Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
09/754007-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord. De rechtbank ziet verdachte als de initiatiefnemer van deze moord. Zij heeft het plan bedacht en heeft hierbij anderen, waaronder haar eigen dochter, betrokken. Tevens heeft zij een coördinerende rol gehad bij de uitvoering van dit plan. Zij heeft de voor de moord bedoelde messen gekocht en heeft haar mededaders specifieke aanwijzingen gegeven. Gevangenisstraf van 17 jaren. Zie ook de vonnissen van medeverdachten: BD6902, BD6907 en BD6915.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/754007-07

Datum uitspraak: 10 juli 2008

VONNIS (1)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1962,

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, P.I.V. HvB Nieuwersluis.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 en 26 juni 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Schuijer en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J. Gravensteijn, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente], tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s),

althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de

hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel

van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

(art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] op of omstreeks 06 januari

2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of

[verdachte C] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer

mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e)

voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende

verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode van

1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente]

en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland door

-gift(en)/belofte(n)/misbruik van gezag/geweld/bedreiging of misleiding/het

verschaffen van gelegenheid/middelen/inlichten, opzettelijk heeft uitgelokt,

door

- die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] (meermalen) te zeggen dat zij,

verdachte, door die [slachtoffer] mishandeld werd en/of dat die [slachtoffer] gedood moest

worden omdat zij, verdachte anders zelf dood zou gaan, althans dat zij

verdachte bang was om door die [slachtoffer] gedood te worden en/of

- die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] te vragen om haar, verdachte

te helpen en/of die [slachtoffer] voor haar, verdachte, te doden en/of

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of

[verdachte C] het doden van die [slachtoffer] te beramen en/of

- die [verdachte B] en/of [verdachte D] uit te leggen hoe die [slachtoffer] gedood kon worden en/of

tegen die [verdachte B] en/of [verdachte D] te zeggen dat de gedragen kleding bij het

doden van die [slachtoffer] weggegooid moest worden en/of dat bij het doden van die

[slachtoffer] handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA achtergelaten

mocht worden en/of

- met die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] naar Toko/winkel te gaan,

teneinde een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen, althans

die [verdachte B] en/of [verdachte D] een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) ter

beschikking te stellen, wetende van het voornemen om die [slachtoffer] (daarmee) te

doden;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

(art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] op of omstreeks 06 januari

2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of

[verdachte C] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer

mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e)

voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende

verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaats 1], gemeente

[gemeente] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

behulpzaam is geweest door

- die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] te vragen om haar, verdachte te

helpen en/of die [slachtoffer] voor haar, verdachte, te doden en/of

- tegen die [verdachte B] en/of [verdachte D] te zeggen dat [slachtoffer] dood moest omdat zij,

verdachte, anders zelf dood zou gaan en/of die [verdachte B] uit te leggen hoe

[slachtoffer] gedood kon worden en/of tegen die [verdachte B] te zeggen dat de gedragen

kleding bij het doden van die [slachtoffer] weggegooid moest worden en/of dat bij het

doden van die [slachtoffer] handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA

achtergelaten mocht worden

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of

[verdachte C] het doden van die [slachtoffer] te beramen en/of

- met die [verdachte B] en/of [verdachte D] en/of [verdachte C] naar een Toko/winkel te

gaan, teneinde een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen,

althans die [verdachte B] en/of [verdachte D] een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s)

ter beschikking te stellen, wetende van het voornemen om die [slachtoffer] (daarmee)

te doden en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp, in/tegen het hoofd van die [slachtoffer]

heeft gestoken/geprikt/geslagen en/of

- een tas/zak met daarin de mes(sen) en/of hakbijltje(s) en/of de kleding (die

bij het doden van [slachtoffer] gedragen/gebruikt was/waren) van de plaats van

het misdrijf naar elders te vervoeren en/of weg te maken door deze in/nabij

een kanaal, althans in/nabij een hoeveelheid water, te gooien en/of

- na te laten die [slachtoffer] en/of de politie en/of een of meer ander(en) op de

hoogte te brengen en/of te waarschuwen voor het voornemen om die [slachtoffer] te

doden en/of

- niet te beletten dat die [slachtoffer] gedood werd;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

(art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs (2)

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd -zoals vermeld in haar op schrift gestelde requisitoir- dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van moord.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft onder overlegging van een pleitnota bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Mocht de rechtbank anders oordelen, dan is de betrokkenheid van verdachte slechts te kwalificeren als medeplichtigheid, aldus de verdediging. Op hetgeen de verdediging daartoe naar voren heeft gebracht, zal hierna nader worden ingegaan.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en op grond van het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

Verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte A]) is in 2004 met het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer] (hierna ook te noemen [slachtoffer]), in het huwelijk getreden. Beiden hadden op dat moment al kinderen uit een eerder huwelijk. Aan de zijde van [verdachte A] waren dat haar oudste dochter (en medeverdachte) [verdachte D] (hierna ook te noemen: [verdachte D]), haar jongste dochter [E] en haar zoon [F]. Aan de zijde van [slachtoffer] waren dat zijn dochtertje [G] en zijn zoontje [H]. In mei 2006 hebben [verdachte A] en [slachtoffer] gezamenlijk een kind gekregen, [I]. Eind 2005 hebben [verdachte A] en [slachtoffer] met hun kinderen de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] betrokken. In november 2006 is de Poolse vriend van [verdachte D] - de medeverdachte [verdachte B] (hierna ook te noemen: [verdachte B]) - bij het gezin ingetrokken.

Het huwelijk van [verdachte A] en [slachtoffer] was reeds geruime tijd slecht. Er was regelmatig sprake van ruzies. Enkele weken voor de kerst van 2006 heeft [verdachte A] besloten van [slachtoffer] te scheiden. Zij heeft toen met hun zoontje [I] de echtelijke woning verlaten en is in [plaats 3] gaan wonen. [verdachte D], [verdachte B] en [F] zijn bij [slachtoffer] in [plaats 1] blijven wonen. De jongste dochter van [verdachte A], [E], is rond die tijd in een studentenwoning in [plaats 2] gaan wonen.

Op 31 december 2006 is verdachte naar [plaats 1] gekomen om daar met haar kinderen oud en nieuw te vieren. Kort na haar aankomst is een ruzie met [slachtoffer] ontstaan, waarbij [slachtoffer] [E] heeft geslagen of geduwd (3). Naar aanleiding van deze ruzie heeft er later die avond een gesprek plaatsgevonden tussen [verdachte A], [verdachte B], [verdachte D]. Tijdens dit gesprek heeft [verdachte A] gezegd dat [slachtoffer] dood moest. (4) Zij heeft aan [verdachte B] om hulp gevraagd en daarbij gezegd dat zij hem wel zou helpen, zodat hij het niet alleen hoefde te doen. (5) [verdachte B] heeft meteen te kennen gegeven haar hiermee te willen helpen. Dit gesprek is door [verdachte D] vertaald, omdat [verdachte B] alleen Engels sprak. Afgesproken is toen dat [slachtoffer] op vrijdag 5 januari 2006 om het leven zou worden gebracht. (6)

De volgende dag, op 1 januari 2006, heeft [verdachte A] met de medeverdachte [verdachte C] (hierna ook te noemen: [verdachte C]) gesproken over haar voornemen om samen met [verdachte B] [slachtoffer] van het leven te beroven. [verdachte C] heeft toen gezegd dat het goed was, dat zij een keuze moest maken en dat hij haar zou helpen. (7) [verdachte A] heeft vervolgens met [verdachte C] besproken op welke wijze zij haar man zou kunnen ombrengen. [verdachte C] heeft toen geadviseerd dit met een pistool of een mes te doen. [verdachte A] vond een pistool echter geen optie, aangezien zij daarvoor geen geld had en zij ook niet wist hoe zij aan een pistool zou kunnen komen. (8) [verdachte C] wist precies hoe het gedaan moest worden en hoe de politie met DNA zou omgaan. (9) [verdachte A] heeft hierna aan [verdachte D] verteld dat [verdachte C] bereid was haar te helpen. (10)

Op 2 januari 2006 zijn [verdachte A], [verdachte B], [verdachte C] en [verdachte D] (11) naar een toko in [plaats 3] gegaan. In deze toko heeft [verdachte A] twee messen gekocht (12) met het doel [slachtoffer] hiermee te doden. (13) De verkoopsters hebben verklaard dat [verdachte A] bij die gelegenheid vertelde dat ze door haar man werd mishandeld en zich met de messen tegen hem wilde verdedigen. (14) [verdachte C] is buiten in zijn auto blijven wachten en toen [verdachte A] weer bij de auto terug was heeft zij tegen [verdachte C] gezegd dat zij een mes had gekocht. [verdachte C] heeft toen gezegd dat het goed was en dat hij haar zou helpen. (15)

Na het bezoek aan de toko is het gezelschap naar de woning van [E] in [plaats 2] gegaan. (16) [verdachte C] heeft in die woning het grootste van de twee messen (een Chinees hakmes/-bijltje) (17) vastgehouden en tegen [verdachte A] gezegd dat zij dit mes aan [verdachte B] moest geven. (18) In de woning is vervolgens het plan om [slachtoffer] te doden nader vormgegeven; het plan zou zoals eerder besproken op vrijdag 5 januari 2006 worden uitgevoerd. (19) Met betrekking tot de vraag hoe en op welk moment [slachtoffer] het beste gedood kon worden, verschilden de meningen. [verdachte A] wilde dat [slachtoffer] zou worden gedood terwijl hij in de woonkamer achter de computer zat. [verdachte B] zou [slachtoffer] dan van achteren links en rechts in de nek/hals moeten slaan, waarna [verdachte A], die dit vanuit de tuin zou gadeslaan, naar binnen zou komen om [slachtoffer] met het andere mes nog een keer te steken. [verdachte A] vond dit belangrijk omdat zij zo kon deelnemen aan de dood van [slachtoffer]. (20) [verdachte B] vond dit geen goed idee en wilde het liever doen als [slachtoffer] in bed lag. (21) [verdachte A] heeft bij deze gelegenheid midden in de kamer in het bijzijn van alle aanwezigen voorgedaan hoe met het Chinese hakmes om te gaan en hoe [slachtoffer] daarmee te doden. [verdachte D] heeft alles vertaald zodat [verdachte B] begreep wat er werd besproken. [verdachte A] sprak al die tijd Nederlands. (22) Omdat [verdachte D] het mes, waarmee ze kennelijk het hakmes bedoelde, niet in huis wilde hebben (23) , is besloten dit in [plaats 2] achter te laten. Vervolgens heeft [verdachte B] het hakmes verstopt. (24) Het tweede mes, een Japans keukenmes , heeft [verdachte A] onder zich gehouden en mee naar huis genomen. (26)

Op 4 januari 2006 is [verdachte A] naar de woning in [plaats 1] gekomen om de haren van haar zoon [F] te knippen. [verdachte C] heeft haar toen gereden. [slachtoffer] was op dat moment niet thuis. Bij deze gelegenheid heeft zij het tweede mes - het Japanse keukenmes dat zij op 2 januari bij zich had gehouden - in de woning verstopt. (27) Toen zij vervolgens alleen met [verdachte B] in de keuken was heeft zij voor de tweede keer voorgedaan op welke wijze hij het hakmes moest hanteren om [slachtoffer] te doden. (28)

Op 5 januari 2006 hebben [verdachte D] en [verdachte B] het hakmes opgehaald in [plaats 2]. Zij moesten het hakmes ophalen, omdat [slachtoffer] die avond zou worden gedood. (29) Zij hebben het hakmes vervoerd in de bruine tas van [verdachte D]. (30) Tevens hebben zij die dag in opdracht van [verdachte A] goedkope kleren gekocht met de bedoeling dat [verdachte B] deze kleren zou dragen bij het uitvoeren van het plan. Deze kleren zouden dan na het doden van [slachtoffer] weggegooid worden. (31) Zij hebben toen een joggingbroek en een blauw T-shirt gekocht. [verdachte D] heeft deze kleren betaald. (32)

[verdachte D] en [verdachte B] zijn die avond omstreeks 21.30 uur vanuit [plaats 2] teruggekeerd in de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [slachtoffer] zat op dat moment met zijn kinderen [G] en [H] achter de computer een filmpje te bekijken. [slachtoffer] heeft [G] en [H] naar bed gebracht, waarna hij weer zelf achter de computer is gaan zitten. [verdachte D] en [verdachte B] bekeken ondertussen op de bank een dvd. (33)

Vlak na middernacht, rond 00:15 uur, is [slachtoffer] naar boven gegaan. Nadat hij gedoucht had, is hij gaan slapen. (34) Rond die tijd heeft [verdachte B] volgens plan de in [plaats 2] gekochte kleding aangetrokken. (35) [verdachte A] was inmiddels in [plaats 3] opgehaald door [verdachte C] en onderweg naar [plaats 1]. (36) [verdachte D] heeft in de loop van de avond meerdere malen met haar mobiele telefoon contact opgenomen met [verdachte A] om te vragen waar ze bleef, aangezien [verdachte A] volgens het plan al voor middernacht in [plaats 1] had moeten zijn. (37) [verdachte D] was hier erg boos over en heeft toen door de telefoon tegen [verdachte A] gezegd, dat zij het plan niet zouden uitvoeren en naar bed zouden gaan. (38) Omdat [verdachte A] te laat was en [slachtoffer] al naar bed was, kon het oorspronkelijke plan om [slachtoffer] te doden als hij achter de computer zat, geen doorgang vinden. (39)

Uit de door de politie opgevraagde zendmastgegevens valt af te leiden dat [verdachte A] rond 1.17 uur bij de woning aan de [adres 1] is aangekomen. Op dat tijdstip had namelijk een laatste, slechts enkele seconden durend contact tussen [verdachte A] en [verdachte D] plaats, waarbij de telefoon van [verdachte A] een zendmast in de directe nabijheid van de woning aanstraalde (40)

Op enig moment hierna is [verdachte A] de woning binnengekomen. (41) Zij had een vuilniszak en plastic keukenhandschoenen bij zich. (42) [verdachte A] is naar de kamer van [verdachte D] op de eerste verdieping gegaan, waar zij tegen [verdachte B] heeft gezegd dat het moest gebeuren: [slachtoffer] moest vermoord worden. Hoewel [verdachte D] tegen hem zei dat hij het niet moest doen, heeft [verdachte B] vervolgens de handschoenen aangetrokken, waarna hij met het hakmes in de hand naar de naastgelegen slaapkamer van [slachtoffer] is gelopen. (43) Toen [verdachte B] naast het bed stond, werd [slachtoffer] wakker. (44) Om geen argwaan te wekken, heeft [verdachte B] toen tegen de slaapdronken [slachtoffer] gezegd dat hij een probleem met de computer had en [slachtoffer] gevraagd of hij hem daarmee wilde helpen. Terwijl [slachtoffer] langzaam wakker werd en opstond om zich aan te kleden, heeft [verdachte B] snel het hakmes en de handschoenen naar de kamer van [verdachte D] - waar [verdachte D] en [verdachte A] zich nog steeds bevonden - gebracht. (45) Vervolgens is hij naar beneden gegaan, waar hij de computer heeft uitgezet en weer heeft aangezet, zodat het inlogscherm verscheen. (46) Kort hierna kwam ook [slachtoffer] naar beneden. (47) [slachtoffer] heeft opnieuw voor [verdachte B] ingelogd en is aansluitend weer naar bed gegaan. [verdachte B] is kort hierna weer naar de kamer van [verdachte D] gegaan.

Deze gang van zaken wordt bevestigd door [verdachte A], die heeft verklaard dat zij, toen zij in de slaapkamer bij [verdachte D] zat, de stemmen van [slachtoffer] en [verdachte B] heeft gehoord. Ook heeft zij gehoord dat beiden de trap afliepen en na verloop van tijd weer boven kwamen. (48)

Nadat [slachtoffer] weer naar bed was gegaan, heeft [verdachte A] voorgesteld om een half uurtje te wachten. [verdachte B] moest van haar zolang weer naar beneden gaan (49) [verdachte D] heeft dit voor [verdachte B] vertaald. (50) [verdachte D] was erg bang. Zij is de hele tijd op het bed blijven zitten en heeft gezegd: ''We gaan het toch niet echt doen?'' Zij was bang dat het echt ging gebeuren. (51) [verdachte D] stelde ook voor om het op te geven en zei tegen [verdachte B] dat hij moest stoppen. [verdachte A] heef toen echter gezegd dat het nu of nooit voor haar was en dat [verdachte B] het moest doen. (52)

Na enige tijd is [verdachte B] weer naar boven gekomen. In de kamer van [verdachte D] heeft hij opnieuw handschoenen aangetrokken en het hakmes gepakt. Vervolgens is hij voor de tweede keer naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan (53) Hier heeft hij [slachtoffer] met het hakmes in één keer de hals heeft doorgeslagen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. (54)

[verdachte B] is hierna teruggelopen naar de kamer van [verdachte D], waar [verdachte A] stond te wachten met het tweede mes in de handen. Ook [verdachte A] had handschoenen aangetrokken. In de kamer van [verdachte D] heeft [verdachte B] gezegd dat hij [slachtoffer] had doodgemaakt. Hij maakte daarbij een (slaande hak-)beweging met de woorden 'one time'. (55) [verdachte A] is hierop naar de slaapkamer van [slachtoffer] gelopen en heeft vervolgens met het tweede mes in de slaap van [slachtoffer] gestoken. Daarbij hield zij het mes met het lemmet naar beneden gericht in haar linkerhand bij de slaap van [slachtoffer], waarna zij met de rechterhand enkele malen op het heft sloeg (56). Bij de lijkschouwing zijn rechts aan het hoofd van [slachtoffer] [slachtoffer] verwondingen aangetroffen die hiermee stroken (57).

In de kamer van [verdachte D] hebben [verdachte A] en [verdachte B] hun handschoenen, de beide messen en de door [verdachte B] gedragen kleding in de door [verdachte A] meegenomen vuilniszak (58) gestopt. (59) [verdachte A] is vervolgens met deze zak in de hand naar de auto van [verdachte C] gelopen. [verdachte C] heeft deze zak hier van haar aangepakt en in de auto gezet.(60) [verdachte C] en [verdachte A] zijn vervolgens weer naar [plaats 3] gereden waar [verdachte C] de zak met een vogelbad heeft verzwaard en in het water heeft gegooid. (61) [verdachte C] wist al die tijd wat er gaande was. (62) Hij heeft tijdens het verhoor bij de politie ook gezegd dat het moordwapen in het water ligt, 'als het goed is'.(63) Hij zegt meegeholpen te hebben (64).

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank voorbij gaat aan de verweren die de raadsman ter zitting ten aanzien van het bewijs naar voren heeft gebracht. Daartoe geldt in de eerste plaats dat, anders dan door de raadsman is betoogd, uit niets blijkt dat tijdens de verhoren van verdachte op 7, 8 en 13 februari 2007, tijdens welke verhoren zij bekennende verklaringen heeft afgelegd, onaanvaardbare druk op haar is uitgeoefend of dat deze verhoren uitzonderlijk lang hebben geduurd. De rechtbank merkt hierbij volledigheidshalve op dat de raadsman bij pleidooi ook niet heeft aangegeven, welke gevolgen aan deze beweerdelijke omstandigheden zouden moeten worden verbonden.

Voorts stelt de rechtbank vast, dat vorenbedoelde bekennende verklaringen van verdachte nagenoeg volledig stroken met de bekennende verklaringen van de medeverdachte [verdachte B]. Deze verklaringen sluiten nauw op elkaar aan, waarbij dient te worden bedacht dat beide verdachten zich ten tijde van het afleggen van die verklaringen in alle beperkingen bevonden. Daar komt nog bij dat de aanwezigheid van verdachte in de woning aan de [adres 1] op het moment van de dood van [slachtoffer] wordt bevestigd door de medeverdachte [verdachte D] (65). De rechtbank acht de bij politie afgelegde bekennende verklaringen dan ook betrouwbaar. Het daarmee strijdige betoog dat verdachte pas in [plaats 1] is gearriveerd toen [slachtoffer] al dood was (verdachte heeft ter zitting kort samengevat verklaard dat zij op verzoek van [verdachte D] met [verdachte C] naar [plaats 1] is gekomen 'omdat er iets ergs was gebeurd' en dat vervolgens bleek dat [verdachte B] [slachtoffer] per ongeluk had gedood) acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

De vorenomschreven gang van zaken laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat verdachte en haar mededaders ter uitvoering van het voornemen om [slachtoffer] te doden een plan hebben beraamd en bij de tenuitvoerlegging van dat plan vervolgens nauw en bewust hebben samengewerkt. Daarmee is sprake van het medeplegen van moord.

4.4 De bewezenverklaring

Dat zij op 06 januari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente], tezamen

en in vereniging met anderen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben

verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, met één hakbijltje tegen de

hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en een klievende verwonding in de hals/keel

van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar aangezien niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het medeplegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie ziet verdachte als aanstichter van het delict. Zij is van oordeel dat het delict naar alle waarschijnlijkheid niet gepleegd zou zijn als verdachte uit de groep mededaders was verwijderd. Zij vindt de gedragingen van verdachte strafwaardiger dan die van de feitelijke uitvoerder.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar primair en subsidiair ten laste gelegde. Mocht verdachte wel worden veroordeeld dan is naar het oordeel van de verdediging de eis disproportioneel.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord. Moord is één van de zwaarste delicten die het wetboek van Strafrecht kent. De ernst daarvan is zo vanzelfsprekend dat dit geen nadere toelichting behoeft. In dit geval acht de rechtbank daarnaast nog het volgende van belang:

Het slachtoffer is in zijn eigen huis, terwijl hij sliep van het leven beroofd.

De dader heeft na zorgvuldige planning, voorbereiding en overleg met zijn mededaders, met een hakmes de keel van het slachtoffer doorgehakt. Het feit dat zowel verdachte als haar mededaders uit de directe (gezins)omgeving van het slachtoffer afkomstig zijn, geeft met de wijze waarop de moord is gepleegd, de feiten een wel buitengewoon luguber karakter.

De rechtbank ziet verdachte als de initiatiefnemer van deze moord. Zij heeft het plan bedacht en heeft hierbij anderen, waaronder haar eigen dochter, betrokken. Tevens heeft zij een coördinerende rol gehad bij de uitvoering van dit plan. Zij heeft de voor de moord bedoelde messen gekocht en heeft haar mededaders specifieke aanwijzingen gegeven. Op het moment dat [verdachte B] en [verdachte D] het plan niet meer wilden doorzetten, heeft verdachte [verdachte B] toch overgehaald. Verdachte en haar mededaders hebben een week de tijd genomen om de moord nauwkeurig voor te bereiden. Deze hele week hebben zij, in de wetenschap dat zij een mens zouden doden, gedaan alsof er niets aan de hand was.

Opvallend is de kilheid en de respectloosheid voor het leven van een ander waarmee verdachte en haar mededaders de week voorafgaand aan de moord zijn doorgekomen. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om de verwerpelijkheid van haar plan in te zien, maar zij heeft het plan niettemin uitgevoerd. De rechtbank acht de invloed van verdachte en haar rol in de groep essentieel voor de moord en is evenals de officier van justitie van oordeel dat zonder de aanwezigheid van verdachte in de groep de moord waarschijnlijk niet gepleegd zou zijn. Het motief voor de moord is de rechtbank niet duidelijk geworden. Verdachte had met haar jongste kind het huis verlaten en het slachtoffer stemde in met een echtscheiding. Dat verdachte voor de toekomst iets van hem te vrezen had, is niet gebleken.

Verdachte heeft de nabestaanden ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder voor [G] en [H], de twee minderjarige kinderen van het slachtoffer uit diens eerdere huwelijk. [G] en [H] moesten hun moeder al missen en hebben door toedoen van verdachte nu ook hun vader verloren. Een dergelijke gebeurtenis is voor een ieder ontwrichtend, maar het feit dat de kinderen geruime tijd met verdachte in gezinsverband hebben samengeleefd, maakt de impact van het handelen van verdachte op hen des te groter. Datzelfde kan worden gezegd van [I], het kind dat in 2006 uit het huwelijk van verdachte en het slachtoffer is geboren. [I] zal door toedoen van zijn eigen moeder moeten opgroeien zonder vader. Wat de reden ook heeft mogen zijn, niets kan deze daad rechtvaardigen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 28 maart 2008, opgemaakt en ondertekend door [J], Psycholoog en [K], psychiater.

Uit dit rapport komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens (antisociale trekken). Deze persoonlijkheidsproblematiek is echter niet zo ernstig dat een pathologisch niveau van een persoonlijkheidsstoornis bereikt wordt. De bij verdachte waargenomen opportunistische (antisociale) gedragskenmerken worden gezien als een uiting van haar pragmatisme, passend bij haar sociale en culturele achtergrond en te beschouwen als een mix van overlevingsstijl en egocentrisme. Verdachte komt naar voren als een op zichzelf gerichte vrouw, die zich goed bewust is van haar verantwoordelijkheden tegenover anderen, zoals haar kinderen, maar die onder omstandigheden geneigd is om opportunistische en antisociale gedragkeuzes te maken. Haar wat ijdele en theatrale presentatie zijn vanuit haar culturele achtergrond begrijpelijk en functioneel.

Ondanks de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens kan niet worden geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde door haar antisociale persoonlijkheidproblematiek werd beperkt in haar wilsvrijheid om zelfstandige gedragkeuzes te maken. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor doorwerking van een eventuele pathologie in het ten laste gelegde, achten de onderzoekers verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies, uit het voornoemde rapport over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 februari 2007 niet eerder voor levensdelicten met politie of justitie in aanraking is geweest.

Het voorgaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en zij zal derhalve een gevangenisstraf van een langere duur opleggen.

8. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 3.439,25.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3.439,25 subsidiair 47 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij].

8.2 Het standpunt van de verdediging

Voor zover het de vordering van de benadeelde partij betreft, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

[benadeelde partij], wonende te [plaats 4], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.439,25. Dit bedrag betreft blijkens de gegeven toelichting de kosten van de uitvaart van het slachtoffer.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken en is door de bij het voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd. Bovendien is zij eenvoudig van aard en vindt zij - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - rechtstreeks haar grondslag in het bij dagvaarding onder primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3.439,25 ten behoeve van [benadeelde partij].

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 47, 289;

10. De beslissing

De rechtbank

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het op dagvaarding onder

1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Medeplegen van moord

Verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 30 januari 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 2 februari2007,

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt

verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende [adres], een bedrag van € 3.439,25.

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 3.439,25 ten behoeve van [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. O. van der Burg, voorzitter,

J. Eisses en J.A. van Dorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Tjokrojoso, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2008.

(1) promisvonnis

(2) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer PL [nummer] van de politie Hollands Midden, gedateerd 26 maart 2006.

(3) blz. 3722

blz. 3838

(4) blz. 3838 en 3874

(5) blz. 3874

blz. 3874

(6) blz. 3838

(7) blz. 3722

(8) blz. 3735

(9) blz 3723

(10) Verklaring [verdachte D] bij de RC, d.d. 24 mei 2007

(11) blz. 3723

(12) blz. 2268

(13) blz. 3715/3724

(14) blz. 2269-2271

(15) blz. 3723

(16) blz. 3874

(17) foto blz 3720

(18) blz. 3724

(19) blz. 3838

(20) blz 3878-3879

(21) blz. 3874

(22) blz. 3870

(23) blz. 4183

(24) blz. 3899

(25) blz 2271; foto blz 3721

(26) blz. 3724

(27) blz. 3724

(28) blz. 3875

(29) blz. 3899

(30) blz. 4183

(31) blz. 3877

(32) blz. 4183

(33) blz 3779-3782, 1737, 1750-1751

(34) blz. 1624/1644

(35) blz. 3878

(36) blz. 190

(37) blz. 3878

(38) blz. 3878

(39) blz. 3878

(40) blz. 189

(41) blz. 3879

(42) blz. 3880

(43) blz 3868, 3880

(44) blz. 3881

(45) blz. 3881

(46) blz 3881

(47) blz 3881

(48) blz. 3726

(49) blz. 3881

(50) blz. 3881

(51) blz. 4177

(52) blz. 3881

(53) blz. 3716

(54) Sectie rapport, NFI nummer [nummer], d.d. 12 april 2007

(55) blz. 3716

(56) blz. 3882-3883

(57) Obductieverslag [slachtoffer] door [L], 12 april 2007, blz 7

(58) blz. 3880

(59) blz. 3883, 3727

(60) blz. 3716, 3970

(61) blz. 3970/3716

(62) blz. 3716

(63) blz. 4002

(64) blz. 3971

(65) Blz. 4177