bezwaar worden gemaakt tot en met 27 november 2007.

2.66. Nu het bezwaarschrift eerst op 30 december 2007 is ingediend, en de situatie als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb zich hier niet voordoet, is de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift overschreden, hetgeen ter zitting ook niet ter discussie is gesteld door partijen.

2.67. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet ontvankelijkverklaring van een na afloop van de hiervoor bedoelde termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.68. Niet gebleken is evenwel dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. De ter zitting door eisers gemachtigde naar voren gebrachte stelling dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden gebracht, omdat niet duidelijk was hoe verweerder met bezwaarschriften zou omgaan in een procedure als de onderhavige, is naar het oordeel van de rechtbank niet een dergelijke omstandigheid. Ook het feit dat verweerder zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een aanvraag en een besluit ten aanzien van een aanvraag, acht de rechtbank niet een omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Van eiser, die werd bijgestaan door een professionele gemachtigde, had mogen worden verwacht dat het zekere voor het onzekere was genomen, mede gelet op de wijze waarop verweerder de uitvoering van de generaal pardonregeling vorm heeft gegeven. Eiser had dan ook tijdig bezwaar kunnen maken tegen de in deze procedure aan de orde zijnde schriftelijke mededeling waaruit bleek dat hem, kort gezegd, geen verblijfsvergunning op grond van WBV 2007/11 zou worden verleend.

2.69. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van 30 december 2007 op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het besluit van 7 januari 2008 berust in zoverre op een onjuiste motivering en dient derhalve te worden vernietigd. Nu, gelet op vorenstaande overwegingen, evenwel vaststaat dat een op de juiste motivering gebaseerd besluit een zelfde uitkomst moet hebben als het bestreden besluit, te weten niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om gebruik te maken van de haar bij artikel 8:72, derde lid, van de Awb verleende bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Ten aanzien van beide procedures

2.70. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken in de beroepsprocedure, gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag

(AWB 08 / 939).

2.71. In de procedure met nummer AWB 08/4062 acht de rechtbank wel termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van EUR 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.72. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.73. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 143,- dient te worden vergoed.

2.74. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008, voor zover daarbij de asielaanvraag van 20 oktober 2000 is afgewezen, ongegrond;

verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008, voor zover daarbij het bezwaar van 30 december 2007 niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond;

vernietigt het besluit van 7 januari 2008, voor zover daarbij het bezwaar van 30 december 2007 niet-ontvankelijk is verklaard;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure met nummer AWB 08/4062, aan de zijde van eiser begroot op EUR 644,- (zijnde de kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank, zittingsplaats Roermond;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 143,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), A.W.P. Letschert en B.W.P.M. Corbey-Smits (leden) in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.