Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6907

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
09/754009-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord. Verdachte is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen en de uitvoering van het plan om het slachtoffer te doden. Hij heeft een van de medeverdachten geadviseerd over de wijze waarop zij het slachtoffer het beste kon ombrengen en over de gevaar van DNA-sporen. Hij heeft enkele medeverdachten naar een toko in Amsterdam gereden, waar de messen gekocht werden. Hij heeft op de avond van het misdrijf een van de medeverdachten naar de plaats van het misdrijf gereden, wetende dat het slachtoffer gedood zou worden. Hij heeft, nadat het slachtoffer was gedood, een zak met daarin de tijdens de moord gedragen kleding en het moordwapen verzwaard en in het water gegooid. Hoewel de rechtbank de rol van verdachte ziet als één op de achtergrond en ondergeschikt aan de rol van [medeverdachten A en B], acht zij deze wel van essentieel belang. Als verdachte [A] niet naar [plaats 1] had gebracht, had het misdrijf hoogstwaarschijnlijk (toen) niet plaatsgevonden. Zie ook de vonnissen van de medeverdachten: BD6892, BD6902, BD6915.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/754009-07

Datum uitspraak: 10 juli 2008

VONNIS (1)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de [A]:

[verdachte C],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

thans gedetineerd in de P.I. Noord, de Grittenborgh, Hoogeveen.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 en 26 juni 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Schuijer en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te [plaats 3], en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente], tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s),

althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de

hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel

van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[B] en/of [A] en/of [D] op of omstreeks 06 januari 2007

te [plaats 1], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [B] en/of [A] en/of

[D] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer

mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e)

voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende

verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaats 1], gemeente

[gemeente] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- tegen die [A] te zeggen dat [slachtoffer] dood moest omdat [A] anders zelf dood

zou gaan en/of die [B] uit te leggen hoe [slachtoffer] gedood kon worden en/of

- tegen die [A] te zeggen dat de gedragen kleding bij het doden van [slachtoffer]

weggegooid moest worden en/of dat op/rond de dag van het doden van die [slachtoffer]

geen telefonisch contact mocht plaatsvinden tussen die [A] en/of [D]

en/of [B] en/of hem verdachte en/of dat bij het doden van die [slachtoffer]

handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA achtergelaten mocht

worden en/of

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [B] en/of [A] en/of

[D] het doden van die [slachtoffer] te beramen en/of

- met die [B] en/of [A] en/of [verdachte] naar een Toko/winkel te

gaan, althans die [A] naar die Toko/winkel te vervoeren, teneinde een of

meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen, wetende van het

voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- die [A] naar de woning van die [slachtoffer] te vervoeren, wetende van het

voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- die [A] en/of een tas/zak met daarin de mes(sen) en/of hakbijltje(s)

en/of de kleding (die bij het doden van [slachtoffer] gedragen was) van de plaats van

het misdrijf naar elders te vervoeren en/of

- die tas/zak te verzwaren en/of weg te maken door deze in/nabij een kanaal,

althans in/nabij een hoeveelheid water te gooien en/of

na te laten die [slachtoffer] en/of de politie en/of een of meer ander(en) op de

hoogte te brengen en/of te waarschuwen voor het voornemen om die [slachtoffer] te

doden en/of

- niet te beletten dat die [slachtoffer] gedood werd;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

(art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2007 tot en met 6 januari 2007 te

[plaats 1], gemeente [gemeente] en/of [plaats 3] en/of [plaats 2] en/of elders in

Nederland kennis dragende van een voornemen van [A] en/of [D]

en/of [B] tot het plegen van een moord op [slachtoffer] op (een)

tijdstip(pen) waarop het plegen van dit misdrijf nog kon worden voorkomen,

opzettelijk heeft nagelaten daarvan tijdig voldoende kennis te geven aan de

ambtenaren van justitie en/of politie of aan [slachtoffer] zelf,

zulks terwijl die [slachtoffer] vervolgens op 6 januari 2007 is vermoord;

en/of

hij op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaats 3] en/of elders in Nederland

nadat er op of omstreeks 6 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente], het

misdrijf was gepleegd van het vermoorden van [slachtoffer] (artikel 289 Wetboek van

Strafrecht), althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om

dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of

te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was

gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt

en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of

politie onttrokken, immers heeft verdachte een zak/tas (met daarin kleding

en/of handschoenen en/of hakbijltje(s) en/of mes(sen), althans scherpe en/of

puntige voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt bij het vermoorden van die [slachtoffer])

verzwaard en/of (vervolgens) in/nabij een hoeveelheid water weggegooid;

(art 189 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs(2)

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd – zoals vermeld in haar op schrift gestelde requisitoir dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe –zoals vervat in de pleitnota- in de kern aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Hetgeen daartoe naar voren is gebracht, zal hierna nader aan de orde komen.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en op grond van het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

Medeverdachte [A] (hierna ook te noemen: [A]) is in 2004 met het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer] (hierna ook te noemen [slachtoffer]), in het huwelijk getreden. Beiden hadden op dat moment al kinderen uit een eerder huwelijk. Aan de zijde van [A] waren dat haar oudste dochter en medeverdachte [D] (hierna ook te noemen: [D]), haar jongste dochter [E] en haar zoon [F]. Aan de zijde van [slachtoffer] waren dat zijn dochtertje [G] en zijn zoontje [H]. In mei 2006 hebben [A] en [slachtoffer] gezamenlijk een kind gekregen, [I]. Eind 2005 hebben [A] en [slachtoffer] met hun kinderen de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] betrokken. In november 2006 is de Poolse vriend van [D] – de medeverdachte [B] (hierna ook te noemen: [B]) – bij het gezin ingetrokken.

Het huwelijk van [A] en [slachtoffer] was reeds geruime tijd slecht. Er was regelmatig sprake van ruzies. Enkele weken voor de kerst van 2006 heeft [A] besloten van [slachtoffer] te scheiden. Zij heeft toen met hun zoontje [I] de echtelijke woning verlaten en is in [plaats 3] gaan wonen. [D], [B] en [F] zijn bij [slachtoffer] in [plaats 1] blijven wonen. De jongste dochter van [A], [E], is rond die tijd in een studentenwoning in [plaats 2] gaan wonen.

Op 31 december 2006 is [A] naar [plaats 1] gekomen om daar met haar kinderen oud en nieuw te vieren. Kort na haar aankomst is een ruzie met [slachtoffer] ontstaan, waarbij [slachtoffer] [E] heeft geslagen of geduwd(3). Naar aanleiding van deze ruzie heeft er later die avond een gesprek plaatsgevonden tussen [A], [B], [D]. Tijdens dit gesprek heeft [A] gezegd dat [slachtoffer] dood moest.(4) Zij heeft daarbij aan [B] om hulp gevraagd en daarbij gezegd dat zij hem wel zou helpen, zodat hij het niet alleen hoefde te doen.(5) [B] heeft meteen te kennen gegeven haar hiermee te willen helpen. Dit gesprek is door [D] vertaald, omdat [B] alleen Engels sprak. Afgesproken is toen dat [slachtoffer] op vrijdag 5 januari 2006 om het leven zou worden gebracht.(6)

De volgende dag, op 1 januari 2006, heeft [A] met de verdachte (hierna ook te noemen: [C]) gesproken over haar voornemen om samen met [B] [slachtoffer] van het leven te beroven. [C] heeft toen gezegd dat het goed was, dat zij een keuze moest maken en dat hij haar zou helpen.(7) [A] heeft vervolgens met [C] besproken op welke wijze zij haar man zou kunnen ombrengen. [C] heeft toen geadviseerd dit met een pistool of een mes te doen. [A] vond een pistool echter geen optie, aangezien zij daarvoor geen geld had en zij ook niet wist hoe zij aan een pistool zou kunnen komen.(8) [C] wist precies hoe het gedaan moest worden en hoe de politie met DNA zou omgaan.(9) [A] heeft hierna aan [D] verteld dat [C] bereid was haar te helpen.(10)

Op 2 januari 2006 zijn [A], [B], [C] en [D](11) naar een toko in [plaats 3] gegaan. In deze toko heeft [A] twee messen gekocht(12) met het doel [slachtoffer] hiermee te doden.(13) De verkoopsters hebben verklaard dat [A] bij die gelegenheid vertelde dat ze door haar man werd mishandeld en zich met de messen tegen hem wilde verdedigen.(14) [C] is buiten in zijn auto blijven wachten en toen [A] weer bij de auto terug was heeft zij tegen [C] gezegd dat zij een mes had gekocht. [C] heeft toen gezegd dat het goed was en dat hij haar zou helpen.(15)

Na het bezoek aan de toko is het gezelschap naar de woning van [E] in [plaats 2] gegaan.(16) [C] heeft in die woning het grootste van de twee messen (een Chinees hakmes/-bijltje) (17) vastgehouden en tegen [A] gezegd dat zij dit mes aan [B] moest geven.(18) In de woning is vervolgens het plan om [slachtoffer] te doden nader vormgegeven; het plan zou zoals eerder besproken op vrijdag 5 januari 2006 worden uitgevoerd.(19) Met betrekking tot de vraag hoe en op welk moment [slachtoffer] het beste gedood kon worden, verschilden de meningen. [A] wilde dat [slachtoffer] zou worden gedood terwijl hij in de woonkamer achter de computer zat. [B] zou [slachtoffer] dan van achteren links en rechts in de nek/hals moeten slaan, waarna [A], die dit vanuit de tuin zou gadeslaan, naar binnen zou komen om [slachtoffer] met het andere mes nog een keer te steken. [A] vond dit belangrijk omdat zij zo kon deelnemen aan de dood van [slachtoffer].(20) [B] vond dit geen goed idee en wilde het liever doen als [slachtoffer] in bed lag.(21) [A] heeft bij deze gelegenheid midden in de kamer in het bijzijn van alle aanwezigen voorgedaan hoe met het Chinese hakmes om te gaan en hoe [slachtoffer] daarmee te doden. [D] heeft alles vertaald zodat [B] begreep wat er werd besproken. [A] sprak al die tijd Nederlands.(22) Omdat [D] het mes, waarmee ze kennelijk het hakmes bedoelde, niet in huis wilde hebben(23), is besloten dit in [plaats 2] achter te laten. Vervolgens heeft [B] het hakmes verstopt.(24) Het tweede mes, een Japans keukenmes(25), heeft [A] onder zich gehouden en mee naar huis genomen.(26)

Op 4 januari 2006 is [A] naar de woning in [plaats 1] gekomen om de haren van haar zoon [F] te knippen. [C] heeft haar toen gereden. [slachtoffer] was op dat moment niet thuis. Bij deze gelegenheid heeft zij het tweede mes – het Japanse keukenmes dat zij op 2 januari bij zich had gehouden – in de woning verstopt.(27) Toen zij vervolgens alleen met [B] in de keuken was heeft zij voor de tweede keer voorgedaan op welke wijze hij het hakmes moest hanteren om [slachtoffer] te doden.(28)

Op 5 januari 2006 hebben [D] en [B] het hakmes opgehaald in [plaats 2]. Zij moesten het hakmes ophalen, omdat [slachtoffer] die avond zou worden gedood.(29) Zij hebben het hakmes vervoerd in de bruine tas van [D].(30) Tevens hebben zij die dag in opdracht van [A] goedkope kleren gekocht met de bedoeling dat [B] deze kleren zou dragen bij het uitvoeren van het plan. Deze kleren zouden dan na het doden van [slachtoffer] weggegooid worden.(31) Zij hebben toen een joggingbroek en een blauw T-shirt gekocht. [D] heeft deze kleren betaald.(32)

[D] en [B] zijn die avond omstreeks 21.30 uur vanuit [plaats 2] teruggekeerd in de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [slachtoffer] zat op dat moment met zijn kinderen [G] en [H] achter de computer een filmpje te bekijken. [slachtoffer] heeft [G] en [H] naar bed gebracht, waarna hij weer zelf achter de computer is gaan zitten. [D] en [B] bekeken ondertussen op de bank een dvd.(33)

Vlak na middernacht, rond 00:15 uur, is [slachtoffer] naar boven gegaan. Nadat hij gedoucht had, is hij gaan slapen.(34) Rond die tijd heeft [B] volgens plan de in [plaats 2] gekochte kleding aangetrokken.(35) [A] was inmiddels in [plaats 3] opgehaald door [C] en onderweg naar [plaats 1]. (36) [D] heeft in de loop van de avond meerdere malen met haar mobiele telefoon contact opgenomen met [A] om te vragen waar ze bleef, aangezien [A] volgens het plan al voor middernacht in [plaats 1] had moeten zijn.(37) [D] was hier erg boos over en heeft toen door de telefoon tegen [A] gezegd, dat zij het plan niet zouden uitvoeren en naar bed zouden gaan.(38) Omdat [A] te laat was en [slachtoffer] al naar bed was, kon het oorspronkelijke plan om [slachtoffer] te doden als hij achter de computer zat, geen doorgang vinden.(39)

Uit de door de politie opgevraagde zendmastgegevens valt af te leiden dat [A] rond 1.17 uur bij de woning aan de [adres 1] is aangekomen. Op dat tijdstip had namelijk een laatste, slechts enkele seconden durend contact tussen [A] en [D] plaats, waarbij de telefoon van [A] een zendmast in de directe nabijheid van de woning aanstraalde(40)

Op enig moment hierna is [A] de woning binnengekomen.(41) Zij had een vuilniszak en plastic keukenhandschoenen bij zich.(42) [A] is naar de kamer van [D] op de eerste verdieping gegaan, waar zij tegen [B] heeft gezegd dat het moest gebeuren: [slachtoffer] moest vermoord worden. Hoewel [D] tegen hem zei dat hij het niet moest doen, heeft [B] vervolgens de handschoenen aangetrokken, waarna hij met het hakmes in de hand naar de naastgelegen slaapkamer van [slachtoffer] is gelopen.(43) Toen [B] naast het bed stond, werd [slachtoffer] wakker.(44) Om geen argwaan te wekken, heeft [B] toen tegen de slaapdronken [slachtoffer] gezegd dat hij een probleem met de computer had en [slachtoffer] gevraagd of hij hem daarmee wilde helpen. Terwijl [slachtoffer] langzaam wakker werd en opstond om zich aan te kleden, heeft [B] snel het hakmes en de handschoenen naar de kamer van [D] – waar [D] en [A] zich nog steeds bevonden - gebracht.(45) Vervolgens is hij naar beneden gegaan, waar hij de computer heeft uitgezet en weer heeft aangezet, zodat het inlogscherm verscheen.(46) Kort hierna kwam ook [slachtoffer] naar beneden.(47) [slachtoffer] heeft opnieuw voor [B] ingelogd en is aansluitend weer naar bed gegaan. [B] is kort hierna weer naar de kamer van [D] gegaan.

Deze gang van zaken wordt bevestigd door [A], die heeft verklaard dat zij, toen zij in de slaapkamer bij [D] zat, de stemmen van [slachtoffer] en [B] heeft gehoord. Ook heeft zij gehoord dat beiden de trap afliepen en na verloop van tijd weer boven kwamen.(48)

Nadat [slachtoffer] weer naar bed was gegaan, heeft [A] voorgesteld om een half uurtje te wachten. [B] moest van haar zolang weer naar beneden gaan(49) [D] heeft dit voor [B] vertaald.(50) [D] was erg bang. Zij is de hele tijd op het bed blijven zitten en heeft gezegd: ‘’We gaan het toch niet echt doen?’’ Zij was bang dat het echt ging gebeuren.(51) [D] stelde ook voor om het op te geven en zei tegen [B] dat hij moest stoppen. [A] heef toen echter gezegd dat het nu of nooit voor haar was en dat [B] het moest doen.(52)

Na enige tijd is [B] weer naar boven gekomen. In de kamer van [D] heeft hij opnieuw handschoenen aangetrokken en het hakmes gepakt. Vervolgens is hij voor de tweede keer naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan(53) Hier heeft hij [slachtoffer] met het hakmes in één keer de hals heeft doorgeslagen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.(54)

[B] is hierna teruggelopen naar de kamer van [D], waar [A] stond te wachten met het tweede mes in de handen. Ook [A] had handschoenen aangetrokken. In de kamer van [D] heeft [B] gezegd dat hij [slachtoffer] had doodgemaakt. Hij maakte daarbij een (slaande hak-)beweging met de woorden “one time”.(55) [A] is hierop naar de slaapkamer van [slachtoffer] gelopen en heeft vervolgens met het tweede mes in de slaap van [slachtoffer] gestoken. Daarbij hield zij het mes met het lemmet naar beneden gericht in haar linkerhand bij de slaap van [slachtoffer], waarna zij met de rechterhand enkele malen op het heft sloeg(56). Bij de lijkschouwing zijn rechts aan het hoofd van [sl[slachtoffer]f[slachtoffer] verwondingen aangetroffen die hiermee stroken(57).

In de kamer van [D] hebben [A] en [B] hun handschoenen, de beide messen en de door [B] gedragen kleding in de door [A] meegenomen vuilniszak(58) gestopt.(59) [A] is vervolgens met deze zak in de hand naar de auto van [C] gelopen. [C] heeft deze zak hier van haar aangepakt en in de auto gezet.(60) [C] en [A] zijn vervolgens weer naar [plaats 3] gereden waar [C] de zak met een vogelbad heeft verzwaard en in het water heeft gegooid.(61) [C] wist al die tijd wat er gaande was.(62) Hij heeft tijdens het verhoor bij de politie ook gezegd dat het moordwapen in het water ligt, ‘als het goed is’.(63) Hij zegt meegeholpen te hebben(64).

Anders dan de verdediging heeft betoogd, volgt uit het voorgaande dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van het plan om [sl[slachtoffer]f[slachtoffer] van het leven te beroven en dat verdachte hieraan ook een substantiële bijdrage heeft geleverd: verdachte heeft meegedacht over de manier waarop [slachtoffer] kon worden gedood en de andere medeverdachten naar de winkel gereden om daar messen te kopen. Voorts heeft hij [A] op de avond van het delict in [plaats 3] opgehaald- wetende wat er stond te gebeuren- en naar de woning aan de [adres 1] gereden. Nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht, heeft hij een vuilniszak met daarin de door [B] bij de moord gedragen kleding en het moordwapen verzwaard en in het water laten verdwijnen. Deze betrokkenheid kan met name worden afgeleid uit de verklaringen van [A]. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar, nu deze in de eerste plaats voor haar zelf, maar ook voor haar dochter en [B] zeer belastend zijn. Dat [B] nauwelijks over de betrokkenheid van verdachte heeft verklaard, laat zich verklaren door het feit dat er in de week voorafgaande tussen hen beiden nauwelijks rechtstreeks contact is geweest. Het is duidelijk, dat de tips die verdachte volgens [A] over DNA heeft gegeven [B] echter wel bereikt hebben.

De vorenomschreven gang van zaken laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat verdachte en zijn mededaders ter uitvoering van het voornemen om [slachtoffer] te doden een plan hebben beraamd en bij de tenuitvoerlegging van dat plan vervolgens nauw en bewust hebben samengewerkt. Daarmee is sprake van het medeplegen van moord.

4.4 De bewezenverklaring

Dat hij op 06 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente], tezamen

en in vereniging met anderen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben

verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, met één hakbijltje tegen de

hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en een klievende verwonding in de hals/keel

van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar aangezien niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van medeplegen moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Verdachte is intensief betrokken geweest bij de voorbereiding en het mogelijk maken van het delict, en hij was ten tijde van de moord nabij de plaats van het misdrijf.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van moord. Moord is één van de zwaarste delicten die het wetboek van Strafrecht kent. De ernst daarvan is zo vanzelfsprekend dat dit geen nadere toelichting behoeft. In dit geval acht de rechtbank daarnaast het volgende van belang.

Het slachtoffer is in zijn eigen huis, terwijl hij sliep van het leven beroofd.

De dader heeft na zorgvuldige planning, voorbereiding en overleg met zijn mededaders, met een hakmes de keel van het slachtoffer doorgehakt. Het feit dat zowel verdachte als zijn mededaders van verdachte uit de directe (gezins)omgeving van het slachtoffer afkomstig zijn, geeft met de wijze waarop de moord is gepleegd, de feiten een wel buitengewoon luguber karakter.

Zoals hiervoor reeds werd overwogen, is verdachte nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen en de uitvoering van het plan om het slachtoffer te doden. Hij heeft een van de medeverdachten geadviseerd over de wijze waarop zij het slachtoffer het beste kon ombrengen en over de gevaar van DNA-sporen. Hij heeft enkele medeverdachten naar een toko in [plaats 3] gereden, waar de messen gekocht werden. Hij heeft op de avond van het misdrijf een van de medeverdachten naar de plaats van het misdrijf gereden, wetende dat het slachtoffer gedood zou worden. Hij heeft, nadat het slachtoffer was gedood, een zak met daarin de tijdens de moord gedragen kleding en het moordwapen verzwaard en in het water gegooid. Hoewel de rechtbank de rol van verdachte ziet als één op de achtergrond en ondergeschikt aan de rol van de [A] en [B], acht zij deze wel van essentieel belang. Als verdachte zijn [A] niet naar [plaats 1] had gebracht, had het misdrijf hoogstwaarschijnlijk (toen) niet plaatsgevonden.

Verdachte heeft in de wetenschap dat het slachtoffer om het leven zou worden gebracht, een week, gedaan alsof er niets aan de hand was. Opvallend is de kilheid en de respectloosheid voor het leven van een ander, waarmee verdachte en zijn mededaders de week voorafgaand aan de moord, zijn doorgekomen. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om de verwerpelijkheid van zijn plan in te zien, maar hij heeft het plan niettemin uitgevoerd.

De rechtbank rekent verdachte hierbij zwaar aan dat hij [slachtoffer] maar een enkele keer had ontmoet en geen enkele aanleiding had hem iets aan te doen.

Verdachte heeft door aan het moordplan mee te doen de nabestaanden ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder voor [G] en [H], de twee minderjarige kinderen van het slachtoffer uit diens eerdere huwelijk. [G] en [H] moesten hun moeder al missen en hebben door toedoen van verdachte nu ook hun vader verloren. Een dergelijke gebeurtenis is voor een ieder ontwrichtend, maar het feit dat de kinderen geruime tijd met verdachte in gezinsverband hebben samengeleefd, maakt de impact van het handelen van verdachte op hen des te groter. Datzelfde kan worden gezegd van [I], die door toedoen van verdachte, moet opgroeien zonder vader. Wat de reden ook heeft mogen zijn, niets kan deze daad rechtvaardigen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 28 maart 2008, opgemaakt en ondertekend door [psycholoog], Psycholoog en [psychiater], psychiater.

Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte beschikt over bovengemiddelde intellectuele capaciteiten maar, mede door zijn lage schoolopleiding, functioneert op een gemiddeld intellectueel niveau. Er zijn geen aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis in engere zin, zoals een psychotische stoornis, een angststoornis of verslavingsproblematiek. Verdachtes opvallende passiviteit en emotionele vervlakking hangen zeer waarschijnlijk samen met meerdere factoren, zoals met zijn persoonlijkheidskenmerken, inactieve levensstijl, chronisch longlijden en medicatiegebruik. Hoewel verdachte enige neiging heeft om ervaren stress en irritaties te uiten via lichamelijke klachten, bereikt dit niet een pathologisch stoornisniveau.

Het onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte wijst niet op het bestaan van een bepaalde pathologie. Verdachte staat egocentrisch in het leven, het ontbreekt hem aan concrete levensdoelen en doorzettingsvermogen. Hij is in staat om zich aan normen en waarden te houden, maar gaat daar soms opportunistisch mee om. Zijn contacten met mensen zijn meestal oppervlakkig en zelfs in intieme relaties bewaart hij enige afstand.

Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte in staat om in wilsvrijheid zelfstandige gedragskeuzes te maken. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor een doorwerking van een eventuele pathologie in het ten laste gelegde achten de onderzoekers verdachte volledig toerekeningvatbaar.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies uit het voornoemde rapport over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 februari 2007 niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Het voorgaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf zoals door de officier gevorderd passend en geboden is.

8. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.439,25.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3439,25 subsidiair 47 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij].

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

[benadeelde partij], wonende te [plaats 4], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.439,25. Dit bedrag betreft blijkens de gegeven toelichting de kosten van de uitvaart van het slachtoffer.

Deze vordering, is door de verdediging niet weersproken en is door de bij het voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd. Bovendien is zij eenvoudig van aard en vindt zij -naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken- rechtstreeks haar grondslag in het bij dagvaarding primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3.439,25 ten behoeve [benadeelde partij].

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 47, 289

10. De beslissing

De rechtbank

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van moord

Verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 30 januari 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 2 februari 2007;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt

verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende [adres], een bedrag van € 3.439,25;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3.439,25 ten behoeve van [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. O. van der Burg, voorzitter,

J. Eisses en J.A. van Dorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Tjokrojoso, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2008.

(1) promisvonnis

(2) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer PL [nummer] van de politie Hollands Midden, gedateerd 26 maart 2006.

(3) blz. 3722

blz. 3838

(4) blz. 3838 en 3874

(5) blz. 3874

blz. 3874

(6) blz. 3838

(7) blz. 3722

(8) blz. 3735

(9) blz 3723

(10) Verklaring [verdachte D] bij de RC, d.d. 24 mei 2007

(11) blz. 3723

(12) blz. 2268

(13) blz. 3715/3724

(14) blz. 2269-2271

(15) blz. 3723

(16) blz. 3874

(17) foto blz 3720

(18) blz. 3724

(19) blz. 3838

(20) blz 3878-3879

(21) blz. 3874

(22) blz. 3870

(23) blz. 4183

(24) blz. 3899

(25) blz 2271; foto blz 3721

(26) blz. 3724

(27) blz. 3724

(28) blz. 3875

(29) blz. 3899

(30) blz. 4183

(31) blz. 3877

(32) blz. 4183

(33) blz 3779-3782, 1737, 1750-1751

(34) blz. 1624/1644

(35) blz. 3878

(36) blz. 190

(37) blz. 3878

(38) blz. 3878

(39) blz. 3878

(40) blz. 189

(41) blz. 3879

(42) blz. 3880

(43) blz. 3868, 3880

(44) blz. 3881

(45) blz. 3881

(46) blz 3881

(47) blz 3881

(48) blz. 3726

(49) blz. 3881

(50) blz. 3881

(51) blz. 4177

(52) blz. 3881

(53) blz. 3716

(54) Sectie rapport, NFI nummer [nummer], d.d. 12 april 2007

(55) blz. 3716

(56) blz. 3882-3883

(57) Obductieverslag [slachtoffer] door [L], 12 april 2007, blz 7

(58) blz. 3880

(59) blz. 3883, 3727

(60) blz. 3716, 3970

(61) blz. 3970/3716

(62) blz. 3716

(63) blz. 4002

(64) blz. 3971