Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6895

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/3892 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dagloon ZW, ziek geworden tijdens uitzendbaan gedurende onbetaald verlof van ander dienstverband. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/3892 ZW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft verweerder aan eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet (Zw) toegekend, waarbij het dagloon is bepaald op

€ 25,82 bruto per dag.

Bij besluit van 2 mei 2007, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het dagloon vastgesteld op € 25,97 bruto per dag.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 31 mei 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 27 maart 2008 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Steeksma-Valente.

Motivering

Per 1 september 2001 is eiseres met de Provincie Zuid-Holland een voltijds dienstverband aangegaan voor 36 uren per week voor onbepaalde tijd. Per 1 september 2006 is aan eiseres door haar werkgever buitengewoon onbezoldigd verlof verleend tot 1 januari 2007.

Omdat eiseres spijt kreeg van haar verlof is zij vanaf 25 september 2006 werkzaam geweest via uitzendbureau Olympia. Op maandag 4 december 2006 heeft eiseres zich bij het uitzendbureau ziek gemeld omdat zij als gevolg van een hartinfarct was opgenomen in het ziekenhuis. Eiseres heeft zich op 5 februari 2007 beter gemeld.

Verweerder heeft bij besluit van 1 februari 2007 aan eiseres een ziektewetuitkering toegekend, waarin het dagloon is bepaald op € 25,82 bruto. In bezwaar heeft verweerder het dagloon aangepast en vastgesteld op € 25,97 bruto.

Eiseres heeft in beroep de hoogte van het vastgestelde dagloon bestreden.

Verweerder heeft in zijn bestreden besluit overwogen dat eiseres gedurende de tijd dat zij onbetaald verlof genoot, niet verzekerd was ingevolgde de Zw, als gevolg waarvan verweerder het loon dat eiseres bij de Provincie Zuid-Holland heeft verdiend buiten beschouwing heeft gelaten.

In zijn verweerschrift heeft verweerder betoogd dat eiseres wel verzekerd was ingevolge de Zw nu zij vanaf 25 september 2006 een dienstbetrekking had bij het uitzendbureau. Volgens verweerder had eiseres op 4 december 2006 twee parallel lopende dienstbetrekkingen en dient in een dergelijk geval bij de vaststelling van het dagloon slechts het loon in aanmerking te worden genomen uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan eiseres arbeidsongeschikt is geworden, derhalve uitsluitend haar bij het uitzendbureau verdiende loon.

De volgende regelgeving is relevant.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Zw wordt onder onbetaald verlof verstaan: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht.

Artikel 6, tweede lid, van de Zw bepaalt dat geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, waarop een aantal uitzonderingen gelden.

Artikel 15, eerste lid, van de Zw bepaalt dat voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste tot het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

In 2006 werd het loon tot maximaal € 168,- per dag in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zw wordt - verkort weergegeven - geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit) wordt, indien in het refertejaar door de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon is genoten in verband met verlof, bij het vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof voorafgaande en in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt bij het vaststellen van het Ziektewetdagloon van de werknemer die tijdens het refertejaar in twee of meer dienstbetrekkingen stond, slechts in aanmerking genomen het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan de werknemer arbeidsongeschikt is geworden, alsmede uit de overige dienstbetrekkingen naar de mate waarin die dienstbetrekking daarvoor in de plaats is gekomen.

Vast staat tussen partijen dat eiseres vanaf 1 januari 2007 ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zw geen aanspraak meer kan maken op de uitkering van ziekengeld omdat zij vanaf die datum weer aanspraak kan maken - en heeft gemaakt - op loon van de Provincie Zuid-Holland. De beoordeling van de rechtbank betreft derhalve de periode van 4 december 2006 tot en met 31 december 2006.

De rechtbank stelt op grond van artikel 6, tweede lid, van de Zw vast dat eiseres tussen 1 september 2006 en 31 december 2006 geen dienstbetrekking had met de Provincie Zuid-Holland en derhalve vanuit deze arbeidsovereenkomst vanaf 1 september 2006 niet meer was verzekerd overeenkomstig de Zw. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar de Memorie van Toelichting bij de “Wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof” (Kamerstukken II 1997/98, 25618, nr. 3, blz. 8 en 16).

De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres vanaf 25 september 2006 een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan met het uitzendbureau uit hoofde waarvan zij weer was verzekerd overeenkomstig de Zw.

De rechtbank volgt verweerder derhalve noch in zijn stelling dat eiseres op 4 december 2006 niet was verzekerd overeenkomstig de Zw, noch in zijn stelling dat eiseres op dat moment twee, naast elkaar bestaande dienstbetrekkingen had. Met de Provincie Zuid-Holland had eiseres immers gedurende haar onbetaald verlof weliswaar nog wel een arbeidsovereenkomst maar geen dienstbetrekking meer in de zin van de Zw.

De dienstbetrekking van eiseres bij de Provincie Zuid-Holland, een voltijds dienstverband voor 36 uur in de week, dient naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Dagloonbesluit bij de vaststelling van het Ziektewetdagloon in aanmerking te worden genomen naar de mate waarin de dienstbetrekking bij het uitzendbureau, blijkens een loonoverzicht tot 4 december 2006 gemiddeld 34,6 uur per de week, daarvoor in de plaats is gekomen.

Gelet op artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank tevens voor de in het refertejaar gelegen periode van 1 september 2006 tot 25 september 2006. Blijkens 3.1. van de Nota van Toelichting bij het Dagloonbesluit (gepubliceerd in Stb. 2005, 546) dient dit artikel immers ter voorkoming van het negatieve effect dat een in het refertejaar gelegen periode van verlof, zonder nadere maatregel, zou hebben in de dagloonberekening. Verweerder dient op grond van dit artikel bij de vaststelling van het dagloon voor de periode van verlof in het refertejaar rekening te houden met het loon dat bij dezelfde werkgever is genoten in het aan het verlof voorafgaande aangiftetijdvak.

Gelet op al het voorgaande is het beroep derhalve gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank zal voor dit nieuwe besluit een termijn stellen. Gelet op artikel 19 van de Beroepswet gaat die termijn pas lopen als deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder in dit nieuw te nemen besluit rekening dient te houden met het feit dat de rechtspersoon waartoe verweerder behoort, ingevolge artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke rente over de uitkeringsbetalingen dient te vergoeden.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen 6 weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 39,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M. Lucas-Riehl.