Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7022

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
09/758415-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 2 november 2007 opzettelijk en met voorbedachten rade op uiterst gewelddadige wijze zijn ex-schoonouders om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan een dubbele moord. Aanleiding voor deze gruwelijke gebeurtenissen is dat verdachte de problemen die hij rond de afwikkeling van zijn echtscheiding ondervond niet kon verkroppen en dat hij met name zijn ex-schoonvader zag als de kwade genius achter deze problemen. De rechtbank zal, gelet op de uitzonderlijke ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven en de strafmaat die op grond van de jurisprudentie voor dergelijke misdrijven gebruikelijk is, verdachte tot een langere gevangenisstraf veroordelen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de in [...] rapporten vermelde psychische en sociale problematiek van verdachte - het belang van de veiligheid van anderen en van de algemene veiligheid van personen en goederen vordert dat verdachte terbeschikking zal worden gesteld. Blijkens bedoelde rapporten is er sprake van een gevaar voor recidive alsmede van vermijding en verdringing bij verdachte aangezien hij zichzelf nog steeds als slachtoffer beschouwt, zodat niet met enkel terbeschikkingstelling kan worden volstaan, maar dwangverpleging is aangewezen. De rechtbank zal derhalve naast een gevangenisstraf de maatregel van TBS gelasten met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Gevangenisstraf van 18 jaar en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/758415-07

Datum uitspraak: 14 juli 2008

Promis

VONNIS

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is - na regiezittingen op 12 februari 2008 en 7 april 2008 - gehouden ter terechtzitting van 30 juni 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.M. Robert alsmede van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. I.J.L. Daemen, advocaat te ’s-Gravenzande, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 november 2007 te [P], gemeente [G]],

opzettelijk en met voorbedachten rade zijn ex-schoonouders genaamd [X] en/of [Y] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- een of meer vuurwapen(s) en/of een of meer munitiedo(o)z(s)en in zijn

(jas)zak(ken) gestopt en/of

- de fiets gepakt en is op weggegaan naar de woning van zijn ex-schoonouders

gelegen aan [adres] en/of

- onderweg een of meer (vuurwapen)houder(s) gevuld met munitie (opgetopt)

en/of deze gevulde houder(s) in eerdergenoemde vuurwapen(s) gestopt en/of

- in de woning gelegen aan het [adres] deze vuurwapen(s) doorgeladen en/of

gericht op die [X] en/of die [Y] en/of

- vervolgens meermalen, althans eenmaal de trekker van die vuurwapen(s)

overgehaald, waarna een of meer kogels op die [X] en/of [Y] zijn afgevuurd en/of welke kogel(s) het/de licha(a)m(en) van die [X] en/of [Y] heeft/hebben geraakt, althans is/zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [X] en/of [Y] zijn overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-schoonouders, al dan niet met voorbedachten rade, heeft doodgeschoten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank dubbele moord wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. De officier van justitie baseert zich daarbij op de deskundigenverslagen, de letsels bij de slachtoffers, de verklaringen van de getuigen en de eigen verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 7 tot en met 18 - dat verdachte van dubbele moord dient te worden vrijgesproken aangezien verdachte niet naar zijn ex-schoonouders is gegaan met de intentie hen dood te schieten, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij met voorbedachten rade heeft gehandeld.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1 Aanleiding onderzoek

Op 2 november 2007, omstreeks 14.25 uur, werden twee verbalisanten naar perceel [adres] te [P], gemeente [G], gestuurd alwaar mogelijk zou zijn geschoten. Ter plaatse troffen de verbalisanten in de achtertuin onder het raamkozijn een vrouwelijk slachtoffer aan. Nadat de verbalisanten de woning hadden betreden zagen zij in de hal een mannelijk slachtoffer op zijn buik op de grond liggen. Beide slachtoffers bleken te zijn overleden(1).

Verdachte heeft zich diezelfde dag, omstreeks 14.45 uur, gemeld bij het politiebureau te [woonplaats]. Hij had een bezweet gezicht en maakte een zeer nerveuze indruk. In een aparte kamer vertelde hij aan een politieambtenaar onder andere: “Je hoeft niet verder te zoeken, ik ben het” en “Ik heb iets ergs gedaan. Zo ben ik helemaal niet. Zij hebben mij tot het uiterste getergd. Ik mag mijn kinderen niet zien terwijl ik altijd goed voor ze ben geweest. Ik doe je niks. Wees niet bang.” Vervolgens levert hij twee vuurwapens en een hoeveelheid patronen en hulzen in. In het bijzijn van extra opgeroepen agenten verklaarde hij verder: “Die man van haar moeder. Ik wilde alleen met hun praten. Maar dat wilde zij niet. Toen ben ik opgestaan en heb ik geschoten.” Vervolgens is verdachte aangehouden(2).

3.3.2. Getuigen

De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die op 2 november 2007 werkzaam waren bij de woningen aan de [adres] te [P], hebben die dag alle drie tussen 14.15 uur en 14.30 uur vanuit de woning [adres] een 5 à 6-tal schoten gehoord. Toen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] aldaar gingen kijken zagen zij buiten bij het raam het vrouwelijke slachtoffer in een plas bloed op de grond liggen. Daarop heeft de getuige [getuige 1] de buurman van nr. [nummer] gehaald. Deze buurman keek door het raam en zei dat hij de mannelijke bewoner in de deuropening van de woonkamer zag liggen. Getuige [getuige 3] zag, nadat hij 5 knallen had gehoord en een vrouw onder het bloed in de achtertuin had zien liggen, aan de voorzijde van perceel [adres] een man met een fiets staan die een vuurwapen in zijn broeksband had(3).

3.3.3 Identiteit van de slachtoffers

Vast is komen te staan dat de personen die bij het schietincident op 2 november 2007 te [P] dodelijk zijn getroffen de ex-schoonouders van verdachte zijn, genaamd:

[X], geboren op [geboortedatum] 1938 te [geboorteplaats]

en

[Y], geboren op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats](4).

3.3.4 Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft zowel bij de politie en de rechter-commissaris als ter terechtzitting over de gebeurtenissen op 2 november 2007 een verklaring van dezelfde strekking en inhoud afgelegd, die samengevat op het volgende neerkomt.

Verdachte verklaart dat hij op donderdag, 1 november 2007, de avond heeft doorgebracht bij de schietvereniging waarvan hij al vijftien jaar lid is. Hij heeft daar geschoten met zijn eigen pistool, merk SIG, en zijn revolver, een Smith & Wesson. Aan het einde van de avond is hij met deze wapens en munitie in een wapentas naar zijn ouders gefietst. Daar heeft hij geslapen. De wapentas met inhoud heeft hij toen in zijn slaapkamer gezet.

Verdachte verklaart dat hij zich op 2 november 2007 in de ochtend niet zo lekker voelde. Rond het middaguur kwam zijn vader met de post waar een brief van de advocaat van zijn ex-vrouw bij zat. Zijn vader heeft toen de brief gelezen. Verdachte had in eerste instantie geen interesse in die brief en is, nadat hij kalmerende medicijnen had ingenomen, teruggegaan naar bed. Verdachte kon niet slapen en is de brief in zijn bed gaan lezen. Daarna heeft hij nog wat pillen ingenomen. Verdachte verklaart dat hij door de inhoud van die brief helemaal in paniek is geraakt en de weg kwijt was. Verdachtes woede richtte zich op zijn ex-schoonvader die hij verantwoordelijk hield voor alle ellende rond de echtscheiding. Verdachte zegt zich toen te hebben aangekleed, zijn wapentas te hebben opengemaakt, hieruit zijn pistool en zijn revolver te hebben gepakt en deze in de zakken van zijn (groene) jas te hebben gestopt. Hierbij koos hij bewust voor zijn legerjas, omdat hij de wapens alleen in de zakken van deze jas kwijt kon. Ook gooit hij twee dozen munitie leeg in zijn jaszak, van verschillend kaliber en geschikt voor de revolver en het pistool. Verdachte is vervolgens op de fiets gestapt en is als een bezetene naar [P] gefietst. Verdachte verklaart: “ik wilde met die mensen praten”, “Ik wilde hen zeggen dat het niet reëel was wat ze eisen en wat ze me al die tijd hebben aangedaan door de kinderen bij mij weg te houden”. Hij besluit daarom naar zijn ex-schoonouders te gaan. Fietsend met losse handen heeft verdachte de patroonhouder van zijn pistool gevuld en in zijn pistool gedaan. Eenmaal bij de woning van zijn ex-schoonouders heeft hij zijn fiets neergezet en nadat hij had aangebeld, is hij, naar zijn zeggen, door zijn ex-schoonmoeder binnengelaten. Beiden zijn in de woonkamer gaan zitten; zijn ex-schoonmoeder op de bank en verdachte op een stoel recht tegenover haar.

Zijn ex-schoonvader, die na enkele minuten thuis kwam en de woonkamer binnenkwam, zei tegen hem: “ik heb niks te melden, we zullen je wel krijgen, we maken je kapot". Hierop heeft verdachte gezegd: “nou dan weet ik genoeg”. Vervolgens is, zo zegt verdachte, bij hem het licht uitgegaan en heeft hij in paniek op zijn ex-schoonvader geschoten. Hij weet zich nog te herinneren, dat hij van zijn stoel is opgestaan en met zijn rechterhand zijn pistool uit zijn linker jaszak heeft gepakt, dit pistool heeft doorgeladen en toen daarmee vanuit zijn heup heeft geschoten. Voor het feit dat hij met mijn rechterhand het pistool uit zijn linker jaszak haalde, geeft verdachte als reden: “de revolver in mijn rechter jaszak was nog niet geladen” en “ik moest met mijn linkerhand eerst het drukknoopje van de linker jaszak openen, dit lukt mij niet met mijn rechterhand”. Verdachte verklaart herhaaldelijk: “ik heb in het wilde weg geschoten”. Verdachte verklaart verder dat hij in een flits zag dat er vanaf zijn linkerkant wat op hem af kwam, waarop hij zich heeft omgedraaid en in een reactie nog een paar keer de trekker heeft overgehaald. Later bleek dit zijn ex-schoonmoeder te zijn. Verdachte zag bloed in haar hals. Vervolgens heeft hij in paniek de woning verlaten. Verdachte verklaart hierover: “Ik ben hierbij over mijn ex-schoonvader heengestapt, via de voordeur naar buiten gestormd en heb mijn fiets gepakt. Ik ben als een gek richting [woonplaats] gefietst.”(5)

3.3.5 Forensisch technisch onderzoek

Uit ingestelde technische onderzoeken zijn aanwijzingen verkregen dat de verdachte tijdens het schietincident in ieder geval gebruik heeft gemaakt van een pistool met het kaliber 9 mm en dat er minimaal 8 keer is geschoten. In de woning van de slachtoffers zijn namelijk, naast 6 kogels, 8 patroonhulzen van het kaliber 9 mm aangetroffen.

Bij zijn aanhouding heeft verdachte een pistool met het kaliber 9 mm en een revolver met het kaliber .357 ingeleverd. Het pistool was voorzien van een patroonhouder geschikt voor het bergen van 8 patronen. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de patroonhouder van zijn pistool op de plaats delict heeft herladen.

Voorts is komen vast te staan dat er minimaal 1 keer door de ruit van de tuindeur is geschoten en dat de perforatie in het glas van deze tuindeur door een doorschot van een kogel is veroorzaakt. Gezien de hoogte van het doorschot in de ruit van de tuindeur (137 cm vanaf de vloer woonkamer) en de gemeten hoogte van een inschot (schotkanaal 1, op 142 cm vanaf de voetzoolrand(6) in het lichaam van het vrouwelijke slachtoffer is het aannemelijk dat het letsel in het gelaat en de hals het gevolg is van een schot door de ruit van de tuindeur. Het hoogteverschil van doorschot in de ruit en inschot in het vrouwelijk slachtoffer werd veroorzaakt door het hoogteverschil tussen de vloer van de woonkamer en de vloer van het terras(7).

3.3.6 Wapen- en munitieonderzoek

Op grond van het wapen- en munitieonderzoek is het navolgende komen vast te staan:

* dat het door de verdachte ingeleverde pistool een semi-automatisch pistool van het merk SIG betreft en is bestemd en geschikt voor het verschieten van patronen van het kaliber 9mm Parabellum;

* dat in de zich bij dit pistool bevindende patroonhouder maximaal 8 patronen passen;

* dat de door de verdachte ingeleverde revolver van het merk Smith & Wesson, bestemd en geschikt is voor het verschieten van patronen van het kaliber .357 Magnum;

* dat in de trommel van deze revolver 6 patronen passen;

* dat de 8 hulzen, aangetroffen in de woning, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met het door verdachte ingeleverde pistool zijn verschoten;

* dat van de 6 kogels niet kan worden bepaald of ze met het pistool zijn verschoten;

* dat van de vier aangeboden hulzen kaliber .357 Magnum, de Federal-huls met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is verschoten met de door verdachte ingeleverde revolver;

* dat de gedeformeerde kogel, die in het lichaam van mevrouw [Y] is aangetroffen, de massa en de uiterlijke kenmerken heeft van een mantelkogel van het kaliber .38 Special of .357 Magnum

* dat dit aangetroffen kogeldeel zeker niet is afgevuurd uit de loop van het ingeleverde pistool(8).

3.3.7 Obductieverslagen

Uit het obductieverslag ten aanzien van mevrouw [Y] komt naar voren dat de letsels aan het gelaat het gevolg waren van massale inwerking van uitwendig snijdend of perforerend mechanisch geweld. De bevindingen aan het gezicht zouden zeer goed door bijvoorbeeld een wolk van glasscherfjes kunnen zijn veroorzaakt.

Er is sprake geweest van circa 6 schotkanalen en schotkanaal 1 heeft letsel hoog aan de borst veroorzaakt waarbij aan het einde van het schotkanaal een gedeformeerde kogel is aangetroffen. In deze schotbaan, dat op zeker een inschot betrof, lagen onder andere de luchtpijp en de aorta welke waren verscheurd. In de borstholte was veel bloed en er waren tekenen van bloedinademing. Gezien het vele bloed in de borstholte en de bloeduitstorting rond de letsels waren deze bij leven op gelopen. Voorts heeft de arts-patholoog geconstateerd dat de milt was verscheurd en er (vrijwel) geen bloed in de buik aanwezig was, hetgeen aangeeft dat het letsel aan de borst eerder is opgetreden dan het letsel aan de milt en dat het verscheuren van de milt op een moment heeft plaatsgevonden dat vrijwel zeker is dat het intreden van de dood onafwendbaar was.

De conclusie van de arts-patholoog luidt dat het intreden van de dood bij mevrouw [Y], 68 jaren oud, het gevolg is van bloedverlies, bloedinademing en weefselschade ten gevolge van meervoudig schotletsel(9).

Uit het obductieverslag betreffende de heer [X] komt naar voren dat er sprake is geweest van tenminste 5 schotkanalen waarvan twee doorschoten door de borst. In de schotbanen van deze twee doorschoten door de borst lagen onder andere de longen en de aorta. Gezien de bloeduitstorting rond de schotkanalen en de grote hoeveelheid bloed in de borstholte was dit bij leven opgelopen.

De conclusie van de arts-patholoog luidt dat het intreden van de dood bij de heer [X], 69 jaren oud, het gevolg is van bloedverlies, longfunctiestoornis en weefselschade ten gevolge van meervoudig schotletsel(10).

3.3.8 Opzet op de dood van beide slachtoffers

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte op het moment van vertrek uit de ouderlijke woning niet van plan was om zijn ex-schoonouders om het leven te brengen, maar dat hij naar hun woning ging om met hen te praten en dat hij twee vuurwapens en munitie had meegenomen, omdat hij bang was dat zijn ex-schoonvader boos zou worden zodat verdachte hem eventueel kon afschrikken. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte in blinde paniek verkeerde nadat zijn ex-schoonvader had gezegd: “ik wil niet praten, we maken je kapot” en dat hij zijn ex-schoonouders derhalve niet bewust opzettelijk heeft dood geschoten. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat hooguit voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard.

Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de vuurwapens in paniek had meegenomen, omdat zijn ex-schoonvader al een keer eerder witheet op hem was geworden en dat hij in paniek niet gericht, maar vanuit zijn heup heeft geschoten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt als volgt.

De verklaring van verdachte dat hij de twee vuurwapens en de munitie in paniek had meegenomen uit angst dat zijn ex-schoonvader boos op hem zou worden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat een 41 jarige man als verdachte, gelet op zijn lengte en postuur, een man van 69 jaar oud niet van zich af zou kunnen houden. Verder hebben twee getuigen, die verdachte kennen van de schietvereniging, verklaard dat verdachte altijd erg precies was als het ging om de naleving van de veiligheidsmaatregelen van zijn wapens(11).

Uit het hiervoor aangehaalde forensisch technisch onderzoek in samenhang met het wapen- en munitie onderzoek kan worden geconcludeerd dat verdachte met zijn pistool 8 patronen heeft verschoten en daarmee de patroonhouder geheel heeft leeg geschoten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, dat verdachte ter plaatse de patroonhouder van dit pistool heeft herladen. Verdachte moet met zijn revolver minimaal 1 patroon hebben verschoten aangezien in het lichaam van mevrouw [Y] een gedeformeerde kogel is aangetroffen, die niet is afgevuurd met het pistool.

Uit de obductieverslagen blijkt dat verdachte minimaal 5 keer op de heer [X] en minimaal 5 a 6 keer op mevrouw [Y] moet hebben geschoten en dat hij dus in totaal minstens 10 a 11 keer de trekker(s) van zijn vuurwapen(s) moet hebben overgehaald met voornoemd dodelijk letsel bij beide slachtoffers tot gevolg.

Bovenstaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, mede gelet op de geconstateerde inschot verwondingen, duiden er niet op dat verdachte in paniek, ongericht, vanuit zijn heup zou hebben geschoten. Integendeel, verdachte heeft van dichtbij op mevrouw [Y] geschoten. Uit het schotrestenonderzoek is immers naar voren gekomen dat de afstand tussen verdachte en mevrouw [Y] ten tijde van het schieten slechts tussen de 25 en 150 cm ligt(12) en blijkens een DNA-vergelijkend onderzoek is er ook bloed van mevrouw [Y] op verdachte terechtgekomen(13). Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank uit voormelde bewijsmiddelen de conclusie worden getrokken dat verdachte met zijn revolver in ieder geval de kogel type .357 Magnum vanuit de woning door de ruit van de tuindeur heeft afgevuurd. Mevrouw [Y] moet op dat moment buiten achter de ruit van de tuindeur hebben gestaan, aangezien deze kogel haar via de ruit boven aan de borst heeft geraakt. Dit inschot is, aldus het obductieverslag, dodelijk geweest, nu als gevolg van dit inschot (schotkanaal 1) de luchtpijp en aorta van mevrouw [Y] zijn verscheurd. Hieruit volgt dat verdachte vanuit de woning gericht op mevrouw [Y], die buiten stond, moet hebben geschoten.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn ex-schoonouders opzettelijk heeft doodgeschoten.

3.3.9 Voorbedachten rade

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat - kort samengevat - er bij verdachte geen sprake is geweest van kalm overleg en bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering van zijn handelen, maar van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605) is het voor een bewezenverklaring van handelen met voorbedachten rade voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het reeds genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te gegeven. Niet verlangd wordt dat (uit de bewijsmiddelen blijkt dat) de verdachte zich daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 november 2007 naar aanleiding van de inhoud van een brief van de advocaat van zijn ex-vrouw over de (financiële kant van de) echtscheiding in paniek naar zijn ex-schoonouders in [P] is gegaan om over die brief te praten. Dat en in hoeverre deze brief bij verdachte een emotionele reactie, zoals hij herhaaldelijk heeft verklaard, teweeg heeft kunnen brengen, zal de rechtbank in het midden laten. Immers, wat daarvan ook zij, de inhoud van de brief verklaart in ieder geval niet waarom verdachte ervoor heeft gekozen om twee wapens en munitie naar zijn ex-schoonouders mee te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte deze keuze bewust gemaakt. Dit leidt zij onder meer af uit hetgeen hij bij de politie heeft verklaard, te weten dat hij zijn ex-vrouw ook wilde vermoorden, maar dat er één ding was wat hem tegenhield namelijk, dat wanneer hij zijn ex-vrouw zou dood schieten, zijn kinderen aan hun lot zouden zijn overgelaten aangezien hij dan vast zou zitten. Verdachte heeft gezegd dat dit het enige was wat hem tegenhield om zijn ex-vrouw te vermoorden(14).

Uit de verklaringen van verdachte komt naar voren dat hij, nadat hij bedoelde brief had bekeken, achtereenvolgens zijn wapentas heeft opengemaakt, hieruit zijn pistool en revolver heeft gepakt en deze in zijn jaszakken heeft gestopt tezamen met een hoeveelheid munitie.

Vervolgens is verdachte op zijn fiets gestapt en naar [P] gereden, terwijl hij onderweg op de fiets de patroonhouder van zijn pistool heeft gevuld, de gevulde patroonhouder in zijn jaszak heeft gedaan, de patroonhouder weer uit zijn jaszak heeft gehaald en in zijn pistool heeft gedaan. Eenmaal in de woning van zijn ex-schoonouders is verdachte, nadat zijn ex-schoonvader tegen hem zou hebben gezegd: “we maken je kapot”, opgestaan uit zijn stoel en heeft hij eerst met zijn linkerhand het drukknoopje van zijn linker jaszak los gemaakt, waarna hij met zijn rechterhand het pistool uit zijn linker jaszak heeft gehaald, het pistool heeft doorgeladen en daarmee 8 kogels op zijn ex-schoonouders heeft afgevuurd. Vervolgens moet verdachte, in de woning van zijn ex-schoonouders, zijn revolver hebben geladen(15), waarna hij met deze revolver in ieder geval een kogel gericht door de ruit van de tuindeur waarachter zijn ex-schoonmoeder stond heeft geschoten, welke kogel haar boven in de borst heeft geraakt en dodelijk was.

Dit alles overziend, brengt de rechtbank tot het oordeel dat er verschillende momenten zijn geweest waarop verdachte telkens de tijd en gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Hiermee staat dan ook vast dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en luidt de conclusie dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een dubbele moord.

3.4 De bewezenverklaring

hij op 2 november 2007 te [P], gemeente [G], opzettelijk en met voorbedachten rade zijn ex-schoonouders genaamd [X] en [Y] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- vuurwapens en munitie in zijn jaszakken gestopt en

- de fiets gepakt en is op weggegaan naar de woning van zijn ex-schoonouders

gelegen aan het [adres] en

- onderweg een vuurwapenhouder gevuld met munitie (opgetopt) en deze gevulde houder in één van die eerdergenoemde vuurwapens gestopt en

- in de woning gelegen aan het [adres] dit vuurwapen (door)geladen en

gericht op die [X] en die [Y] en

- vervolgens meermalen de trekker van die vuurwapens overgehaald, waarna kogels op die [X] en [Y] zijn afgevuurd en welke kogels de lichamen van die [X] en [Y] hebben geraakt en zijn binnengedrongen tengevolge waarvan voornoemde [X] en [Y] zijn overleden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op:

* het Pro Justitia rapport, psychiatrisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, uitgebracht d.d. 18 juni 2008;

* het Pro Justitia rapport, psychologisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door prof.dr. J.J. Baneke, klinisch & forensisch psycholoog, uitgebracht d.d. 17 juni 200816.

In het rapport van dr. L.H.W.M. Kaiser wordt geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het begaan van de hem ten laste gelegde feiten sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met obsessieve, vermijdende en afhankelijke trekken) en een ziekelijke stoornis (in de vorm van een depressieve stoornis en een aanpassingsstoornis met vooral emotionele problemen in relatie tot scheiding en werk), dat de feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Prof.dr. J.J. Baneke komt in zijn rapport tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, ontwijkende en obsessieve trekken) en een ziekelijke stoornis (in de vorm van een dysthyme stoornis en diverse aanpassingsstoornissen met emotionele en gedragsmatige stoornissen), dat de feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De (voormalige) psychiater van verdachte, genaamd K.H. Kho, en prof.dr. J.J. Baneke zijn ter terechtzitting als getuige-deskundigen gehoord.

Psychiater K.H. Kho heeft ter terechtzitting onder andere verklaard dat hij verdachte twee à drie jaar wegens ernstig depressieve klachten in behandeling heeft gehad in het [instelling] te [Q] en dat verdachte behalve medicijnen ook elektroshock therapie (hierna: ECT) heeft gekregen. De laatste keer dat verdachte ECT heeft ondergaan was een paar maanden voor het ten laste gelegde. Desgevraagd heeft psychiater K.H. Kho verklaard dat ECT effect kan hebben op het korte termijn geheugen, maar dat deze problemen na het stoppen van ECT langzaam verdwijnen en dat het geheugen na twee maanden weer op gang moet zijn gekomen. Naar het oordeel van psychiater K.H. Kho heeft een depressie wel invloed op het concentratievermogen, maar niet op het geheugen. Over de kalmerende medicatie die verdachte kreeg voorgeschreven, heeft psychiater K.H. Kho verklaard dat hij in zijn praktijk nooit heeft meegemaakt dat patiënten daarvan agressief werden. Uit de medische literatuur is hem wel het verschijnsel van een paradoxale reactie bekend, wat betekent dat een gebruiker van kalmerende middelen daarvan juist agressief wordt. Deze agressie richt zich daarbij evenwel op de persoon zelf en niet zozeer op anderen. Ten slotte heeft psychiater K.H. Kho verklaard dat de behandeling van verdachte zich in de afbouwfase bevond, omdat het beter met hem ging.

Prof.dr. J.J. Baneke heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat een dysthyme stoornis, een langdurige depressie betreft die af en toe oplaait naar een echte depressie. Volgens prof.dr. J.J. Baneke was er bij verdachte ten tijde van het begaan van de hem ten laste gelegde feiten sprake van een echte depressie en eerst daarna, ten tijde van het psychologisch onderzoek, van dysthymie. Voorts heeft prof.dr. J.J. Baneke verklaard dat hij niet kan reconstrueren op welke momenten verdachte bewust handelde en wanneer niet. Volgens hem zijn er in ieder geval geen aanwijzingen dat verdachte in een ernstige dissociatieve toestand of psychose verkeerde, in welk geval men niet weet wat men doet. Naar het oordeel van prof.dr. J.J. Baneke kan er bij verdachte weliswaar sprake zijn geweest van fluctuaties in zijn bewustzijnsniveau, maar is de verklaring van verdachte dat hij zich bepaalde handelingen niet meer kan herinneren op sommige momenten minder waarschijnlijk. Hierbij noemt Baneke de fietstocht van verdachte naar zijn ex-schoonouders, waarbij hij een behoorlijke afstand heeft moeten afleggen en zich in die tijd had kunnen bezinnen. Prof.dr. J.J. Baneke is ter terechtzitting bij zijn conclusie gebleven dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd

De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusie van prof.dr. J.J. Baneke over en maakt deze tot de hare.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

6. De strafmotivering en de motivering van de op te leggen maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding (impliciet primair) ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat daarnaast aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging zal worden opgelegd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat nu in de rapporten van de gedragsdeskundigen onvoldoende duidelijk wordt gemaakt waarom een TBS met dwangverpleging noodzakelijk zou zijn, dit een te zwaar middel is. Verdachte is van mening dat een TBS met voorwaarden tot de mogelijkheden behoort aangezien hij gemotiveerd is een behandeling voor zijn psychische problemen te ondergaan.

Verder heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte richting zijn ex-echtgenote, haar familie en zijn kinderen spijt heeft betuigd. Daartoe heeft de raadsvrouw verwezen naar een kopie van de brief van verdachte d.d. 13 april 2008, die zij als bijlage aan haar pleitnota heeft gehecht. Ook heeft de raadsvrouw gewezen op een aantal onjuistheden of onvolkomenheden in het proces-verbaal.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 2 november 2007 opzettelijk en met voorbedachten rade op uiterst gewelddadige wijze zijn ex-schoonouders om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan een dubbele moord. Aanleiding voor deze gruwelijke gebeurtenissen is dat verdachte de problemen die hij rond de afwikkeling van zijn echtscheiding ondervond niet kon verkroppen en dat hij met name zijn ex-schoonvader zag als de kwade genius achter deze problemen.

Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Verdachte heeft aan twee mensen hun kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. Daardoor heeft verdachte aan de nabestaanden, in het bijzonder aan de kinderen en kleinkinderen van de slachtoffers onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. Tevens moeten de twee dochters van verdachte leven met de wetenschap dat hun opa en oma door hun vader zijn vermoord. Daarnaast hebben deze moorden grote onrust en gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht, niet alleen in [P] - alwaar bijvoorbeeld een buurman van de slachtoffers en drie andere getuigen geconfronteerd werden met de zeer schokkende beelden van de twee slachtoffers die zij dood in een plas bloed aantroffen - maar in de gehele samenleving.

Op feiten als de onderhavige kan, ter effening van de schok die aan de rechtsorde en in het bijzonder aan de nabestaanden is toegebracht, niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de door de gedragsdeskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte - blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 januari 2008 - niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt echter geen rekening met de brief die verdachte aan de nabestaanden heeft gestuurd. Verdachte heeft in deze brief weliswaar spijt betuigd, maar tevens heeft hij benadrukt dat hij niet zomaar tot de door hem gepleegde moorden is gekomen. Ook ter terechtzitting heeft de rechtbank niet de overtuigende indruk van verdachte gekregen dat hij oprecht spijt heeft van zijn daden.

De rechtbank zal, gelet op de uitzonderlijke ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven en de strafmaat die op grond van de jurisprudentie voor dergelijke misdrijven gebruikelijk is, verdachte tot een langere gevangenisstraf veroordelen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Door en namens verdachte is, indien de rechtbank tot oplegging van een TBS maatregel zou besluiten, verzocht een TBS met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht waaruit volgt dat wanneer een verdachte tevens tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, een TBS met voorwaarden slechts kan worden opgelegd indien de vrijheidsstraf ten hoogste drie jaar bedraagt, hetgeen gezien het vorenstaande niet aan de orde is.

Uit het rapport van psychiater dr. Kaiser voornoemd komt naar voren dat de kans op herhaling op langere termijn niet uitgesloten wordt beschouwd. De dynamiek in de persoonlijkheid van verdachte die een rol speelde bij de huidige delicten is nog aanwezig en hij kan weer in een vergelijkbare toestand raken als hij wederom met dergelijke problemen wordt geconfronteerd. Verdachte vraagt zich af: wie is nu eigenlijk de dader en wie het slachtoffer. Daaruit blijkt dat hij nog steeds vol woede is over de gang van zaken die hem volgens hem is aangedaan, terwijl hij nog niet toe is aan een delictanalyse vanuit zijn problematiek. Verdachte beschouwt zichzelf nu vooral als slachtoffer, aldus de psychiater.

Volgens dr. Kaiser is verdachte nu wel gemotiveerd voor behandeling, maar daarbij is een component van vermijding aanwezig. Verdachte kan zijn daderschap nog slecht onder ogen zien en weert bewustzijn van de gevolgen van de delicten af. De behandeling van verdachte is zeer complex vanwege zijn depressie die in het verleden therapieresistent was, de sociale problemen met zijn ex-vrouw en de kinderen, de verwerking van het trauma, existentiële vragen en de praktische gevolgen. Een probleem zal ook zijn dat verdachte onvoldoende openheid geeft zoals uit zijn verleden blijkt waardoor er moeilijk zicht op zijn beleven en handelen kan worden verkregen.

Gezien de niet uitgesloten kans op recidive en de relatie met zijn psychiatrische stoornis schat dr. Kaiser in dat er een langdurig beschermend kader nodig is in de vorm van een TBS maatregel met dwangverpleging.

Prof.dr. Baneke concludeert in zijn rapport dat zolang een behandeling nog niet het gewenste effect heeft gehad, de kans op recidive, gelet op de stoornissen en beperkingen van verdachte, aannemelijk moet worden geacht. Zowel de ernst van het tenlastegelegde, als de complexiteit van verdachtes totale psychische problematiek, met name de moeilijk te behandelen en te veranderen persoonlijkheidsstoornis vergen een intensieve en langdurige behandeling. Voorts zal de resocialisatie riskant zijn, omdat dan zal blijken in hoeverre de kinderen nog contact met verdachte willen en hoe de verhouding tussen verdachte en zijn ex-vrouw zal verlopen. Momenteel zit verdachte nog vol verwijten jegens haar en ziet hij zichzelf nog steeds als slachtoffer van haar en haar ouders voor zover het de verdeling van middelen en de omgang met de kinderen betreft, aldus voornoemde psycholoog. Prof.dr. Baneke ziet daarom geen andere mogelijkheid dan een TBS met dwangverpleging te adviseren en deze, vanuit het oogpunt van behandeling, zo spoedig mogelijk te starten.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de in voornoemde rapporten vermelde psychische en sociale problematiek van verdachte - het belang van de veiligheid van anderen en van de algemene veiligheid van personen en goederen vordert dat verdachte terbeschikking zal worden gesteld. Blijkens bedoelde rapporten is er sprake van een gevaar voor recidive alsmede van vermijding en verdringing bij verdachte aangezien hij zichzelf nog steeds als slachtoffer beschouwt, zodat niet met enkel terbeschikkingstelling kan worden volstaan, maar dwangverpleging is aangewezen. De rechtbank zal derhalve naast een gevangenisstraf van hierna te melden duur tevens - nu daarvoor aan de wettelijke voorwaarden bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid en artikel 37b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is voldaan - de maatregel van TBS gelasten met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij], namens de nabestaanden gedaan, te weten een bedrag van € 14.537,06.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.537,06 ten behoeve van de nabestaande(n) genaamd [benadeelde partij].

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting medegedeeld dat verdachte bereid is het door de benadeelde partij gevorderde bedrag te betalen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[benadeelde partij], heeft zich namens de nabestaanden als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 14.537,06.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door de verdachte niet betwist en is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen voor het volledige bedrag van € 14.537,06.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de nabestaande(n) naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en verdachte hiervoor zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.537,06 ten behoeve van de nabestaande(n) genaamd [benadeelde partij].

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich tegen de vordering van de officier van justitie niet verzet.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst (waarvan een kopie aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar. Met behulp van de onder 3 en 4 genummerde voorwerpen is het bewezenverklaarde begaan. Voor de onder 1 en 2 aan de verdachte toebehorende voorwerpen heeft te gelden dat deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, dat verdachte geen verlof had om deze te houden en dat deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding (impliciet primair) tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

moord, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaar;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 2 november 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 5 november 2007,

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 14.537,06;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.537,06, ten behoeve van de nabestaande(n) genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 102 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Verbeek, voorzitter,

Van der Poort-Schoenmakers en Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2008.

(1) ZD/ROOD/AH/01, 02 en 03.

(2) ZD/ROOD/AH/04 en 05.

(3) ZD/ROOD/G/01 t/m 06, 09 en 10.

(4) ZD/ROOD/AH/11.

(5) ZD/ROOD/V/97-123, verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 5 november 2007 en de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting op 30 juni 2008.

(6) Een deskundigenrapport afkomstig van het NFI d.d. 11 december 2007, opgemaakt en ondertekend op algemene eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige door F.R.W. van de Goot, arts-patholoog, pagina 3 en 7.

(7) ZD/ROOD/GD/17-20.

(8) ZD/ROOD/GD/138-145: betreft een deskundigenrapport (wapen en munitieonderzoek) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna; NFI) d.d. 6 maart 2008, opgemaakt en ondertekend op algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige door ing. R. Hermsen.

(9) Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna; NFI) d.d. 11 december 2007, opgemaakt en ondertekend op algemene eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige door F.R.W. van de Goot, arts-patholoog, pagina 8 en 9, alsmede een brief d.d. 9 april 2008 van F.R.W. van de Goot.

(10) Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna; NFI) d.d. 11 december 2007, opgemaakt en ondertekend op algemene eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige door F.R.W. van de Goot, arts-patholoog, pagina 8 en 9.

(11) Verklaring [....], ZD/ROOD/G/53 en [....], ZD/ROOD/G/72.

(12) Een deskundigenrapport afkomstig van het NFI d.d. 5 maart 2008, opgemaakt en ondertekend op algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige door ing. S.B.C.G. Chang.

(13) ZD/ROOD/GD/152-162: betreft een deskundigenrapport afkomstig van het NFI d.d. 26 maart 2008, opgemaakt en ondertekend op algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige door drs. H.N. Bauer. Uit dit rapport kan de conclusie worden getrokken dat het bloed dat is aangetroffen op de pols van verdachte, op zijn jas en op de veter van zijn rechtersportschoen zeer waarschijnlijk afkomstig zijn van mevrouw [Y].

(14) ZD/ROOD/AH/07 en 08.

(15) Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 juni 2008 desgevraagd verklaard dat hij zijn revolver niet onderweg naar [P] op de fiets heeft gevuld.

(16) De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de milieurapportage van Palier d.d. 27 mei 2008, opgemaakt en ondertekend door [....], unitmanager, en [....], reclasseringswerker.