Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8119

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/8956 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft verweerder aan derde-partij onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het wijzigen van het pand en het veranderen van de bestaande functie (van winkel naar Bed & Breakfast).

Het bouwplan betreft een (al voltooide) verbouwing van het (bedrijfs)pand. HVerweerder heeft het primaire besluit herroepen nu ten tijde van dit besluit de door GS in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend niet op de juiste wijze was bekendgemaakt. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat zij er belang bij hebben dat er zes parkeerplaatsen komen omdat de parkeerdruk in de straat met de komst van de bed & breakfast is toegenomen. De feitelijke situatie moet overeen komen met wat vergund is, aldus eisers. Nu het beroep van derde-partij in de zaak, waarin derde-partij als eiser optreedt, bij uitspraak van heden gegrond is verklaard, betekent dit dat verweerder een nieuw besluit zal dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in voornoemde uitspraak is overwogen. Tegen het (nieuwe) besluit staan voor eisers rechtsmiddelen open.

Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/8956 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A], [B], [C] en [D], allen wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder.

Derde-partij: [vergunninghouder], vergunninghouder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder aan derde-partij onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het wijzigen van het pand en het veranderen van de bestaande functie (van winkel naar Bed & Breakfast), op het perceel kadastraal bekend gemeente Westland, [locatie], [sectie], [nummer], plaatselijk bekend [adres] [huisnummer] te [woonplaats].

Bij besluit van 29 augustus 2006, verzonden op 29 september 2006, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen, in dier voege dat als basis voor de vrijstelling van het bestemmingsplan de bijzondere verklaring van geen bezwaar, welke Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) op 6 juli 2006 heeft gepubliceerd, zal dienen. Voor het overige heeft verweerder het besluit van 10 januari 2006 ongewijzigd in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 3 november 2006, ingekomen bij de rechtbank op 8 november 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft bij brief van 29 oktober 2007 een schriftelijke uiteenzetting over het beroep gegeven.

Het beroep is op 18 december 2007 ter zitting behandeld.

Namens eisers zijn verschenen [A] en [C].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].

De derde-partij is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. R. Brouwer.

Motivering

Het bouwplan betreft een (al voltooide) verbouwing van het (bedrijfs)pand aan de [adres] [huisnummer] van winkel tot een bed & breakfast gelegenheid. In het pand zijn vijf kamers, sanitaire voorzieningen en (fietsen)bergingen gerealiseerd. Verder is er een gemeenschappelijke ruimte. Voorts zijn er een aantal nieuwe gevelopeningen aangebracht. Eisers wonen in de directe omgeving van het bouwplan. Vergunninghouder exploiteert deze bed & breakfast.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door GS, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van GS dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Kerngebieden' van de gemeente [woonplaats]. Het betrokken perceel heeft de bestemming 'Woondoeleinden' met de nadere aanwijzing 'Detailhandel toegestaan'.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben GS beleid vastgesteld.

Dit beleid was ten tijde van belang neergelegd in de Nota Regels voor Ruimte van 8 maart 2005, welk beleid met ingang van 15 maart 2005 in werking is getreden en zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2006. Blijkens dit beleid verlenen GS in een aantal limitatief opgesomde situaties op voorhand een verklaring van geen bezwaar, de zogeheten bijzondere verklaring van geen bezwaar. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang,'het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en het omzetten van bestaande functies in functies ten behoeve van voorzieningen van educatieve, medische, recreatieve, sociaal-maatschappelijke en levensbeschouwelijke aard (scholen, sportvoorzieningen, horeca, gezondheidscentra, kerken e.d)” of “het oprichten van winkels, bedrijvigheid en kantoren en de daarbij behorende voorzieningen en het omzetten van bestaande functies naar winkel, bedrijfs- en kantoorfuncties.'

Verweerder heeft het primaire besluit herroepen nu ten tijde van dit besluit de door GS in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend niet op de juiste wijze was bekendgemaakt. Verweerder heeft in plaats van genoemd besluit een nieuw besluit genomen, waarbij de vrijstelling is gebaseerd op de categorieën die gepubliceerd zijn in het Provincieblad 44 van 6 juli 2006.

Niet in geschil is dat het bouwplan past binnen de situaties waarvoor de bijzondere verklaring van geen bezwaar is verleend. Nu de publicatie van het huidige beleid alsnog op juiste wijze is geschied, en de (nieuwe) beslissing op bezwaar hierna (op 29 augustus 2006) is genomen kon verweerder gebruik maken van de bijzondere verklaring van geen bezwaar.

Het betreft hier de verandering van een pand met een woon-/detailhandelsbestemming in een bed & breakfast gelegenheid. Behoudens het aanbrengen van enkele gevelopeningen, heeft het bouwplan niet of nauwelijks gevolgen gehad voor de buitenkant van het pand.

Dit geschil beperkt zich tot de parkeersituatie ter plaatse.

Van belang hierbij is de volgende feitelijke gang van zaken.

Derde-partij heeft na overleg met verweerder op 5 januari 2005 een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Bij de aanvraag behoren tekeningen die de oude en de nieuwe parkeersituatie weergeven.

Blijkens de tekeningen behorende bij de aanvraag is er in de situatie voor de verbouwing aan de zijde van de [adres] sprake van 4 parkeerplaatsen en een uitrit. In de nieuwe situatie (situatie na verbouwing) blijven de 4 parkeerplaatsen behouden en zijn op de plaats van de uitrit twee extra parkeerplaatsen geprojecteerd.

Verweerder heeft vervolgens op 10 januari 2006 vergunning verleend.

De letterlijke tekst van het besluit tot verlening van de gevraagde vergunning luidt als volgt:

'I aan de aanvrager, voornoemd, vrijstelling te verlenen voor het wijzigen van het pand en het veranderen van de bestemming (van winkel naar Bed & Breakfast), op het perceel kadastraal bekend gemeente Westland, locatie [locatie], sectie G, nummer [nummer], plaatselijk bekend [adres] [huisnummer] te [woonplaats];

II aan de aanvrager, voornoemd, reguliere bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van het pand en het veranderen van de bestemming (van winkel naar bed & breakfast), op de onder I bedoelde locatie, overeenkomstig de bijgevoegde gewaarmerkte tekeningen en bescheiden;

III aan de vergunning/vrijstelling de in de bijlagen opgenomen voorschriften te verbinden.'

In de bijlage (‘bijlage B, voorwaarden aan de bouwvergunning’) behorende bij de vergunning zijn de volgende vergunningvoorwaarden opgenomen:

'- dat ten behoeve van de exploitatie van de bed & breakfast gelegenheid voldoende parkeervoorzieningen zullen worden aangelegd;

- dat onder voldoende wordt verstaan: het opheffen van de inrit, welke aanwezig is naast de vier reeds aanwezige parkeerplaatsen aan de voorzijde van het pand aan de [adres] [huisnummer] te [woonplaats] en op eigen kosten, ter plaatse van deze inrit, aanleggen van twee extra parkeerplaatsen (e.e.a. zoals op de tekeningen reeds is aangegeven);

- dat in het geval dat het gebruik reeds plaats vindt de benodigde parkeervoorziening uiterlijk binnen acht weken na het nemen van deze beschikking is aangebracht.'

Blijkens foto’s die door eisers in het geding zijn gebracht is ter plaatse sprake van de volgende situatie. Op de plaats waar op de tekeningen behorende bij het primaire besluit van 10 januari 2006 twee parkeerplaatsen zijn geprojecteerd bevindt zich thans in ieder geval 1 gewone parkeerplaats en 1 parkeerplaats die met een kruis is gemarkeerd. Dit kruis is door derde-partij zonder toestemming van de gemeente aangebracht en deze parkeerplaats wordt door eiser als privé-parkeerplaats gebruikt. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat het voorgaande de huidige parkeersituatie weergeeft.

Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat zij er belang bij hebben dat er zes parkeerplaatsen komen omdat de parkeerdruk in de straat met de komst van de bed & breakfast is toegenomen. De feitelijke situatie moet overeen komen met wat vergund is, aldus eisers.

Met betrekking tot hetgeen eisers naar voren hebben gebracht overweegt de rechtbank als volgt. Het beroep van eisers richt zich in feite niet tegen de verleende vergunning. Zij beogen, goed beschouwd, te bewerkstelligen dat de verleende vergunning wordt nageleefd, hetgeen op dit moment niet het geval is. Dit ziet echter meer op handhaving. In deze procedure is door eisers geen verzoek om handhaving gedaan zodat deze procedure zich niet leent voor een beoordeling in dat verband. Het beroep van eisers moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu het beroep van derde-partij in de zaak AWB 06/9012 WW44, waarin derde-partij als eiser optreedt, bij uitspraak van heden gegrond is verklaard, betekent dit dat verweerder een nieuw besluit zal dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in voornoemde uitspraak is overwogen. Tegen het (nieuwe) besluit staan voor eisers rechtsmiddelen open.

Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Margaretha.