Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8219

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/20488
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / vervolgberoep / gedocumenteerde Chinees / geen zicht op uitzetting

Het betreft hier het vervolgberoep van een gedocumenteerde Chinese vreemdeling in bewaring. Verweerder heeft een kopie van het personaliablad van het verlopen paspoort van de vreemdeling doorgezonden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van China. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat door verweerder ter zitting is bevestigd dat ook ten aanzien van gedocumenteerde vreemdelingen vanaf april 2007 tot op heden door de Chinese autoriteiten geen reisdocumenten zijn afgegeven. Desgevraagd heeft verweerder bevestigd dat daaronder begrepen is de situatie van eiser waarin sprake is van een verlopen paspoort. Op de vraag waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van zicht op uitzetting is geantwoord dat er gewerkt wordt aan nadere afspraken met betrekking tot uitzetting met de Chinese autoriteiten op diplomatiek en politiek niveau. De rechtbank acht deze toelichting, in samenhang gezien met de thans bekende informatie, zoals hiervoor is weergegeven, over de afgelopen periode onvoldoende concreet om thans tot de conclusie te komen dat ten aanzien van eiser kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Bij deze stand van zaken heeft het zicht op uitzetting een theoretisch karakter gekregen, terwijl voor toepassing en voortduring van een maatregel van vreemdelingenbewaring is vereist dat een reëel zicht op uitzetting bestaat. Daarvan is, onder de hiervoor geschetste stand van zaken, geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/20488

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1984,

nationaliteit Chinese,

verblijvende te Zaandam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. K.R. Verkaart,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Op 27 maart 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van 15 april 2008 en 9 juni 2008 zijn de eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 10 juni 2008 beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontneming ingesteld en tevens om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 12 juni 2008 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop bij schrijven van 16 juni 2008 gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 juli 2008, waar beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is aangevoerd dat eiser thans drie maanden in bewaring zit en graag terug wil naar China. Sinds 2 juni j.l. is bekend dat eiser zijn paspoort heeft ingeleverd bij het IOM. Het is niet voortvarend dat verweerder daarmee niets heeft gedaan. Ter zitting is hieraan toegevoegd dat de grond dat eiser zich onttrekt aan uitzetting niet langer van toepassing is. Eiser is vorige week dinsdag met een medewerker van het IOM bij de Chinese ambassade geweest en heeft een verzoek ingediend om een vervangend reisdocument. Daarop is nog geen uitsluitsel gekomen. Verweerder had daarvan melding moeten maken in de voortgangsrapportage. Voorts is gewezen op de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen van 20 juni 2008, zaaknummer 08/18668. Eiser meent dat er geen zicht op uitzetting bestaat nu duidelijk is geworden dat ook aan gedocumenteerden zoals eiser met een verlopen paspoort geen laissez passer wordt verstrekt.

3. Blijkens de stukken is op 17 april 2007 een laissez passer-aanvraag naar de diplomatieke vertegenwoordiging van China gezonden. Op 5 mei 2008, 15 mei 2008 en 5 juni 2008 is gerappelleerd. Verweerder is bekend met het feit dat eiser zijn (verlopen) paspoort heeft afgegeven bij het IOM en dat hij te kennen heeft gegeven met behulp van het IOM te willen terugkeren naar China. Verweerder heeft een afschrift ontvangen van het personaliablad van het paspoort van eiser en heeft dit op 9 juni 2008 doorgezonden naar de diplomatieke vertegenwoordiging van China. Verder heeft verweerder er op gewezen dat de activiteiten van het IOM niet in de voortgangsrapportage behoeven te worden vermeld, nu het om een andere procedure gaat, die moet worden onderscheiden van de activiteiten die door verweerder in het kader van de uitzetting worden verricht. Verweerder meent dat er zicht op uitzetting bestaat. Nu op politiek en diplomatiek niveau overleg plaatsvindt kan worden gezegd dat binnen een redelijke termijn zicht op uitzetting bestaat.

4. De rechtbank stelt voorop dat uit een oogpunt van rechtszekerheid de beoordeling zich uitstrekt tot de dag dat de vorige uitspraak is gedaan, te weten 9 juni 2008. Dat betekent dat de onderhavige beoordeling ziet op de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 10 juni 2008. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de gewijzigde houding van eiser er toe leidt dat de grond dat hij zich zal ontrekken aan de uitzetting niet langer geldt. Daarvoor geldt dat eiser eerst zijn houding heeft gewijzigd nadat hij in bewaring is gesteld. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de activiteiten die door het IOM worden verricht geen onderdeel uitmaken van de uitzettingshandelingen die onder verantwoordelijkheid van verweerder vallen, zodat om die reden verweerder niet gehouden is de activiteiten van het IOM op te nemen in de voortgangsrapportage.

5. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat door verweerder ter zitting is bevestigd dat ook ten aanzien van gedocumenteerde vreemdelingen vanaf april 2007 tot op heden door de Chinese autoriteiten geen reisdocumenten zijn afgegeven. Desgevraagd heeft verweerder bevestigd dat daaronder begrepen is de situatie van eiser waarin sprake is van een verlopen paspoort. Op de vraag waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van zicht op uitzetting is geantwoord dat er gewerkt wordt aan nadere afspraken met betrekking tot uitzetting met de Chinese autoriteiten op diplomatiek en politiek niveau. De rechtbank acht deze toelichting, in samenhang gezien met de thans bekende informatie, zoals hiervoor is weergegeven, over de afgelopen periode onvoldoende concreet om thans tot de conclusie te komen dat ten aanzien van eiser kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Bij deze stand van zaken heeft het zicht op uitzetting een theoretisch karakter gekregen, terwijl voor toepassing en voortduring van een maatregel van vreemdelingenbewaring is vereist dat een reëel zicht op uitzetting bestaat. Daarvan is, onder de hiervoor geschetste stand van zaken geen sprake.

6. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring met ingang van 10 juni 2008 onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

8. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

9. Nu de bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 10 juni 2008 onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

10. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 1 juli 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 10 juni 2008 tot en met 30 juni 2008 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 21 x € 70,00 is € 1470,00.

11. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1/2 punt voor een schriftelijke zienswijze op een voortgangsrapportage;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

12. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 1 juli 2008;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1470,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1470,00 (ZEGGE: ÉÉNDUIZENDVIERHONDERDZEVENTIG EURO)

Aldus gedaan op 2 juli 2008 door mr. J.R. van Es-de Vries.