Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7186

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
09/754160-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1756, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Verdachte is moord c.q. doodslag ten laste gelegd. Er zijn geen sporen aanwezig waarvan is komen vast te staan dat verdachte ze ter gelegenheid van het delict heeft veroorzaakt. De conclusies van geraadpleegde DNA deskundigen gaan niet verder dan dat verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van biologische sporen. Dergelijk bewijs kan hooguit als steunbewijs dienen. Ander bewijs is evenwel niet aanwezig. Het uitgangspunt van het politieonderzoek is geweest dat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest. Echter niet kan worden uitgesloten dat een onbekende de dader is. Het feit dat alle bekenden van het slachtoffer met uitzondering van verdachte zijn uitgesloten draagt dan ook niet bij aan het bewijs. De verklaringen van verdachte over zijn alibi kunnen niet als kennelijk leugenachtig worden beschouwd, terwijl de vraag of verdachte over zogenaamde daderkennis beschikte niet zonder meer bevestigend kan worden beantwoord. De rechtbank kan geen andere conclusie trekken dan dat er géén bewijsmiddelen zijn welke verdachte als dader aanwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/754160-06

Datum uitspraak: 15 juli 2008

VONNIS(1)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [P] op [geboortedatum] 1969,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden, P.C.S. Unit 2" te ‘s-Gravenhage.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 4 april 2007, 27 juni 2007, 21 september 2007, 12 november 2007, 4 februari 2008, 15 april 2008 en 1 juli 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Schuijer en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.V. Jansen, advocaat te ‘s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [P] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, wurghandelingen verricht en steekwonden toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs

4.1 De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten.

Op 12 juli 2006 wordt in de woning van haar ouders in [P] het levenloze lichaam aangetroffen van [A]. Zij woonde daar tijdelijk, haar ouders waren op vakantie. Het lichaam lag op de vloer van de zolderkamer, slechts gehuld in een badjas, een tie-wrap om haar hals en een plastic tas om haar hoofd. Er was een mes in haar hartstreek gestoken. Blijkens het sectierapport van de patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen het NFI) was zij door verstikking om het leven gekomen. Er is een zeer uitgebreid (forensisch) onderzoek ingesteld, waarbij geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op braak of inklimming en evenmin sporen die wijzen op een worsteling. Wel had het slachtoffer een grote bloeduitstorting aan de linkerzijde van het gezicht. Voorts zijn sporen aangetroffen rond en op het lichaam van het slachtoffer. Op deze sporen zijn verschillende methoden van DNA-onderzoek toegepast waarbij celmateriaal van een mannelijke donor werd aangetoond. Op grond van verklaringen van een vriendin met wie het slachtoffer die avond uit was, onderzoek aan haar computer en waarnemingen van omwonenden is het slachtoffer tussen 23.45 uur op 11 juli 2006 en 01.00 uur om het leven gekomen. Het onderzoek van de politie heeft zich gericht op een man, die op enige wijze in contact stond of had gestaan met het slachtoffer. Een groot aantal mannen, waaronder verdachte, is gevraagd DNA af te staan.

Verdachte is getrouwd geweest met een tante van het slachtoffer en heeft aldus jarenlang in nauw contact met haar en haar familie gestaan. Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de gewelddadige dood van het slachtoffer ontkend en voor het overige tijdens de verhoren bij de politie en het onderzoek ter terechtzitting grotendeels een beroep gedaan op zijn zwijgrecht.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie.

Op basis van het politieonderzoek moet worden aangenomen, dat het gaat om een man die op enige wijze in contact stond of heeft gestaan met het slachtoffer.

Het technisch en DNA-onderzoek heeft zich toegespitst op de volgende sporen, aangetroffen op en rond het slachtoffer:

- DNA onder de nagels van de rechterhand van het slachtoffer (AHH 352#2);

- DNA op de revers van de badjas (AHH 372#3);

- DNA op de plastic tas om het hoofd van het slachtoffer (AHH 371#1);

- meerdere haren op het ontblote bovenbeen van het slachtoffer (AHH 360#1, ACE 899#1 en ARA 458#1) en

- afdrukken van slippers ter weerszijde van het lichaam.

Al deze sporen kunnen in verband worden gebracht met verdachte. Het gaat hier om dadersporen. Er is in het onderzoek niemand anders aangetroffen van wie een overeenkomst met één van deze sporen kon worden vastgesteld. Op basis van dit forensisch onderzoek is maar één conclusie mogelijk, te weten dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Daarnaast zijn er nog een aantal feiten en omstandigheden die bijdragen aan de overtuiging dat verdachte inderdaad de dader is. Zo heeft verdachte een alibi genoemd dat niet bleek te kloppen, heeft hij gelogen over het bezit van slippers en spreekt hij al over moord voor dat dit bekend is (daderkennis).

Het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd als moord. Nu geen aanwijzingen bestaan voor ontoerekeningsvatbaarheid, en er ook overigens geen omstandigheden zijn die matigend zouden moeten werken, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd van 15 jaar.

4.3 Het standpunt van de verdediging.

De resultaten van het technisch en DNA-onderzoek wijzen verdachte niet aan als dader. De resultaten zouden slechts kunnen dienen ter ondersteuning van ander bewijs maar er is geen ander bewijs dat verdachte wél als dader aanwijst. Het is bovendien maar zeer de vraag of de betreffende sporen dadersporen zijn. Er zijn meerdere verklaringen denkbaar voor de aanwezigheid van mogelijk materiaal van verdachte. Verdachte heeft geen enkel motief. Verdachte heeft niet gelogen over zijn alibi, verdachte beschikte niet over daderkennis. Tenslotte staat niet vast dat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest.

4.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen staan de sporen, welke op en rond het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen centraal. Het openbaar ministerie en de verdediging verschillen van mening over de bewijswaarde van de conclusies van de diverse onderzoeken.

De rechtbank zal allereerst de resultaten van het sporenonderzoek afzonderlijk bespreken.

AHH352#2 de bemonstering van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer.

Van het celmateriaal in de bemonstering van AHH352#2 van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer is een DNA mengprofiel verkregen waarin de DNA kenmerken zichtbaar zijn van een man en een vrouw. Hieruit kan een DNA hoofdprofiel worden afgeleid dat overeenkomt met het DNA profiel van het slachtoffer. Daarnaast zijn een aantal zwak aanwezige DNA kenmerken waargenomen die van een tweede (mannelijke) donor afkomstig zijn. Deze zijn vergeleken met de DNA kenmerken van de verdachte. Het NFI heeft over dit vergelijkend onderzoek gerapporteerd(2), dat DNA kenmerken zijn waargenomen, die gelijk zijn aan die van verdachte maar dat er ook verschillen zijn waargenomen. Het NFI concludeert dat er twee mogelijkheden zijn:

- de bemonstering bevat een mengsel van materiaal afkomstig van twee personen, in welk geval verdachte moet worden uitgesloten als donor,

- de bemonstering bevat een mengsel van materiaal afkomstig van drie personen, in welk geval verdachte niet kan worden uitgesloten als donor.

Het NFI heeft voorts aangegeven, dat vanwege de complexiteit van het verkregen DNA mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AHH352#2 een statistische berekening met betrekking tot de bewijswaarde van de genoemde overeenkomst niet is uitgevoerd.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde rapportage en de toelichtingen van dr. W.M. Aarts van het NFI als getuige-deskundige ter terechtzitting vast dat het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352 #2 niet volledig overeenkomt met het DNA profiel van de verdachte nu één aangetroffen DNA kenmerk afwijkt van het DNA profiel van de verdachte en van het slachtoffer. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte dient te worden uitgesloten als donor aan het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352#2, tenzij dit mengprofiel DNA bevat van meer dan twee donoren.

Op grond van het autosomale DNA onderzoek zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat de bemonstering AHH352#2 een DNA mengprofiel is van tenminste drie donoren. Het NFI heeft geen bijdrage van een derde donor aan het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352#2 ook niet na nader aanvullend onderzoek van de bemonstering aan kunnen tonen. Dr. Aarts heeft ter terechtzitting van 15 april 2008 verklaard dat het nooit geheel valt uit te sluiten dat er een derde persoon aan een DNA mengprofiel heeft bijgedragen. Voorts heeft zij aangegeven dat in 3 procent van de gevallen blijkt dat er toch drie donoren aan een mengprofiel hebben bijgedragen zelfs als er op alle loci niet meer dan vier pieken zijn waargenomen. De rechtbank acht op grond hiervan de mogelijkheid dat er toch een derde persoon heeft bijgedragen aan het DNA mengprofiel AHH352#2 weliswaar aanwezig maar te gering om hierop deze conclusie te kunnen baseren. Nu niet kan worden vastgesteld en evenmin kan worden aangenomen dat een derde donor aan het DNA mengprofiel AHH352#2 heeft bijgedragen, kan niet worden volgehouden dat het DNA profiel van de verdachte een match heeft opgeleverd met de DNA kenmerken aangetroffen in het spoor AHH 352#2. Niet kan worden voorbijgegaan aan het aantreffen van het DNA profiel van de verdachte afwijkend DNA kenmerk in dit spoor. Zelfs al zou de rechtbank – quod non – de aanwezigheid van een derde donor in het mengprofiel AHH352#2 aannemen, dan nog kan aan het aangetroffen mengprofiel geen bewijskracht worden verleend omdat de deskundige vanwege de complexiteit van het mengprofiel de bewijswaarde niet statistisch kan berekenen.

AHH372#3, de bemonstering van de revers van de badjas van het slachtoffer.

Het NFI heeft de badjas onderzocht op de aanwezigheid van bloed (3) en daarbij op drie locaties bemonsteringen genomen en veiliggesteld voor autosomaal DNA-onderzoek. Er is een profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het in het monster aanwezige bloed of celmateriaal lijkt naar alle waarschijnlijkheid dus afkomstig van het slachtoffer (frequentie, 1 op 1 miljard). Daarnaast zijn in het profiel van de bemonstering enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen. In een aanvullend rapport (4) heeft het NFI gerapporteerd dat deze zwak aanwezige kenmerken overeenkomen met de betreffende kenmerken van verdachte. De conclusie luidt dat verdachte niet kan worden uitgesloten maar dat een statistische berekening van de bewijswaarde van deze conclusie, juist vanwege de zwakke aanwezigheid niet is uitgevoerd. Ter zitting heeft dr Aarts nog verduidelijkt dat een dergelijke berekening onmogelijk is omdat daarvoor te veel aannames moeten worden gedaan.

Op verzoek van de verdediging is de bemonstering ook onderzocht door het Forensic Science Service (verder te noemen FSS) een laboratorium in Groot Brittanië(5). Deze dienst komt tot de conclusie dat er naast het materiaal van het slachtoffer 8 kenmerken zijn die overeenkomen met de DNA kenmerken in het profiel van verdachte. Weliswaar meent de officier van justitie dat het hier een sterkere conclusie betreft dan het NFI heeft getrokken. Niettemin gaat ook deze conclusie niet verder dan dat verdachte niet kan worden uitgesloten. Bovendien ziet ook het FSS geen kans op basis van de beschikbare gegevens te komen tot een statistische evaluatie.

De resultaten van het autosomale DNA-onderzoek van deze bemonstering kunnen dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet als bewijs dienen dat verdachte donor is van het bemonsterde materiaal.

AHH354#1, de bemonstering van de tiewrap.

Met betrekking tot de bemonstering van de gladde zijde van de tiewrap rapporteert het NFI dat in deze bemonstering te weinig informatie aanwezig is om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de aan- of afwezigheid van celmateriaal van de verdachte in deze bemonstering. Ook P. Griffith van het FSS stelt(6) dat deze bemonstering niet geschikt is voor een betekenisvolle vergelijking.

AHH371#1, de bemonstering van de plastic tas om het hoofd van het slachtoffer.

Blijkens het reeds genoemde rapport van het NFI is de tas onderzocht op bloed. Het onderwerpelijke spoor is – anders dan de officier in haar requisitoir heeft gesteld – afkomstig van de handvatten van de tas. Het spoor heeft géén voor vergelijkend autosomaal DNA onderzoek geschikt profiel opgeleverd.

Samenvattend komt de rechtbank tot het oordeel dat het autosomale DNA onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit.

Y-chromosomaal DNA onderzoek op deze sporen.

Op verzoek van de officier van justitie is door Prof. dr. P. De Knijff van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek in Leiden (hierna FLDO) getracht in het sporenmateriaal een Y- chromosomaal DNA profiel vast te stellen(7).

In het spoor AHH352#2 (bemonstering nagels) werd een DNA profiel bestaande uit 16 polymorfe Y-chromosoom DNA kenmerken aangetroffen dat volledig overeenkomt met het Y-chromosomale DNA profiel van de verdachte. Het Y-chromosomale DNA profiel van de verdachte past ook binnen de aangetroffen gemengde Y-chromosomale DNA kenmerken van de sporen AHH371#1 (bemonstering badjas) en AHH372#2 (bemonstering tas). Hieruit volgt dat de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van deze sporen. Dit geldt echter ook in ieder geval voor alle in mannelijk lijn aan hem verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen.

Met betrekking tot de interpretatie van het resultaat uit Y-chromosomale DNA profielen heeft De Knijff naar voren gebracht dat Y-chromosomale kenmerken onveranderd van vader op zoon worden doorgegeven. Hierdoor hebben mannen die in directe mannelijke lijn aan elkaar verwant zijn, hetzelfde Y-chromosomale DNA profiel. Tevens bestaat de kans dat een niet in de mannelijke lijn van verdachte verwante man per toeval hetzelfde Y-chromosomale DNA profiel heeft als de verdachte.

De frequentie van het Y-chromosomale DNA profiel van verdachte schat De Knijff in op circa 2% (ofwel 1 op 50) van de mannelijke bevolking in Nederland.(8)

Eveneens heeft J. Noor, forensisch wetenschapper van het al genoemde FSS de biologische sporen aan een Y-chromosomaal onderzoek onderworpen(9). Zij concludeert dat het Y-chromosomale DNA profiel van spoor AHH352#2 overeenstemt met het Y-chromosomaal profiel van verdachte. Op grond hiervan zijn er twee mogelijkheden:

a. de belangrijkste component is afkomstig van de verdachte of van een mannelijk familielid;

b. de belangrijkste component is niet afkomstig van verdachte of van een mannelijk familielid maar van een ander met hetzelfde Y-chromosomaal DNA profiel als verdachte.

Teneinde te onderzoeken hoe groot de kans is dat een ander dat verdachte (of een mannelijk familielid) donor van spoor is, heeft zij onderzocht hoe algemeen het Y-chromosomale profiel verkregen uit spoor AHH352#2 in de Nederlandse bevolking is. In een databestand van 381 Nederlandse monsters zijn 19 overeenkomsten met dit Y-chromosomale profiel verkregen. Op basis hiervan schat zij dat de frequentie van dit profiel in de Nederlandse bevolking 1 op 18 is.

De rechtbank komt op grond van het vorengaande tot het oordeel dat de het Y-chromosomaal onderzoek van de biologische sporen weliswaar een overeenkomst met het profiel van de verdachte heeft opgeleverd, maar dat dit geenszins exclusief de verdachte als donor van dit sporenmateriaal aanwijst. Een Y-chromosomaal DNA profiel is niet uniek voor één persoon alleen al omdat alle aan elkaar verwante mannelijke familieleden eenzelfde Y-chromosomaal profiel hebben. Daarbij kunnen ook niet verwante mannelijke personen een gelijk Y-chromosomaal profiel hebben. Deze kans is – anders dan bij een volledige autosomale DNA match - niet verwaarloosbaar klein zoals blijkt uit de (summiere) vergelijkend onderzoeken van de deskundigen.

Ook het NFI (10) heeft aangegeven dat als Y-chromosomaal DNA onderzoek resulteert in gelijke DNA profielen van een spoor van een persoon, dit gegeven slechts bruikbaar is als aanvullend bewijs, maar nooit als sterke aanwijzing.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de resultaten van het Y-chromosomale DNA onderzoek geen positief bewijs leveren voor de stelling dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

AHH360#1, ACE899#1 en ARA458#1, de aangetroffen haren.

Op en rond het lichaam van verdachte werden haren aangetroffen. Deze zijn morfologisch onderzocht (11). Geconcludeerd is, dat zeven haren mogelijk afkomstig zijn van verdachte. Autosomaal DNA-onderzoek bleek wegens onvoldoende materiaal niet te kunnen worden uitgevoerd. Wel werd door het FLDO mitochondriaal DNA onderzoek verricht (12). Dit leidde tot de conclusie dat vier van de zeven haren niet passen in het mtDNA profiel van verdachte. Slechts van drie haren is het mtDNA profiel conform dat van verdachte. Het betreft hier de evengenoemde drie sporen. De conclusie van het FLDO, welke is bevestigd door het FSS (13), is dat de sporen afkomstig kunnen zijn van verdachte maar ook van alle in vrouwelijke lijn aan hem verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen. Het FSS heeft daarbij nog aangegeven, dat het aangetroffen profiel in AHH360#1 niet is aangetroffen in de gegevens set van het FSS. Op vragen van de rechtbank aan De Knijff, geeft ook deze deskundige aan dat het hier een weinig algemeen profiel betreft (14).

Door de verdediging is aangevoerd, dat – zo het al om haren van verdachte zou gaan – het mogelijk is dat deze haren bij een andere gelegenheid zijn achtergelaten. Dat met die mogelijkheid rekening gehouden moet worden volgt al uit het feit, dat ook haren van haar zus op de buik van het slachtoffer zijn aangetroffen en ook dierenharen. Het illustreert hoe behoedzaam met de aanwezigheid van dergelijke sporen moet worden omgegaan.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat slechts met terughoudendheid conclusies aan deze sporen kunnen worden verbonden. De conclusie van de officier van justitie dat de aanwezigheid van haren van de verdachte op en in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer hem aanwijst als dader gaat er allereerst aan voorbij dat niet vast is komen te staan dat het om haren van verdachte gaat. Immers de mogelijkheid dat de haren afkomstig zijn van één van zijn familieleden in de vrouwelijke lijn of van een onbekende andere met het zelfde profiel kan niet zonder meer als onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Zelfs als vast zou staan dat de haren van de verdachte zijn – quod non – is het niet uigesloten dat deze haren in de woning gevonden zijn omdat verdachte als gast van de familie in de woning aanwezig is geweest. Uit het dossier blijkt dat de verdachte bij de ouders van het slachtoffer op bezoek kwam.

Schoensporen

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de schoensporen het volgende uit het dossier blijkt. De heer [K], deskundige van de technische recherche gespecialiseerd in schoen- en bandsporen, heeft onderzoek gedaan naar de op de plaats van het misdrijf veiliggestelde schoensporen(15). De schoensporen veilig gesteld aan weerszijden van het slachtoffer vertonen hetzelfde profiel als zolen van de muilen en slippers in de maat 46 van het merk Damage te koop bij Bristol. De fabrikant van het schoeisel met deze zolen heeft bevestigd dat deze muilen en slippers uitsluitend geleverd zijn aan Bristol. Uit de gegevens van pintransacties bij Bristol te [P] blijkt dat de vriendin van verdachte op 9 juni 2006 een paar slippers van het merk Damage, maat 46 heeft gekocht(16). De vriendin van verdachte heeft bevestigd dat zij zwarte slippers voor verdachte heeft gekocht bij Bristol, zij dacht in maat 45 .

In het proces verbaal van vergelijkend onderzoek(17) naar foto’s van verdachte met de slippers concludeert de deskundige, samen met een collega, dat zeer aannemelijk is dat twee slippers die in elkaar gestoken onder de stoel liggen waarop verdachte staat afgebeeld gelijksoortig zijn aan de teenslippers van het merk Damage. Verdachte geconfronteerd met een afbeelding van soortgelijke slippers, op de vraag of hij deze herkende, gezegd dat hij geen slippers heeft. Later heeft verdachte geconfronteerd met een foto waar hij met de slippers op staat, verklaard dat de eerdere verklaring “eruit floepte”.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schoensporen dadersporen zijn. Uit het verhoor van de deskundige bij de rechter-commissaris blijkt dat hij niet vast heeft kunnen stellen of de aangetroffen schoensporen een afdruk van een rechter- of een linker schoen betreffen (verhoor onder 13). Voorts verklaart de deskundige dat in dit geval geen sprake is van een afdruk met bloed (onder 12 en19). Deze bevindingen van de deskundige maken dat naar oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten is dat de sporen geen dadersporen zijn. Immers, indien de twee sporen naast het lichaam van het slachtoffer van twee linker of twee rechter schoenen zouden zijn, zijn de sporen niet meer in direct verband te brengen met het levenloze lichaam van het slachtoffer. Voorts is door de deskundige niet vastgesteld dat er een spoor met muilen of slippers van het merk Damage in bloed is veiliggesteld, waardoor niet is uit te sluiten dat de sporen die wel zijn aangetroffen dateren van voordat het slachtoffer om het leven werd gebracht.

Voorts overweegt de rechtbank dat, zelfs indien er van uit wordt gegaan dat de schoensporen wel als daderspoor kunnen worden gekwalificeerd, deze sporen verdachte nog niet aanwijzen als dader. De deskundige verklaart in het genoemde verhoor (onder 5) dat specifieke beschadigingen een afdruk van een schoen uniek maken. Deze specifieke kenmerken heeft de deskundige niet kunnen vaststellen omdat de folies met de schoensporen matig en zwak waren. Daarbij komt dat bij verdachte geen slippers zijn aangetroffen zodat geen vergelijking van de afdruk met eventuele specifieke beschadigingen op de zolen van deze slippers mogelijk was.

Uit de door Bristol ter beschikking gestelde gegevens blijkt dat alleen al in Nederland in de maten 40 tot en met 46 respectievelijk 3.152 en 2.698 exemplaren slippers en muilen van het merk Damage zijn verkocht. Ten slotte kan niet onopgemerkt blijven dat ondanks het feit dat de fabrikant heeft bevestigd dat de muilen en slippers van het merk Damage uitsluitend aan Bristol zijn geleverd, niet valt uit te sluiten dat dit profiel in de zolen van schoeisel van andere fabrikanten voorkomt.(18)

De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de mogelijkheid dat de schoensporen zijn achtergelaten door ander schoeisel zodanig reëel is dat de schoensporen niet eenduidig kunnen worden herleid tot de verdachte.

Interpretatie van de sporen.

Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie, dat als er al bewijswaarde aan een spoor kan worden toegekend, er geen spoor is waarvan vaststaat dat verdachte het ter gelegenheid van het delict heeft veroorzaakt. Daar waar de officier opmerkt, dat al deze sporen in verband kunnen worden gebracht met verdachte, gaat dat verband feitelijk niet verder dan dat verdachte niet kan worden uitgesloten als donor.

Deze resultaten kunnen dan ook hooguit als ondersteunend bewijs worden gebruikt, voor redengevend bewijs van betrokkenheid van verdachte, welk redengevend bewijs in deze echter ontbreekt.

Hoewel verbalisanten tijdens hun verhoor aan verdachte voorhouden: “het is jouw DNA, dat staat voor de volle 100% vast” blijkt uit voorgaande dat dit een onjuiste weergave, in elk geval een onjuiste interpretatie van de onderzoeksresultaten is geweest.

Behalve bovengenoemde sporen zijn er geen aan verdachte te relateren sporen aangetroffen, niet op de zolderkamer of elders in het huis en ook niet op de tiewrap en het mes. Het betoog van de officier van justitie dat al deze sporen in onderlinge samenhang bezien de conclusie dat verdachte de dader, is kunnen dragen volgt de rechtbank niet, omdat het uitgangspunt daarbij is dat alle andere potentiële verdachten zijn uitgesloten. De rechtbank komt daar hieronder op terug

Het feit, dat sporen met zowel een Y-chromosomaal DNA profiel als een mitchondriaal DNA profiel, overeenkomend met dat van verdachte in de zolderkamer is aangetroffen kan niet leiden tot een andere conclusie dan de deskundigen hebben gerapporteerd. De resultaten van het Y-chromosomale DNA-onderzoek en het mitochondriale DNA onderzoek kan alleen dan in samenhang met elkaar worden geïnterpreteerd als de profielen uit hetzelfde spoor zouden zijn afgeleid. In dit geval zijn de profielen afkomstig uit verschillende sporen. Het samenbrengen van deze resultaten zou dan van de niet betrouwbare vooronderstelling uitgaan dat de sporen afkomstig zijn van één persoon.

Uitsluiting van andere personen dan verdachte.

De officier van justitie hecht bewijswaarde aan het feit, dat alle andere in het onderzoek betrokken personen kunnen worden uigesloten als donor van de biologische sporen. De vooronderstelling welke hieraan ten grondslag ligt, is dat alle potentiële daders in het onderzoek zijn betrokken omdat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest. Deze conclusie is gebaseerd op de aanname dat het slachtoffer de dader zelf heeft binnengelaten omdat er geen sporen van braak of inklimming zijn gevonden.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit het enkele gegeven dat er geen sporen van braak of inklimming zijn gevonden, kan niet zonder meer worden afgeleid dat het slachtoffer een voor haar bekende dader de woning heeft binnengelaten. Niet valt uit te sluiten, dat de dader die avond van 11 juli 2006 de woning op een andere wijze– met welk doel dan ook – binnengekomen is. Bijvoorbeeld omdat de keukendeur niet was afgesloten. De aangetroffen situatie van de keukendeur, enkel van binnenuit afgesloten met twee draaigrendels en niet met een aanwezig nachtslot, laat de mogelijkheid open dat de dader de woning via de keukendeur is binnengekomen en deze daarna met de draaigrendels heeft afgesloten alvorens de woning via de voordeur te verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de uitsluiting van andere potentiële daders in de gegeven situatie niet met zich brengt dat dit als bewijs dient voor het oordeel dat de verdachte dan de dader zou moeten zijn.

Alibi.

De rechtbank deelt ook niet het standpunt van politie en openbaar ministerie dat verdachte zichzelf een alibi heeft verstrekt dat niet bleek te kloppen. Verdachte heeft op 2 augustus 2006 bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige op de vraag waar hij op dinsdagavond 11 juli 2006 was, geantwoord dat hij die avond bij zijn vriendin was (p 633). Zijn vriendin heeft dat (desgevraagd en overigens pas meer dan drie maanden later) ook bevestigd (p 635). Niet kan worden gezegd, dat verdachte niet naar waarheid heeft geantwoord nu aan verdachte destijds kennelijk niet is gevraagd waar hij de nacht van 11 op 12 juli 2006 heeft doorgebracht. Daarbij is van belang dat de verdachte bij het verhoor van 2 augustus 2006 mogelijk niet op de hoogte was van het vermoedelijke tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Na zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat hij aan het einde van die avond is weggegaan, waarmede hij zichzelf een alibi voor het tijdstip van het delict ontnam. De rechtbank kan de verklaring in deze context dan ook niet als een kennelijk leugenachtige verklaring beschouwen die is gedaan om de waarheid te verdoezelen.

Daderkennis

De officier van justitie heeft In haar requisitoir geconcludeerd dat de verdachte over kennis beschikte die alleen de dader op dat moment kon hebben. Zo zou hij al voor dat het bekend kon zijn geweest, hebben gezegd dat het slachtoffer was vermoord. In dit verband heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van de moeder, de zuster, de ex-echtgenote en een vriendin van verdachte. Deze getuigen hebben ook verklaringen afgelegd tegenover de rechter-commissaris, waarin hun eerdere verklaringen worden gerelativeerd. De vraag of verdachte over daderkennis beschikte kan daarmee niet zonder meer bevestigend worden beantwoord.

Conclusie.

Overige omstandigheden, welke de officier heeft aangevoerd, roepen wellicht vragen op maar dragen in het licht van het voorgaande niet bij aan het bewijs dat verdachte de dader zou zijn.

Al het voorgaande nog eens overziende kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat er géén bewijsmiddelen zijn welke de verdachte als dader aanwijzen. Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het telastegelegde feit heeft begaan. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

5. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De vader van het slachtoffer, [benadeelde partij] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 19.467,15 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastgelegde.

5.1 De vordering van de officier van justitie strekt tot toewijzing van de vordering in zijn geheel.

Voorts heeft de officier gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

5.2 De verdediging heeft aangevoerd, dat in het licht van het pleidooi tot vrijspraak van verdachte de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.3 De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

6. De beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

in verzekering gesteld op: 21 december 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 27 december 2006,

Heft op het beval tot voorlopige hechtenis en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Verklaart niet-ontvankelijk de vordering van de benadeelde partij;

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Soffers en Jacobs, rechters,

in tegenwoordigheid van van Bezooijen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2008.

(1) Promis vonnis

(2) Rapport van 22 december 2006, TR 34. dossier p 1254

(3) Rapport van 28 september 2006, TR 30-1, dossier p 1224 en volgende.

(4) Rapport van 22 december 2006, TR 34, dossier p 1254.

(5) Rapport van 5 september 2007, FSS referentie 300621474/400867250.

(6) Zie vorige noot

(7) Rapport FLDO N06-117 dd 20 oktober 2006

(8) Brief prof. dr. P. De Knijff aan de rechtbank dd 9 juni 2008

(9) Rapport FFS 300621474,400846148 dd 2 november 2007

(10) NFI, De essenties van forensisch DNA onderzoek d.d. 1 juni 2006 (hoofdstuk 5, Het DNA profiel, p.16)

(12) Rapport van 19 april 2007, TR 41,

(13) Rapport van 22 februari 2008.

(14) Eerder genoemde brief van 9 juni 2008

(15) rapport d.d. 24 mei 2007 (TR 39), verhoor bij de rechter commissaris op 18 februari 2008

(16) Proces-verbaal van 15 december 2006, B-16, dossier p 291.

(17) Proces-verbaal van 24 januari 2007, TR-14

(18) Proces-verbaal van 17 augustus 2006, TR-6, dossier p 1091