Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6876

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
21-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/6480 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om afschriften van de correspondentie te verstrekken gehandhaafd met een beroep op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb van de correspondentie te hebben kennisgenomen, stelt de rechtbank vast dat deze onderdeel uitmaakt van een door de EC tegen de Staat aanhangig gemaakte inbreukprocedure. Niet onaannemelijk is dat openbaarmaking van de correspondentie tot een publieke discussie over de Nederlandse regelgeving ten aanzien van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning en de door partijen daarover ingenomen standpunten zal leiden. Geoordeeld is dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat artikel 10 van de Wob aan openbaarmaking van de correspondentie in de weg staat, kan buiten beschouwing blijven of verweerder artikel 10 van de Wob aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/6480 WOB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [land], eiseres,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op een verzoek van eiseres om verstrekking van afschriften van de correspondentie tussen de Europese Commissie (hierna: de EC) en de Nederlandse Staat (hierna: de Staat) inzake de herziening van de Nederlandse regelgeving ten aanzien van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning voor dienstverrichters uit bepaalde nieuwe lidstaten van de Europese Unie (hierna: de correspondentie).

Bij besluit van 16 juni 2006 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 juli 2006, ingekomen bij de rechtbank op 28 juli 2006, beroep ingesteld en dat beroep later van gronden voorzien.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en daarbij verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te bepalen dat alleen de rechtbank van de correspondentie kennis neemt. Tevens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 november 2007 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.G. van den Breugel.

Eiseres heeft desgevraagd toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het verweerschrift.

Het beroep is op 18 december 2007 opnieuw ter zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dam onderscheidenlijk mr. V.G. van den Breugel.

II. Motivering

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om afschriften van de correspondentie te verstrekken gehandhaafd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het belang van een goede rechtspleging aan openbaarmaking van de correspondentie in de weg staat, omdat een mogelijke publieke discussie daarover een vertekend beeld van de zaak zou kunnen geven en een voor de Staat ongunstige uitkomst van de aanhangig gemaakte inbreukprocedure tot gevolg zou kunnen hebben. Dat zou vervolgens kunnen leiden tot het indienen van financiële claims bij de Staat vanwege ten onrechte opgelegde boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). In zoverre stelt verweerder zich tevens op het standpunt dat het belang van openbaarmaking van de correspondentie niet opweegt tegen de financiële of economische belangen van de Staat, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob.

2. Eiseres betoogt dat zich geen uitzonderingsgronden, als bedoeld in artikel 10 van de Wob, voordoen en dat ten onrechte is geweigerd afschriften van de correspondentie te verstrekken. Wat betreft het mogelijk ontstaan van een vertekend beeld van de zaak wijst zij erop dat verweerder voorlichting kan geven of andere maatregelen kan treffen om het ontstaan van een vertekend beeld te voorkomen. Voorts valt volgens eiseres niet in te zien hoe de mening van het publiek aan een goede rechtspleging in de weg kan staan. Daarnaast stelt zij dat belang bestaat bij de openbaarmaking van de correspondentie om deze te kunnen inbrengen in procedures die tegen het opleggen van een boete op grond van de Wav worden gevoerd. Voorts stelt eiseres dat de Wob de Staat niet beoogt te beschermen tegen claims die vanwege het ten onrechte opleggen van een boete gerechtvaardigd zijn.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid van dat artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen:

b) de economische of financiële belangen van het bestuursorgaan en

g) het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

4. Allereerst staat ter beoordeling of verweerder openbaarmaking van de correspondentie achterwege heeft mogen laten op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob neergelegde grond.

5. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de inbreukprocedure ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in de administratieve fase verkeerde, hetgeen ook thans nog het geval is. De mogelijkheid is aanwezig dat de Staat in deze kwestie voor het Hof van de Europese Gemeenschappen zal worden gedaagd. Nu geen aanleiding bestaat voor twijfel aan deze verklaring, gaat de rechtbank er bij haar oordeelsvorming van uit dat de inbreukprocedure nog niet is beëindigd.

6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meermalen heeft overwogen, onder andere in de uitspraak van 19 september 2007 in zaak no. 200608266/1 (LJN: BB3830) dient het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvorming. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon, de bedoeling of belangen van degene die om openbaarmaking verzoekt. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook uitsluitend betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. Het door eiseres gestelde belang bij het kennisnemen van de correspondentie om deze te kunnen betrekken bij procedures in het kader van de Wav is een specifiek belang van eiseres en kan derhalve niet bij de belangenafweging in het kader van de Wob worden betrokken. De stelling van eiseres dat partijen in andere in het kader van de Wav aanhangige procedures eveneens belang bij kennisneming van de correspondentie hebben, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een algemeen belang bij openbaarmaking, als bedoeld in de Wob.

7. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb van de correspondentie te hebben kennisgenomen, stelt de rechtbank vast dat deze onderdeel uitmaakt van een door de EC tegen de Staat aanhangig gemaakte inbreukprocedure. Niet onaannemelijk is dat openbaarmaking van de correspondentie tot een publieke discussie over de Nederlandse regelgeving ten aanzien van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning en de door partijen daarover ingenomen standpunten zal leiden. Dat druist in tegen het belang van partijen hun standpunten in deze fase van de inbreukprocedure zonder beïnvloeding van buitenaf uit te wisselen. Voorts zou met een publieke discussie op de afloop van de inbreukprocedure worden vooruitgelopen, hetgeen het goede verloop daarvan zou kunnen belemmeren. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking van de correspondentie vóór de afloop van de administratieve fase het belang van de Staat als partij in de inbreukprocedure zou kunnen schaden. Verweerder heeft dit belang terecht betrokken in de in het kader van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob te verrichten belangenafweging en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het belang van de Staat bij het voorkomen van een onevenredige benadeling meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het algemene belang bij openbaarmaking.

8. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking de uitspraak van 5 maart 1997, no. T 105/95, WWF UK/Commissie, van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: het GvEA) op grond van de Gedragscode inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de Commissie, welke gedragscode is voorafgegaan aan de Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. In die uitspraak heeft het GvEA geoordeeld dat de vertrouwelijkheid, die de lidstaten in geval van een onderzoek naar een eventuele inbreuk op het gemeenschapsrecht van de EC mogen verwachten, het uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang rechtvaardigt dat geen toegang wordt verleend tot documenten met betrekking tot onderzoeken die eventueel tot een niet-nakomingsprocedure zouden kunnen leiden, zelfs indien na sluiting van die onderzoeken geruime tijd is verstreken.

9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Nu is geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob aan openbaarmaking van de correspondentie in de weg staat, kan buiten beschouwing blijven of verweerder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. A.L. Frenkel, G.P. Kleijn, en A.P. Pereira Horta en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.