Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6881

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
21-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/1632 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verweerder verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag ten behoeve van het aanvragen van de verlenging van een chauffeurspas. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder in afwijking van zijn beleid 5 jaar in plaats van 4 jaar heeft teruggekeken naar zijn antecedenten. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving worden de criteria gehanteerd die verweerder heeft neergelegd in de Circulaire Beleidsregels 2004. Volgens deze beleidsregels kan de afgifte van een VOG worden geweigerd, indien de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie en de aangetroffen antecedenten. Volgens de Circulaire geldt ten aanzien van een taxichauffeur dat de aanvrager vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie. Verweerder komt een ruime beoordelingsmarge toe ten aanzien van een aanvrager. Het bestreden besluit moet daarom door de rechtbank terughoudend worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voor het beroep van taxichauffeur gelden in verweerders beleid strengere regels met een langere terugkijkperiode. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/1632 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 29 maart 2006 heeft eiser verweerder verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (verder: VOG) ten behoeve van het aanvragen van de verlenging van een chauffeurspas.

Na het volgen van een voornemenprocedure heeft verweerder bij besluit van

1 augustus 2006 de verzochte afgifte geweigerd.

Eiser heeft daartegen bij verweerder bezwaar gemaakt.

Op 4 december 2006 heeft verweerder eiser en zijn raadsman tijdens een hoorzitting op het bezwaarschrift gehoord.

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 18 april 2007 zijn de gronden aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend

alsmede een verweerschrift, gedateerd 6 juli 2007.

Het beroep is op 10 december 2007 ter terechtzitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde,

mr. R.M.L. Theelen, advocaat te 's-Gravenhage.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mevrouw mr. M.D.L. Seijlhouwer-de Groot.

Motivering

1. De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of verweerder in redelijkheid in bezwaar heeft kunnen weigeren over te gaan tot afgifte van een VOG.

2. Eiser heeft in beroep, kort weergegeven, aangevoerd dat

- verweerder in afwijking van zijn beleid 5 jaar in plaats van 4 jaar heeft teruggekeken naar zijn antecedenten;

- verweerders besluit in feite een beroepsverbod betekent, hetgeen een punitieve sanctie inhoudt; een volle toetsing is dan aangewezen;

- verweerders beleid op 1 april 2004 in werking is getreden; het naast de normale strafbedreiging extra sanctioneren van antecedenten van vòòr deze datum is in strijd met het legaliteitsbeginsel;

- steeds de datum van de eerste veroordeling relevant is, niet de datum van het hoger beroep;

- in bezwaar een heroverweging ex nunc dient plaats te vinden; uitgaande van 1 februari 2007 kan dan tot ten hoogste 1 februari 2002 worden teruggekeken; op het arrest van het Hof 's-Gravenhage van 6 juli 2001 mag dan geen acht worden geslagen;

- het zogeheten rode draad-criterium alleen een rol speelt bij feiten die niet rechtstreeks in verband staan met de functie;

- hij sinds juli 2001 geen misdrijven meer heeft gepleegd; er geen materiële beoordeling van zijn strafblad heeft plaatsgevonden en de gevolgen voor hem van de toepassing van verweerders beleid onevenredig zijn;

- hij een beroep doet op verweerders inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van bijzondere omstandigheden.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder ter zitting zijn beroep op het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft ingetrokken. Kennisneming door eiser van zijn volledige strafblad (uittreksels uit de justitiële documentatie van 29 maart 2006 en 21 maart 2007) ontmoet daardoor in het licht van evengenoemd artikellid niet langer bezwaar.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser heeft verzocht om afgifte van een VOG ten behoeve van een aanvraag om verlenging van zijn chauffeurspas, ter uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur.

Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (verder: Wjsg) is een VOG, voor zover thans van belang, een verklaring van de Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon (...) ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van de betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon (...).

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de Minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt aangevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving worden de criteria gehanteerd die verweerder heeft neergelegd in de Circulaire Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke en rechtspersonen (verder: de Circulaire), vastgesteld bij besluit van verweerder van 17 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens deze beleidsregels kan de afgifte van een VOG worden geweigerd, indien de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie en de aangetroffen antecedenten, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of opdracht waarvoor de verklaring wordt gevraagd.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering (kunnen) vormen voor de afgifte van een VOG zijn in bijlage A bij de Circulaire een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

Volgens het screeningsprofiel voor de taxichauffeur als neergelegd in bijlage A van voornoemde Circulaire is de taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In die functie komt het vaak voor dat er een één op één-relatie is, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijk- heid. Verder gaan taxichauffeurs met contante en girale waarden om.

5.1 Volgens de Circulaire (toelichting op paragraaf 3.1, tweede alinea) geldt ten aanzien van een taxichauffeur dat de aanvrager vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie, althans dat er geen sprake mag zijn van relevante antecedenten. Met deze termijn is aangesloten op de geldigheidsduur van de chauffeurspas van eveneens vijf jaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerders beleid, als neergelegd in de Circulaire, zich beweegt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Verweerder heeft dan ook ten aanzien van eiser op goede gronden een terugkijktermijn van vijf jaar gehanteerd.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank is een besluit tot weigering van een VOG geen punitieve sanctie. Een dergelijk besluit is immers niet gericht op leedtoevoeging aan de aanvrager, maar op de bestuurlijke beoordeling van de ten aanzien van eiser naar voren gekomen antecedenten. Binnen de in de Circulaire getrokken beleidslijnen komt aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe bij het bepalen van de relevantie van ten aanzien van een aanvrager naar voren gekomen antecedenten in het licht van het screeningsprofiel taxichauffeur. Het bestreden besluit moet daarom door de rechtbank terughoudend worden getoetst.

5.3 Gelet op rechtsoverweging 5.2 is van het verbinden van een extra sanctie aan eisers strafbare feiten van vòòr 1 april 2004 geen sprake, zodat ook van strijd met het legaliteitsbeginsel als door eiser gesteld geen sprake is geweest.

5.4 Ten aanzien van eiser als taxichauffeur gold, als overwogen in rechts- overweging 5.1, een terugkijktermijn van vijf jaar. Aangezien eiser binnen deze termijn voorkwam in de justitiële documentatie, heeft het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag ten behoeve van de beoordeling gegevens uit de justitiële documentatie ontvangen tot twintig jaar terug. Dit betekent in concreto dat verweerder ook de veroordeling van eiser bij het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 6 juli 2001 bij zijn besluitvorming in beschouwing heeft genomen. Deze gang van zaken is in overeenstemming met de Circulaire (paragraaf 3.1, tweede alinea).

5.5 Verweerder heeft toegegeven dat in het bestreden besluit een aantal feiten ten onrechte onder het zogeheten rode draad-criterium is gebracht, aangezien deze feiten in rechtstreeks verband staan met de functie van eiser. Dit neemt naar verweerders oordeel echter niet weg dat de desbetreffende feiten wel in de beoordeling mochten worden meegewogen, zodat, ook bij een juiste benoeming, tot hetzelfde resultaat zou zijn gekomen.

De rechtbank acht deze redenering van verweerder juist. Het rode draad- criterium dient immers niet ter bescherming van de aanvrager van de VOG, maar biedt de mogelijkheid om een veroordeling voor feiten die niet in relatie staan tot de functie van de aanvrager niettemin in beschouwing te nemen, omdat zij een indruk kunnen geven van de integriteit van de betrokkene.

Veroordelingen voor feiten die wel functiegerelateerd zijn mogen binnen het geldende beleid zonder de hier besproken beperking in beschouwing worden genomen.

5.6 Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat de in beschou- wing te nemen antecedenten van eiser in het licht van de toepasselijke beleidsregels dienen te leiden tot een weigering van een VOG. Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar is sprake van één veroordeling wegens misdrijf en voorts is sprake geweest van verscheidene veroordelingen en transacties voor de overtreding van wetten en regels die beogen de veiligheid in het verkeer te waarborgen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van dat beeld een risico bestaat voor het welzijn en de veiligheid van personen in het verkeer, met name de passagiers in eisers taxi. Voorts wekken deze veelvuldige overtredingen volgens verweerder niet de indruk dat sprake is van een verantwoordelijk handelende taxichauffeur. Tenslotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het gegeven dat de weigering van een VOG feitelijk betekent dat eiser zijn beroep van taxi- chauffeur niet kan uitoefenen, niet kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid waarvoor het maatschappelijk belang dat verweerders beleid beoogt te beschermen zou moeten wijken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voor het beroep van taxichauffeur gelden in verweerders beleid strengere regels met een langere terugkijkperiode dan voor andere functies en een specifiek screeningsprofiel, waarin de risico's voor de samenleving van een niet integere beroepsuitoefening zijn opgenomen. Verweerders toetsing van de omtrent eiser voorliggende veroordelingen en transacties hebben in redelijkheid tot de weigering van een VOG kunnen leiden. Dat het eiser daardoor feitelijk onmogelijk wordt gemaakt zijn beroep van taxichauffeur langer uit te oefenen past in de doelstelling van verweerders beleid en vormt ook naar het oordeel van de rechtbank geen onevenredige uitkomst van dat beleid. Nu ook overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, bestond er voor verweerder geen aanleiding om ten aanzien van eiser van zijn beleid af te wijken.

6. Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

16 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. B.M. van der Meide.