Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7515

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
18-07-2008
Zaaknummer
09/862535-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

419-fraude. Verdachte heeft, samen met zijn mededaders, een groot aantal personen benaderd met het verhaal dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een erfenis of een loterijprijs, waarbij miljoenenbedragen in het vooruitzicht werden gesteld. Het gaat om oplichting die wordt aangeduid met de term 419-fraude. De term verwijst naar artikel 4.1.9 van het Nigeriaanse Wetboek van Strafrecht waarin het verbod op deze vorm van fraude is neergelegd. Deze fraude wordt ook wel “Advance Fee Fraud” genoemd aangezien de slachtoffers worden bewogen tot het betalen van een aantal voorschotten door middel van contante betalingen of money transfers. Voorgespiegeld wordt dat die voorschotten uiteindelijk zullen leiden tot uitbetaling van miljoenenbedragen. De opgelichte slachtoffers ontvangen echter geen cent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/862535-07

's-Gravenhage, 17 juli 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum] 1972,

adres: [adres].

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, Jeugdhuis van Bewaring, Unit 3 ‘De Sprang’ te ’s-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 januari 2008, 14 april 2008 en 3 juli 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr R.A. Kaarls, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr E.M.A.F. Vos heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 t/m 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 t/m 12 en 14 t/m 25 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat het onder 13 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.258.800,--, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tenslotte heeft de officier van justitie de rechtbank in overweging gegeven verdachte ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van het slachtoffer [Y].

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de politie doelbewust de waarheidsvinding heeft belemmerd door geen onderzoek in te stellen naar [A] en [B] en voorts dat de politie het recht van verdachte op een eerlijke procesgang doelbewust tekort heeft gedaan doordat zij aangevers heeft opgedragen om contacten met [A] en [B] te negeren en gegevens daarvan te vernietigen (pleitnota, onder 55 en 66).

De rechtbank verwerpt dit verweer. Na het sluiten van het opsporingsonderzoek hebben, zoals blijkt uit de rogatoire verhoren van de heer en mevrouw [X], zich [A] en [B] noemende personen (wederom) contact met hen opgenomen. De beleidsvrijheid van de politie geen (verder) onderzoek te doen naar (voortzetting) van activiteiten van deze personen en de heer en mevrouw [X] voor hun gemoedsrust aan te raden aan deze contacten verder geen aandacht meer te besteden, staat in beginsel niet ter beoordeling van de rechtbank. Dit zou anders zijn, indien dat onderzoek naar verwachting nader licht had kunnen werpen op de strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte. De verdediging heeft dit echter niet geconcretiseerd en/of aannemelijk gemaakt. In ieder geval is op geen enkele wijze gebleken dat de politie doelbewust heeft beoogd het verdedigingsbelang tekort te doen. Er is dus geen aanleiding het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

Bewijsverweer.

De raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van alle hem telastgelegde feiten. Naar de kern genomen heeft de raadsman zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn cliënt niets met de hem telastgelegde feiten heeft te maken en dat andere personen dan zijn cliënt daarbij betrokken waren.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij stelt daarbij voorop dat naar haar oordeel verdachte als medepleger, dat wil dus zeggen in bewuste en nauwe samenwerking met anderen, wel degelijk betrokken was bij de hem telastgelegde feiten. De rechtbank leidt dit af uit de volgende bewijsmiddelen:

- de computer van verdachte en de daarop aangetroffen bestanden;

- de lap top van verdachte en de daarop aangetroffen bestanden;

- de in de woning van verdachte aangetroffen agenda’s en de daarin gemaakte aantekeningen;

- andere in de woning van verdachte aangetroffen bescheiden, waaronder rekeningafschriften;

- de naast het bed van verdachte aangetroffen Motorola-telefoon en de daarop aangetroffen gegevens;

- de verklaringen van getuige [C];

- de aangiften;

De rechtbank komt tot de overtuiging dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan op grond van het grote aantal bewijsmiddelen en de onderlinge samenhang daartussen. Verdachte heeft daarvoor geen (aannemelijke) verklaring gegeven en is ook inconsistent in zijn verklaringen. De rechtbank wijst als voorbeeld op zijn wisselende verklaringen over zijn laptop en de daarop aangetroffen bestanden.

Bewijsoverweging ter zake van feit 1 onder a t/m e.

Op naam van verdachte (en anderen) staan gedurende een lange periode een groot aantal money transfers/bankontvangsten/bankopnames/bankstortingen. De rechtbank acht bewezen dat de gelden uit deze transacties grotendeels afkomstig zijn uit misdrijf. Van een aantal van deze transacties staat vast dat het gelden betreft die afkomstig zijn van de slachtoffers van de oplichtingspraktijken van verdachte. Het gaat bovendien om een zeer groot aantal transacties waarmee omvangrijke bedragen zijn gemoeid. Verdachte heeft omtrent de herkomst van de gelden bij de politie en ter terechtzitting slechts zeer algemene verklaringen afgelegd. De geldstroom die via bedoelde transacties heeft plaatsgevonden kan niet worden verklaard uit de zeer geringe inkomsten die verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode genoot. Enige andere aannemelijke verklaring voor de herkomst van de gelden ontbreekt.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de gewijzigde dagvaarding onder 1 t/m 4 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met zijn mededaders, een groot aantal personen benaderd met het verhaal dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een erfenis of een loterijprijs, waarbij miljoenenbedragen in het vooruitzicht werden gesteld. Het gaat hier om een vorm van oplichting die wordt aangeduid met de term 419-fraude. De term verwijst naar artikel 4.1.9 van het Nigeriaanse Wetboek van Strafrecht waarin het verbod op deze vorm van fraude is neergelegd. Deze fraude wordt ook wel “Advance Fee Fraud” genoemd aangezien de slachtoffers worden bewogen tot het betalen van een aantal voorschotten door middel van contante betalingen of money transfers. Voorgespiegeld wordt dat die voorschotten uiteindelijk zullen leiden tot uitbetaling van miljoenenbedragen. De opgelichte slachtoffers ontvangen echter geen cent.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van vele valse bescheiden zoals officieel ogende documenten die afkomstig zouden zijn van banken en overheden, visitekaartjes, loterijbrieven etcetera. Voorts organiseerde verdachte en zijn mededaders ontmoetingen waarbij het slachtoffer officieel ogende documenten of een koffer met geld getoond werd.

Voorts hebben verdachte en zijn mededaders veelvuldig gebruik gemaakt van witwaspraktijken, teneinde zelf buiten het zicht van politie en justitie te blijven. Hierdoor hebben zij ook andere personen bij hun praktijken betrokken.

Een schrijnend voorbeeld van de vele slachtoffers van verdachte en zijn mededaders betreft een echtpaar uit Oostenrijk. Dit echtpaar is er gedurende een periode van twee jaar toe bewogen om vele zogenaamde voorschotten te betalen. Het ging daarbij om bedragen van grote omvang waarvoor het echtpaar leningen is aangegaan. Uiteindelijk is dit echtpaar hierdoor in een faillissement geraakt en zijn zij geheel berooid achtergebleven

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan.

Verdachte heeft deze feiten op grote schaal en over een lange periode gepleegd, waarbij hij verschillende slachtoffers heeft gemaakt. Verdachte heeft zijn slachtoffers ernstig financieel benadeeld en heeft zich daarbij mededogenloos getoond.

Wat betreft het witwassen overweegt de rechtbank dat dit een ernstig feit is dat de integriteit van het financieel en economisch bestel aantast. Het onttrekken van gelden aan het zicht van de fiscus en justitie heeft een corrumperende werking op het reguliere handels- en betalingsverkeer.

Valsheid in geschrift is een ernstig feit omdat het vertrouwen dat de samenleving moet kunnen hebben in de waarheidsgetrouwheid van geschriften hierdoor wordt aangetast. Voornoemde vorm van fraude schaadt het vertrouwen in het bank- en kredietwezen en het gebruik van internet.

Verdachte is – blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister 23 januari 2008 – in het verleden niet eerder wegens een misdrijf veroordeeld. Uit het dossier en uit de proceshouding is de rechtbank echter gebleken dat verdachte geen scrupules heeft ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Zo heeft heeft hij na zijn eerste aanhouding zijn praktijken voortgezet. De rechtbank heeft er dan ook weinig vertrouwen in dat verdachte in de toekomst niet weer dergelijke feiten zal plegen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij/schadevergoeding.

[X], wonende te [Q] (Oostenrijk) heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.258.800,--. Blijkens de onderbouwing in het schadeformulier betreft dit bedrag niet een optelsom van de bedragen die aan verdachte en zijn mededaders zijn betaald, maar de schade die zou zijn geleden naar aanleiding van de verkoop van twee woonhuizen en het teloorgaan van pensioengelden. Aldus is deze vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak en zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding.

Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van [X].

Wel ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte de verplichting op te leggen de schade van [X] te vergoeden, voor zover deze schade eenvoudig is vast te stellen, zijnde alle schade waarvoor verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is aangezien die door de bewezenverklaarde oplichting is teweeggebracht. De schade voor zover thans eenvoudig vast te stelen, is aan de orde ten aanzien van de money transfers van [C], te weten:

berekening schade X

Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van [Y].

De rechtbank ziet eveneens aanleiding aan verdachte de verplichting op te leggen aan

[Y] de schade te vergoeden, voor zover deze schade eenvoudig is vast te stellen, zijnde alle schade waarvoor verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is aangezien die door de bewezen verklaarde oplichting is teweeggebracht. Dit is aan de orde ten aanzien van de money transfer van [C] en een contante betaling op 13 april 2007, te weten:

berekening schade Y

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 t/m 12, 14 en 16 t/m 25 genummerde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar,

aangezien deze aan verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen de onder 1 t/m 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 13 en 15 genummerde voorwerpen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 57, 225, 326, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 t/m 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Feit 1:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 2:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 3:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 4:

Medeplegen van poging tot oplichting;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 21 maart 2007,

in vrijheid gesteld op: 23 maart 2007;

in verzekering gesteld op: 8 mei 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 11 mei 2007,

verklaart de benadeelde partij [X] niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 8.750,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 175 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 5.100,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 102 dagen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 t/m 12, 14 en 16 t/m 25 genummerde voorwerpen, te weten:

1. een stuk bescheiden. Kopie notitie [....],

2. een stuk bescheiden. Schets woning,

3. 13 stuks papier. Snippers,

4. een computer, kleur zwart,

5. een brief. Kopie [...],

6. een stuk papier. Kopie kladje,

7. een telefoontoestel. Motorola C139,

8. een telefoontoestel. Motorola inclusief lader,

9. een telefoontoestel. Kleur grijs/zilver. Nokia,

10. een telefoontoestel. Kleur bruin/goud. Nokia,

11. een telefoontoestel. Kleur grijs. Nokia,

12. een geheugensim. Vodafone,

14. een agenda. Kleur zwart. 2003,

16. een stuk papier. E-mail,

17. een stuk bescheiden. Betalingsopdracht,

18. een agenda. Kleur zwart. 2003,

19. een brief. Mr. [....],

20. een brief. Mr. [....],

21. een formulier. Kopie [...],

22. een stuk papier. Kopie shipment,

23. een formulier. Socrates,

24. een formulier. Kopie ABN/AMRO,

25. een laptop computer. Pavillon ZE2000. Laptoptas, kabel en muis;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 13 en 15 genummerde voorwerpen, te weten: een fotoalbum + foto en een bouwtekening (woning);

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs S.L. Donker, voorzitter,

M.E. Honée en H.J. van Kooten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2008.