Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7243

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
Awb 07/40215
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / EU onderdaan / Richtlijn 2004/38 EG

Eiser heeft de Franse nationaliteit. Bij het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is onder meer bewezen verklaard dat eiser van 1 oktober 2000 tot 13 februari 2003 cocaïne heeft verkocht en vervoerd en op 13 februari 2003 29,6 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad. Eiser is veroordeeld tot zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.Tot medio 2006 heeft eiser in detentie verbleven. Nadien is hij niet teruggekeerd van een proefverlof. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld persoonlijke gedragingen van eiser betreffen. In geschil is of deze gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Rl 2004/38. Gelet op de omstandigheden die tot de veroordeling hebben geleid als bedoeld in de arresten van het HvJ EG inzake Bouchereau en Calfa, heeft verweerder kunnen aannemen dat ook thans nog een actuele dreiging van de gedragingen van eiser uitgaat. De rechtbank wijst in dit verband in de eerste plaats op de lange duur van de periode, twee jaar en vier maanden, waarin eiser in cocaïne heeft gehandeld. Voorts wijst de rechtbank op de nadere bewijsoverweging in genoemd arrest waarin het Gerechtshof heeft geoordeeld dat een in de woning, waarin eiser thuis hoorde, aangetroffen bedrag van 390.020,- euro, afkomstig is van onwettige handel en dat eiser niet geloofwaardig heeft aangetoond op welke wijze hij in de periode waarin hij in Nederland woonde, heeft voorzien in zijn levensonderhoud. Gelet op de intensiteit, de omvang en de kennelijke afhankelijkheid van eiser van de handel in cocaïne is zeer aannemelijk dat de kans van herhaling van het stafbare gedrag aanwezig is. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de actuele bedreiging is verdwenen of verminderd als bedoeld in de arresten van het HvJ EG inzake Orfanopoulos en Cetinkaya. De omstandigheid dat inmiddels vijf jaren zijn verstreken sinds de strafbare gedragingen levert naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking genomen het langdurig handelen in cocaïne en de intensiteit, de omvang en afhankelijkheid daarvan, onvoldoende grond op om dit aan te nemen. Bovendien heeft eiser tot medio 2006 in detentie doorgebracht. De rechtbank wijst er ten slotte op dat eiser, door medio 2006 niet naar de penitentiaire inrichting terug te keren, zich de mogelijkheid heeft ontnomen om te weerleggen dat van zijn gedrag een actuele bedreiging uitgaat. De hierboven genoemde (bewezen verklaarde) gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank tevens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 07/40215

Uitspraak in het geschil tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Franse nationaliteit,

V-nummer: [..]

eiser,

gemachtigde: mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie-en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.B.Y. Vet, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij besluit van 17 augustus 2006 is eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ongewenst verklaard.

1.2. Eiser heeft daartegen op 6 september 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 29 maart 2007 is het besluit van 17 augustus 2006 ingetrokken. Eiser is meegedeeld dat er opnieuw zal worden beslist en dat hij deze beslissing in Nederland mag afwachten.

1.3. Bij besluit van 23 april 2007 is het verblijfsrecht van eiser beëindigd en is eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 ongewenst verklaard. Eiser heeft hiertegen op 1 mei 2007 bezwaar gemaakt. Op 18 september 2007 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft verweerder de bezwaren van 6 september 2006 en 1 mei 2007 ongegrond verklaard.

1.4. Bij beroepschrift van 23 oktober 2007 heeft eiser tegen het hiervoor genoemde besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 3 april 2007. Eiser is aldaar verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft het besluit tot verblijfsbeëindiging van 23 april 2007, waarvan de motivering is ingelast en herhaald in het bestreden besluit, als volgt gemotiveerd. Eiser heeft de Franse nationaliteit en is derhalve Europese Unie burger. Een burger van de Europese Unie kan slecht ongewenst worden verklaard indien op grond van artikel 27 Richtlijn 2004/38 EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Rl 2004/38) het verblijfsrecht in een lidstaat is beëindigd. Verblijfsbeëindiging van eiser op grond van artikel 27 Rl 2004/38 is mogelijk nu het (persoonlijke) gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Op grond van artikel 28, eerste lid, Rl 2004/38 moeten de lidstaten alvorens een besluit tot verwijdering te nemen, de duur van het verblijf van de burger van de Europese Unie, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin er bindingen zijn met het land van herkomst, in overweging nemen. Omdat eiser voortvluchtig is kan deze toetsing slechts plaatsvinden aan de hand van de beschikbare gegevens. Tijdens het gehoor van 1 maart 2005 heeft eiser verklaard dat hij geen bezoekregeling met zijn kinderen had en dat hij wilde terugkeren naar Frankrijk. Eiser heeft (had) derhalve binding met Frankrijk. Hij heeft tevens verklaard dat hij nooit heeft gewerkt in Nederland en dat hij geen sofinummer heeft. Gelet op al het voorgaande kan het verblijf van eiser worden beëindigd op grond van Rl 2004/38. Bij het besluit in eerste aanleg heeft verweerder eiser tevens ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in verbinding met paragraaf A 5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister is gebleken dat eiser bij vonnis van 23 april 2004 onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar. In het kader van de verblijfsbeëindiging is al geconcludeerd dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor het fundamenteel belang van de samenleving vormt in de zin van artikel 27, tweede lid, Rl 2004/38. De overwegingen in het kader van de verblijfsbeëindiging dienen hier als ingelast en herhaald te worden beschouwd. Eiser is op 1 maart 2005 gehoord bij de korpschef van de politieregio Amsterdam Amstelland. Hetgeen hij heeft verklaard en hetgeen hij in de beide bezwaarschriften heeft aangevoerd is van onvoldoende gewicht om ongewenstverklaring achterwege te laten. Voor zover moet worden aangenomen dat eiser familie- of gezinsleven onderhoudt met zijn kinderen in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), geldt dat de inmenging is gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat komt meer gewicht toe dan aan het persoonlijk belang van eiser, dit vanwege de ernst van de misdrijven enerzijds en het ontbreken van een samenlevingsverband tussen eiser en zijn gezin en een omgangsregeling met zijn kinderen anderzijds. De ongewenstverklaring levert dan ook geen schending op van artikel 8 EVRM. Evenmin is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken.

2.2. Eiser heeft in bezwaar onder meer het volgende aangevoerd. In de eerste plaats mag verweerder ingevolge artikel 6:18, derde lid, Awb na intrekking of wijziging van het besluit, zolang het bezwaar of beroep aanhangig is, geen besluit nemen waarvan de inhoud of de strekking overeenstemt met de inhoud of de strekking van het oorspronkelijke besluit, tenzij gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest. In dit geval is er geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Zowel qua inhoud als strekking stemt de ongewenstverklaring in het nieuwe besluit overeen met de ongewenstverklaring in het oude besluit. Dat verweerder in het nieuwe besluit het verblijfsrecht van eiser heeft beëindigd op grond van Rl 2004/38 doet hieraan niet af. Het besluit is derhalve onrechtmatig wegens strijd met 6:18, derde lid, Awb. Voorts is de informatie waarop de verblijfsbeëindiging is gebaseerd, te weten het gehoor van 1 maart 2005, zodanig verouderd dat geen actuele beoordeling kan plaatsvinden hetgeen in strijd is met Rl 2004/38. Eiser mag bovendien alleen op grond van artikel 27, tweede lid, Rl 2004/38 ongewenst worden verklaard, en niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Verweerder heeft ten onrechte bij de puntsgewijze beoordeling van de in artikel 27, tweede lid, Rl 2004/38 genoemde criteria geconcludeerd dat er sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder miskent dat alleen de vaststelling dat eiser meerdere misdrijven heeft gepleegd en dat hij hiervoor is veroordeeld, onvoldoende is om een dit aan te nemen. De veroordeling is bovendien niet van recente datum. Immers, eiser is door de rechtbank veroordeeld in 2003 en in 2004 heeft het Hof zich nogmaals over de zaak gebogen. Verder heeft eiser zich, nadat hij niet is teruggekeerd van verlof naar de penitentiaire inrichting, niet meer schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Het feit dat eiser niet is teruggekeerd is niet strafbaar en kan eiser niet worden tegengeworpen. Ten slotte heeft verweerder in strijd met de geldende regelgeving aan eiser een vertrektermijn van vierentwintig uur opgelegd.

2.3. In het besluit op bezwaar heeft verweerder overwogen dat, anders dan eiser heeft beoogd te stellen, artikel 6:18, derde lid, Awb zich er niet tegen verzet, dat verweerder na intrekking van het besluit in eerste aanleg van 17 augustus 2006 een nieuw besluit in eerste aanleg neemt (het besluit van 23 april 2007). De inhoud van het besluit van 23 april 2007 wijkt immers af van het besluit van 17 augustus 2006, nu bij eerstgenoemd besluit het verblijfsrecht van eiser is beëindigd op grond van Rl 2004/38. Ter zake van de verkorte vertrektermijn heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze, gelet op paragraaf A4/3.3. Vc 2000 in dringende gevallen aan EU-onderdanen kan worden opgelegd. De gestelde vertrektermijn staat los van de beslissing om wel of geen schorsende werking te verlenen. In het geval van eiser was er vanwege de openbare orde aspecten aanleiding om een vertrektermijn van vierentwintig uur op te leggen. Dat eiser nog een uitnodiging heeft ontvangen voor een hoorzitting bij de ambtelijke commissie doet aan de rechtmatigheid van de opgelegde vertrektermijn niet af. Slechts de toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening zou de werking van het bestreden besluit hebben kunnen schorsen. Daarvan is geen sprake. Ten aanzien van de voortvluchtigheid van eiser heeft verweerder ten slotte opgemerkt dat het niet volledig uitdienen van zijn straf een gedraging is die de uitvoering van een door de rechter opgelegde straf in de weg staat. De gedraging doet af aan de door eiser te tonen positieve gedragsverandering in de maatschappij. Nu eiser nog altijd niet in vrijheid is gesteld, maar na een verlofperiode niet is teruggekeerd naar de penitentiaire inrichting, is het gedrag van eiser na invrijheidstelling niet vast te stellen. In dat geval bestaat aanleiding om de actuele dreiging van het gedrag aan te nemen.

2.4. In beroep heeft eiser verwezen naar de gronden van bezwaar. Daaraan heeft hij nog het volgende toegevoegd. Het toetsingskader is niet of er sprake is van een positieve gedragsverandering maar of de bedreiging die van het gedrag van eiser uitgaat, actueel is. Aan de beslissing van 24 april 2007 heeft verweerder het rechtsgevolg verbonden dat eiser binnen 24 uur Nederland moet hebben verlaten en dat het indienen van een bezwaarschrift de rechtsgevolgen niet opschort. Ter motivering van de verkorte vertrektermijn die aan eiser is gegeven verwijst verweerder naar het besluit in eerste aanleg. Daarin is evenwel geen overweging terug te vinden die ziet op de vraag of sprake is van een werkelijke en genoegzame ernstige bedreiging van de openbare orde. Artikel 8:24, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) schrijft voor dat de vertrektermijn alleen in het naar behoren aangetoonde dringende geval kan worden verkort tot vier weken. Noch in het besluit in eerste aanleg noch in het besluit op bezwaar is gemotiveerd dat het hier gaat om “een naar behoren aangetoond dringend geval”. Ten slotte heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift van 6 september 2006 het besluit van 17 augustus 2006 ingetrokken. Hieruit blijkt dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard. Het bestreden besluit behoort ook op dit onderdeel te worden vernietigd.

Beoordeling van het beroep

2.5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stellingen dat het verweerder niet was toegestaan om hangende de bezwaarprocedure tot intrekking van het primaire besluit over te gaan en opnieuw een primair besluit te nemen en dat verweerder het bezwaar van eiser tegen het eerste primaire besluit gegrond had moeten verklaren. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, Awb brengt het aanhangig zijn van een bezwaar geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking van een besluit. Op grond van het derde lid, mag het bestuursorgaan zolang het bezwaar aanhangig blijft geen besluit nemen waarvan de inhoud of de strekking met het oorspronkelijke besluit overeenstemt, tenzij gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen of het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar ook bevoegd zou zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank stemt de inhoud en strekking van het besluit van 17 augustus 2006 niet overeen met het besluit van 23 april 2007. In de eerste plaats is bij laatstgenoemd besluit, anders dan bij het besluit van 17 augustus 2006, het verblijf van eiser beëindigd zoals vereist op grond van Richtlijn 2004/38. In de tweede plaats is de grondslag van het besluit tot ongewenstverklaring gewijzigd van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 in het eerste lid, aanhef en onder b, van die bepaling. Verweerder was dan ook bevoegd om tot intrekking van het primaire besluit van 17 augustus 2006 over te gaan en een nieuw besluit te nemen.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, derde lid, Awb het bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar geheel tegemoet komt. Aangezien aan het bezwaar van 6 september 2006 niet geheel is tegemoet gekomen - verweerder is tot verblijfsbeëindiging en tot ongewenstverklaring van eiser overgegaan - moet het bezwaar van 6 september 2006 worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 23 april 2007.

2.6. Artikel 17 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag) luidt als volgt:

“1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.”

Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

Ingevolge artikel 27, eerste lid, Richtlijn 2004/38 kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, moeten de om redenen van openbare orde genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en mogen die uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden gevoerd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, Rl 2004/38, voor zover van belang, neemt een gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van dit land, diens leeftijd gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong in overweging.

2.7. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, Vb 2000 is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, Vb 2000 kan verweerder het rechtmatig verblijf ontzeggen of beeindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Het door verweerder gevoerde beleid ter zake van ongewenstverklaring van EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 Vc 2000.

2.8. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

2.9. Niet in geschil is dat eiser van Franse nationaliteit is, zodat hij onderdaan is van een lidstaat en derhalve burger van de Europese Unie. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag komt eiser derhalve een recht toe om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Aan de uitoefening van dit recht kunnen de in die bepaling bedoelde beperkingen en voorwaarden worden gesteld, mits deze worden toegepast met inachtneming van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel (Hof van Justitie EG (HvJ EG) inzake Baumbast, 17 september 2002, JV 2002/466). Niet in geschil is dat eiser tot op het moment van verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring op grond van artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag een recht van verblijf had.

2.10. In geschil is of verweerder op grond van Rl 2004/38 tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring van eiser had mogen overgaan in verband met het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2004, waarbij eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Voorts is in geschil of verweerder in het besluit in eerste aanleg aan eiser een verkorte vertrektermijn van vierentwintig uur heeft kunnen stellen.

2.11. Onder de door verweerder ingezonden gedingstukken bevindt zich een kopie van eerdergenoemd arrest van het Gerechtshof Amsterdam (rolnummer 23-003137-03). Daaruit blijkt dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens:

- het meerdere malen verkopen en vervoeren van cocaïne in de periode 1 oktober 2000 tot en met 13 februari 2003 te Amsterdam;

- het op 13 februari 2003 aanwezig hebben van 29,6 kg cocaïne;

- het meerdere malen opzettelijk mishandelen van zijn zwangere ex-vriendin in de periode van 1 februari 2003 tot 13 februari 2003;

- het op 13 februari 2003 te Amsterdam voorhanden hebben gehad van 24 volmantelpatronen, zijnde munitie in de zin van de Wet wapens en munitie.

2.12. Onder verwijzing naar de arresten van het HvJ EG inzake Boucherau van 27 oktober 1977 (RV 1977, 87) en inzake Calfa (JV 1999, 74) overweegt de rechtbank dat het in het EG-Verdrag neergelegde beginsel van vrij verkeer een van de grondbeginselen van het EG-Verdrag is en dat het strafrecht de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele vrijheden niet mag beperken. Onderzocht dient te worden of de verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring kan worden gerechtvaardigd op grond van de uitzondering uit hoofde van de openbare orde als bedoeld in artikel 27 e.v. Rl 2004/38. In het arrest inzake Calfa heeft het HvJ EG overwogen dat een lidstaat het gebruik van verdovende middelen als een zodanig gevaar voor de samenleving kan beschouwen, dat ten aanzien van buitenlanders die de wetgeving inzake verdovende middelen overtreden, bijzondere maatregelen gerechtvaardigd zijn om de openbare orde te beschermen. Evenwel dient de uitzondering betreffende de openbare orde, evenals alle afwijkingen van een fundamenteel beginsel van het EG-Verdrag beperkend te worden uitgelegd. Het bestaan van één of meerdere strafrechtelijke veroordeling(en) vormt op zichzelf geen motivering van de maatregelen. Dit doet slechts ter zake voor zover uit de omstandigheden die tot de veroordeling(en) hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. Verwezen wordt ook naar het arrest van EG HvJ inzake Polat van 10 april 2007 (JV 2007, 524).

2.13. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EG (bijvoorbeeld: HvJ EG inzake Orfanopoulos en Oliveri van 29 april 2004, JV 2004/227 en HvJ EG inzake Cetinkaya van 11 november 2004, JV 2005/1) dienen de nationale rechtelijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat uit hoofde van de openbare orde rekening te houden met feiten die zich na het laatste overheidsbesluit hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de onderdaan voor de openbare orde vormde, verdwijnt of sterk vermindert. Dit is vooral het geval indien er tussen de datum van het besluit tot uitzetting en de datum waarop de bevoegde rechter dit besluit toetst lange tijd is verstreken.

2.14. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld persoonlijke gedragingen van eiser betreffen. In geschil is of deze gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Rl 2004/38. Bij het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is onder meer bewezen verklaard dat eiser van 1 oktober 2000 tot 13 februari 2003 cocaïne heeft verkocht en vervoerd en op 13 februari 2003 29,6 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad. Gelet op de omstandigheden die tot de veroordeling hebben geleid als bedoeld in de arresten van het HvJ EG inzake Bouchereau en Calfa, heeft verweerder kunnen aannemen dat ook thans nog een actuele dreiging van de gedragingen van eiser uitgaat. De rechtbank wijst in dit verband in de eerste plaats op de lange duur van de periode, twee jaar en vier maanden, waarin eiser in cocaïne heeft gehandeld. Voorts wijst de rechtbank op de nadere bewijsoverweging in genoemd arrest waarin het Gerechtshof heeft geoordeeld dat een in de woning, waarin eiser thuis hoorde, aangetroffen bedrag van 390.020,- euro, afkomstig is van onwettige handel en dat eiser niet geloofwaardig heeft aangetoond op welke wijze hij in de periode waarin hij in Nederland woonde, heeft voorzien in zijn levensonderhoud. Gelet op de intensiteit, de omvang en de kennelijke afhankelijkheid van eiser van de handel in cocaïne is zeer aannemelijk dat de kans van herhaling van het stafbare gedrag aanwezig is. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de actuele bedreiging is verdwenen of verminderd als bedoeld in de arresten van het HvJ EG inzake Orfanopoulos en Cetinkaya. De omstandigheid dat inmiddels vijf jaren zijn verstreken sinds de strafbare gedragingen levert naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking genomen het langdurig handelen in cocaïne en de intensiteit, de omvang en afhankelijkheid daarvan, onvoldoende grond op om dit aan te nemen. Bovendien heeft eiser tot medio 2006 in detentie doorgebracht. De omstandigheid dat nadien niet is gebleken dat eiser zich wederom aan strafbare gedragingen heeft schuldig gemaakt, is geen reden om tot afwezigheid of vermindering van de actuele bedreiging te concluderen. Eiser heeft immers kans gezien om gedurende twee jaar en vier maanden in cocaïne te handelen zonder dat sprake is geweest van strafrechtelijk ingrijpen. De rechtbank wijst er ten slotte op dat eiser, door medio 2006 niet naar de penitentiaire inrichting terug te keren, zich de mogelijkheid heeft ontnomen om te weerleggen dat van zijn gedrag een actuele bedreiging uitgaat. De hierboven genoemde (bewezen verklaarde) gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank tevens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Zoals het Gerechtshof ook heeft geoordeeld is cocaïne een voor de gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en is het gebruik daarvan bezwarend voor de samenleving, zo niet een gevaar voor de volksgezondheid, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande, ook door verslaafden, gepleegde criminaliteit.

2.15. Het voorgaande in aanmerking genomen, is de rechtbank tevens van oordeel dat de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. In dit verband overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat in de duur van het verblijf van eiser in Nederland, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, de mate waarin hij sociaal en cultureel is geintegreerd in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst, geen redenen zijn gelegen om te concluderen dat verweerder daartoe niet had mogen overgaan.

2.16. Gezien de vorige overwegingen en gezien de artikelen 27, eerste en tweede lid, en artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38 in samenhang met artikel 8.22, eerste lid, Vb 2000 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser kunnen beëindigen. Evenmin verzetten deze bepalingen zich tegen ongewenstverklaring van eiser.

2.17. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser niet dan wel onvoldoende heeft bestreden dat verweerder in redelijkheid op grond van de hem ex artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 toekomende bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om eiser ongewenst te verklaren.

2.18. Eiser heeft evenmin bestreden dat de ongewenstverklaring geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM, zodat het bestreden besluit ook op dit onderdeel de toetsing in rechte kan doorstaan.

2.19. Aangezien uit het voorgaande voortvloeit dat het beroep voor zover gericht tegen de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring ongegrond is, is aan een beoordeling van de rechtmatigheid van de vertrektermijn het belang komen te ontvallen. Overigens overweegt de rechtbank dat artikel 31, tweede lid, Rl 2004/38 en artikel 8.24, eerste lid, Vb 2000 verweerder slechts gebieden om, indien de betrokken vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, de uitzetting achterwege te laten totdat op het verzoek is beslist. Niet is gebleken dat eiser een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Reeds om die reden bestond voor verweerder geen aanleiding om het opleggen van de vertrektermijn op te schorten.

2.20. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.21. Voor een veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.Wind als griffier op 8 juli 2008.

De griffier De rechter

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: