Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8206

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/20374
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / vervolgberoep / ongedocumenteerde Chinees / geen zicht op uitzetting

Het betreft hier het vervolgberoep van een ongedocumenteerde Chinese vreemdeling in bewaring. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de rechtbank bevestigd dat er door de Chinese autoriteiten sedert 2007 aan gedocumenteerde, noch aan ongedocumenteerde in bewaring gestelde Chinese vreemdelingen lp’s zijn versterkt. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting bestaat indien de vreemdeling juiste en volledige informatie verstrekt en het onderzoek niet frustreert. Verweerders standpunt dienaangaande berust op een veronderstelling welke in beginsel als plausibel kan worden aanvaard, maar waarvan de juistheid inmiddels is aangetast door het uitblijven van (statistisch) bewijs over de jaren 2007 en 2008, alsmede het ontbreken van informatie over de reden waarom er in bedoelde periode geen lp’s zijn verstrekt. Hetzelfde geldt voor de invloed op het onderzoek van de houding en het gedrag van de betrokken Chinese vreemdeling. Tegen die achtergrond en gegeven het feit dat thans reeds sinds achttien maanden geen reisdocumenten meer zijn verstrekt aan (on)gedocumenteerde Chinese vreemdelingen, acht de rechtbank verweerders standpunt niet langer houdbaar. Nu verweerder desgevraagd ter zitting geen concrete informatie kon verstrekken over het overleg dat thans op politiek en diplomatiek niveau plaatsvindt met betrekking tot de samenwerking met de Chinese autoriteiten, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om aan te nemen dat de Chinese autoriteiten binnen redelijke termijn over zullen gaan tot het verstrekken van lp’s. Dat er vreemdelingen met behulp van het IOM met (vervangende) reisdocumenten zijn teruggekeerd leidt niet tot de conclusie dat er zicht op uitzetting bestaat, nu het in bewaringszaken niet gaat om de vraag of terugkeer mogelijk is, maar om de vraag of de uitzettingshandelingen van verweerder tot uitzetting kunnen leiden. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2008 leidt evenmin tot een ander oordeel, nu deze uitspraak is gebaseerd op de mededeling van verweerder dat in 2007 aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen lp’s zijn verstrekt. Uit de thans bekende informatie moet worden afgeleid dat sinds april 2007 in het geheel geen lp’s meer worden verstrekt, ook niet aan (enigszins) gedocumenteerden. Het vorenstaande brengt met zich dat de vraag of de vreemdeling zijn medewerking verleent teneinde gedocumenteerd te raken niet langer relevant is voor de beoordeling van de vraag of er zicht bestaat op uitzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/20374

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1978,

nationaliteit: Chinese,

verblijvende te Dordrecht in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. K.R. Verkaart,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Op 3 mei 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 20 mei 2008, is het eerste beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 20 mei 2008, is het eerste beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 9 juni 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 12 juni 2008 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 16 juni 2008.

De zaak is behandeld op de zitting van 1 juli 2008, waar eiser is verschenen bij mr. R.W. Koevoets, die de gemachtigde van eiser vervangt. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat eiser geen familie of vrienden in China heeft die hem aan documenten kunnen helpen, zodat hij als ongedocumenteerd moet worden beschouwd. In dit verband heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 23 april 2008 (AWB 08/11889), waarin is geoordeeld dat er dan geen zicht op uitzetting bestaat. Ter zitting heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat er sinds 2007 geen laissez passers (lp’s) meer zijn afgegeven, noch aan gedocumenteerde, noch aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Tevens heeft de gemachtigde recente uitspraken overgelegd van de nevenzittingsplaatsen Groningen, Zwolle en Roermond. Tot slot heeft de gemachtigde gesteld dat de medewerkingsplicht van eiser eerst dan aan de orde is als er zicht op uitzetting bestaat. In deze situatie, waarin het zicht op uitzetting ontbreekt, leidt de medewerkingsplicht tot niets.

3. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de rechtbank allereerst gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2008 (200803407/1; LJN: BD4787), waarin de afdeling heeft geoordeeld dat wanneer twijfel rijst omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling verstrekte gegevens verweerder de gelegenheid moet worden geboden om die gegevens nader te onderzoeken. In casu heeft eiser wisselende informatie gegeven over zijn adres in China. Verder heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat uit het feit dat er lp’s zijn verstrekt in procedures die via het IOM lopen, volgt dat de Chinese autoriteiten nog steeds lp’s verstrekken. Met betrekking tot de in de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 22 april 2008 aangekondigde intensivering van de samenwerking met de Chinese autoriteiten, heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat er overleg op diplomatiek en politiek niveau plaatsvindt.

4. In haar uitspraak van 20 mei 2008 heeft de rechtbank reeds onherroepelijk geoordeeld omtrent de rechtmatigheid van de onderhavige bewaring in de periode tot en met 20 mei 2008. Derhalve zal de rechtbank in het navolgende dan ook slechts een oordeel geven over de rechtmatigheid van de voortzetting van eisers bewaring vanaf 21 mei 2008.

5. In dat kader constateert de rechtbank dat onbetwist vaststaat dat eiser afkomstig is uit China en dat hij ongedocumenteerd is. Voorts is door de gemachtigde van verweerder ter zitting bevestigd dat er door de Chinese autoriteiten sedert 2007 aan gedocumenteerde, noch aan ongedocumenteerde in bewaring gestelde Chinese vreemdelingen lp’s zijn versterkt. Anders dan verweerder is de rechtbank onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 23 april 2008 van oordeel dat ten aanzien van eiser niet kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting bestaat indien de vreemdeling juiste en volledige informatie verstrekt en het onderzoek niet frustreert. Verweerders standpunt berust op een veronderstelling welke in beginsel als plausibel kan worden aanvaard. De juistheid van de veronderstelling wordt echter aangetast, indien enig bewijs daarvoor in de praktijk uitblijft. Daarvan is thans sprake. Niet alleen ontbreekt enig statistisch bewijs doordat verweerder niet kan wijzen op in de jaren 2007 en 2008 daadwerkelijk afgegeven reisdocumenten aan (on)gedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Evenzeer ontbreekt iedere concrete informatie over de reden waarom er in de bedoelde periode geen reisdocumenten zijn verstrekt. Wat zich hier wreekt is het ontbreken van een vorm van terugkoppeling tussen de Chinese autoriteiten en verweerders Dienst Terugkeer en Vertrek over de reden voor het niet verstrekken van de bedoelde reisdocumenten of voor het uitblijven van onderzoeksresultaten. Daardoor is tot nu toe niet bekend welke cruciale informatie bij de indiening van de aanvraag kennelijk heeft ontbroken. Hetzelfde geldt voor de invloed op het onderzoek van de houding en het gedrag van betrokken Chinese vreemdeling. Tegen die achtergrond en gegeven het feit dat thans reeds sinds achttien maanden geen reisdocumenten meer zijn verstrekt aan (on)gedocumenteerde Chinese vreemdelingen, acht de rechtbank verweerders nadere standpunt niet langer houdbaar. Nu desgevraagd verweerder ter zitting geen concrete informatie kon verstrekken over het overleg dat thans op politiek en diplomatiek niveau plaatsvindt met betrekking tot de samenwerking met de Chinese autoriteiten, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om aan te nemen dat de Chinese autoriteiten binnen redelijke termijn over zullen gaan tot het verstrekken van lp’s.

6. Evenals door nevenzittingsplaats Groningen is overwogen in de uitspraak van 20 juni 2008 in de zaak met nummer Awb 08/18668 en door nevenzittingsplaats Zwolle is overwogen in de uitspraak van 25 juni 2008 in de zaak met nummer 08/20380 is de rechtbank van oordeel dat het feit dat er vreemdelingen met behulp van het IOM met (vervangende) reisdocumenten zijn teruggekeerd niet leidt tot de conclusie dat er zicht op uitzetting bestaat, nu het in bewaringszaken niet gaat om de vraag of terugkeer mogelijk is, maar om de vraag of de uitzettingshandelingen van verweerder tot uitzetting kunnen leiden.

7. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2008, voornoemd, leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Deze uitspraak is immers gebaseerd op de mededeling van verweerder dat in 2007 aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen lp’s zijn verstrekt. Uit de thans bekende informatie moet worden afgeleid dat sinds april 2007 in het geheel geen lp’s meer worden verstrekt, ook niet aan (enigszins) gedocumenteerden. Het vorenstaande brengt met zich dat de vraag of de vreemdeling zijn medewerking verleent teneinde gedocumenteerd te raken niet langer relevant is voor de beoordeling van de vraag of er zicht bestaat op uitzetting.

8. Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat daadwerkelijk binnen een redelijke termijn uitzetting zal plaatsvinden. De onderhavige bewaring moet dan ook wegens het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting worden geacht onrechtmatig te zijn en wel met ingang van 21 mei 2008, de dag na de datum van de uitspraak van de rechtbank waarin de onderhavige bewaring tot dan toe in stand is gelaten. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal daarom de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser bevelen.

9. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

10. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

11. Nu de bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 21 mei 2008 onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen. Daar staat tegenover dat het op de weg van de vreemdeling ligt om de schade ten gevolge van een bewaring te beperken door daartegen zo tijdig mogelijk beroep in te stellen. De rechtbank acht derhalve in beginsel gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen welke eiser toekomt vanaf 9 juni 2007, de datum waarop het beroepschrift is ingediend.

12. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 1 juli 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 9 juni 2008 tot en met 30 juni 2008 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 22 x € 70,00 is € 1540,00.

13. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1/2 punt voor een schriftelijke zienswijze op een voortgangsrapportage;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

14. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 1 juli 2008;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1540,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2008.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1540,00 (ZEGGE: ÉÉNDUIZENDVIJFHONDERDVEERTIG EURO)

Aldus gedaan op 1 juli 2008 door mr. J.R. van Es-de Vries.