Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6792

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/1233 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging in de resterende verdiencapaciteit bij toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft geen rechtsgevolg dat rechtsbescherming in het kader van dit besluit mogelijk maakt. Daarbij is niet van belang of sprake zou zijn van een zelfstandig besluitonderdeel. De wijziging in de resterende verdiencapaciteit heeft geen rechtsgevolg voor de toekenning, de duur en de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering, nu eiseres onveranderd blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%. Evenmin heeft de wijziging in de resterende verdiencapaciteit bij toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering rechtsgevolg voor de aan deze uitkering verbonden reïntegratieverplichtingen of voor de aanspraken op een loonaanvullings- of vervolguitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/1233 WIA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder eiseres een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 13 april 2006 toegekend, te weten een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 15 februari 2007, ingekomen bij de rechtbank op 16 februari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 3 april 2008 ter zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.B. Vogt.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak ter verdere afdoening verwezen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is opnieuw ter zitting behandeld op 14 mei 2008. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

Motivering

Eiseres is op 15 april 2004 uitgevallen met rugklachten en psychische klachten voor haar werk als hoofd ziekenverzorgende voor de BV Zorgwerk te Rotterdam en voor haar werk als ziekenverzorgende via Tempo Team uitzendbureau.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 13 april 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor zij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 65,76%. Hangende beroep heeft verweerder, zich baserend op het rapport van 13 april 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige, het verlies aan verdiencapaciteit nader berekend op 72,82%.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door de verzekeringsarts op 4 april 2006 lichamelijk en psychologisch is onderzocht. Tevens heeft deze arts, alvorens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen, dossierstudie verricht en telefonisch informatie ingewonnen bij de behandelende psycholoog. Eiseres is door de bezwaarverzekeringsarts op 18 september 2006 lichamelijk en psychologisch onderzocht. Tevens heeft deze arts informatie van derden, verkregen tijdens de bezwaarprocedure, meegewogen in zijn standpunt. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts een psychologische expertise laten verrichten door gezondheidszorgpsycholoog drs. J.F.L.M. van Kemenade. Het rapport van 29 november 2006 van Van Kemenade is betrokken bij de oordeelsvorming.

Evenmin zijn er aanknopingspunten dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is, mede gezien de conclusies omtrent de arbeidsgeschiktheid van eiseres blijkend uit de psychologische rapportage van Van Kemenade. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat ten aanzien van werken voor eiseres een aantal beperkingen bestaat. Hij heeft geconcludeerd dat eiseres is beperkt ten aanzien van stresserende werkzaamheden en onregelmatige werktijden in verband met structuur. Hoewel eiseres geen moeheidklachten claimt en in het dagverhaal geen energetische beperkingen zijn te objectiveren, acht de verzekeringsarts als gevolg van haar psychische aandoening een urenbeperking van 6 uur per dag tijdelijk geïndiceerd. Ten aanzien van de lichamelijke klachten heeft eiseres al jaren rugklachten op basis van een rugaandoening. Eiseres zal dus worden beperkt ten aanzien van zwaar rugbelastende werkzaamheden. Gelet op de hoge bloeddruk acht de verzekeringsarts eiseres ook beperkt ten aanzien van alle fysiek zware werkzaamheden.

De beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in de FML. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens tot de conclusie gekomen dat met de beperkingen van eiseres in de FML voldoende rekening is gehouden.

De ingeschakelde onafhankelijke deskundige Van Kemenade onderschrijft de conclusies van de verzekeringsartsen. Volgens hem zijn er geen principiële redenen waarom eiseres arbeidsongeschikt zou zijn. Wel is er een aantal factoren aan te wijzen die als beperkingen gelden. De eerste daarvan is dat eiseres gedurende de tijd dat ze een adequate psychotherapie volgt, enigszins beperkt inzetbaar is in het arbeidsproces. De tweede is dat ze niet terugkeert in het beroep als ziekenverzorgende. Voor het alternatief, namelijk administratieve en secretariële werkzaamheden, zijn er geen bezwaren. Bijkomend voordeel van het verrichten van arbeid is dat ze deels weer verantwoordelijk wordt voor haar inkomen, wat waarschijnlijk haar zelfwaardering in positieve zin bevordert. Tevens brengt eiseres in haar dagelijkse leven een meer zinvolle structuur aan dan thans het geval is en gaat ze meer met allerlei mensen om. Dit zijn allemaal zaken die haar leven meer inhoud en genoegdoening kunnen geven en als zodanig bij elkaar genomen een verder afglijden in regressie kunnen voorkomen, of de paniekstoornis en de fobische klachten kunnen doen opklaren.

Er is geen grond om aan te nemen dat de verzekeringsarts de uitkomsten van de psychologische expertise onjuist zou hebben weergegeven in de FML. Alle in de expertise genoemde beperkingen zijn voldoende in de FML terug te vinden. Eiseres heeft voorts in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen.

Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige voor eiseres de functies telefonist, receptionist (sbc-code 315120), administratief medewerker (sbc-code 315090) en verkoper winkel (sbc-code 317014) geduid. Als reserve is de functie boekhouder, loonadministrateur (sbc-code 315040) geselecteerd. De functies, vastgesteld door de primaire arbeidsdeskundige, zijn door de bezwaararbeidsdeskundige als passend voor eiseres beschouwd.

De rechtbank stelt vast dat de belastbaarheid van de geduide functies past binnen de opgestelde FML. Voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen (een M, een G, of een *) is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 27 april 2006 afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiseres op de in geding zijnde datum. Niet is gebleken dat daarbij de belasting van de functies is gerelativeerd. Eiseres was dan ook per 13 april 2006 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat ten onrechte maximering van de urenomvang van de maatman heeft plaatsgevonden. Hangende beroep heeft verweerder dit erkend. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 13 april 2007 afgezien van maximering en rekening gehouden met een maatmanomvang van 60 uur per week. De reductiefactor heeft de bezwaararbeidsdeskundige bepaald op 30/60, zijnde het aantal op basis van de medische urenbeperking mogelijk te werken uren gedeeld door het voor eiseres gebruikelijk aantal te werken uren. Onder toepassing van deze reductiefactor is het verlies aan verdiencapaciteit opnieuw berekend en vastgesteld op 72,82%. De rechtbank stelt evenwel vast dat de bezwaar¬arbeidsdeskundige bij de berekening is uitgegaan van een onjuiste reductiefactor van 30/60. Immers, in de geduide functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, geldt dat daarin per week minder uren kan worden gewerkt dan het voor eiseres gebruikelijk aantal te werken uren van 60 uur per week. Toepassing van artikel 3 van het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004, dat een juiste wetstoepassing is, leidt er toe dat de reductiefactor niet 30/60 is, maar 24/60. Toepassing van de juiste reductiefactor brengt met zich dat het verlies aan verdiencapaciteit op 78,23%, en dus de resterende verdiencapaciteit op 21,77%, dient te worden vastgesteld.

Nu eiseres, ondanks de wijziging van het verlies aan verdiencapaciteit in beroep van 65,75% naar 78,23%, onveranderd blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%, wordt van belang beantwoording van de vraag of deze wijziging en dus de wijziging in de resterende verdiencapaciteit zelfstandig rechtsgevolg heeft.

De rechtbank overweegt hierover -de rechtsgronden ambtshalve aanvullend- als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het rechtsgevolg van het primaire besluit van 31 mei 2006 en het bestreden besluit gelegen in de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering voor de duur van vier jaar. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft de nadere vaststelling van de resterende verdiencapaciteit geen gevolg voor de toekenning van de WGA-uitkering. Eiseres blijft immers onveranderd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80% en heeft derhalve als gedeeltelijk arbeidsgeschikte ingevolge artikel 54 in samenhang met artikel 5 van de Wet WIA recht op een WGA-uitkering. De duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is ingevolge artikel 59 van de Wet WIA afhankelijk van het arbeidsverleden. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering bedraagt ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA, zoals dat luidde ten tijde hier in geding, 70% van het dagloon danwel bij verworven inkomen 70% van het verschil tussen het dagloon en het verworven inkomen (met als bovengrens het maximum dagloon zoals dat is neergelegd in de Wet financiering sociale verzekeringen). Hieruit volgt dat bij het bepalen van de duur en de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering de resterende verdiencapaciteit geen rol speelt. De nadere vaststelling van de resterende verdiencapaciteit heeft dan ook geen rechtsgevolg voor de toekenning, de duur en de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering.

Beoordeeld dient verder te worden of de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit in het besluit tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering enig ander rechtsgevolg heeft, te weten enig ander rechtsgevolg dat rechtsbescherming in het kader van dit besluit mogelijk maakt. Daarbij is niet van belang of sprake zou zijn van een zelfstandig besluitonderdeel. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aan het recht op een WGA-uitkering zijn voor de verzekerde reïntegratie¬verplichtingen verbonden. Deze verplichtingen staan vermeld in de artikelen 27 tot en met 30 van de Wet WIA. Het betreft hier de informatieplicht en medewerking aan controle (artikel 27), verplichtingen ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering (artikel 28), verplichtingen gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid (artikel 29) en verplichtingen die zijn gericht op inschakeling in de arbeid (artikel 30). Concretisering van deze verplichtingen vindt plaats in de reïntegratievisie. Artikel 39, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat verweerder, nadat het recht op een WGA-uitkering is vastgesteld, in samenspraak met de verzekerde een reïntegratievisie vaststelt waarin verplichtingen en rechten van de verzekerde zijn vermeld. Ingevolge artikel 39, derde lid, van de Wet WIA kan voorts een reïntegratieplan worden opgesteld.

De rechtbank stelt vast dat alleen de verplichtingen die zijn gericht op inschakeling in de arbeid zijn gekoppeld aan de resterende verdiencapaciteit.

Artikel 30, eerste lid, van de Wet WIA noemt drie verplichtingen die zijn gericht op inschakeling in de arbeid. Artikel 2 van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA bepaalt dat van de verplichtingen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet WIA, is vrijgesteld de verzekerde die zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut. Artikel 30, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde die zijn resterende verdiencapaciteit niet volledig benut, verplicht is zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registeren, als verweerder daartoe opdracht geeft (de registratieverplichting). De rechtbank overweegt dat zowel het al dan niet verlenen van vrijstelling van de arbeidinschakelende verplichtingen als de opdracht om te voldoen aan de registratieverplichting dient te geschieden door middel van het nemen van een besluit waartegen rechtmiddelen kunnen worden aangewend. In dat kader kan de resterende verdiencapaciteit naar het oordeel van de rechtbank opnieuw onderwerp van geschil zijn. Dat de resterende verdiencapaciteit op dat moment in volle omvang onderwerp van geschil kan zijn, volgt reeds uit het feit dat de resterende verdiencapaciteit, zoals vastgesteld bij de toekenning van de WGA-uitkering, geen statisch gegeven is. Gedurende de loop van de loongerelateerde WGA-uitkering kan de resterende verdiencapaciteit immers wijzigen omdat de arbeidsmogelijkheden kunnen toe- of afnemen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit bij toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering geen rechtsgevolg heeft voor de aan deze uitkering verbonden reïntegratieverplichtingen van de verzekerde.

De resterende verdiencapaciteit vormt verder de grondslag voor de berekening van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA. Dat artikel bepaalt dat de inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk is aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uikering is verstreken, bestaat ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA de WGA-uitkering in het geval de verzekerde ten minste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut uit een loonaanvullingsuitkering en in het geval de verzekerde niet ten minste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut uit een vervolguitkering.

De vraag is of in dit kader de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering rechtsgevolg heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe het volgende. Uit de wetsgeschiedenis kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat met de vaststelling van de inkomenseis en dus met de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit zelfstandig rechtsgevolg is beoogd. Uit die wetsgeschiedenis komt naar voren dat de vaststelling van de inkomenseis bij de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering een meer informatief karakter heeft. In de memorie van toelichting bij de Wet WIA is daarover het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 3, p. 64): “De hierboven geschetste uitkeringsstructuur heeft tot gevolg dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte er belang bij heeft dat hij in een zo vroeg mogelijk stadium weet wat hij moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen. Daarom zal hij bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering worden geïnformeerd over deze inkomenseis, en zal hem worden meegedeeld wat 50% van zijn resterende verdiencapaciteit op dat moment inhoudt. Daarbij zal wel de kantekening worden geplaatst dat de resterende verdiencapaciteit in de loop der tijd nog kan wijzigen, omdat zijn arbeidsmogelijkheden kunnen toe- of afnemen. Vervolgens zal hem uiterlijk twee maanden voor afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering worden meegedeeld welk bedrag hij ten minste moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen.”

Uit het vorenstaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verweerder voor afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering een nader besluit dient te nemen waarin wordt bepaald of de verzekerde in aanmerking komt voor een loonaanvullingsuitkering of voor een vervolguitkering. Tegen zo’n besluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. In dat kader kan de resterende verdiencapaciteit opnieuw onderwerp van geschil zijn, nu de resterende verdiencapaciteit, zoals deze is vastgesteld bij toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering, geen statisch gegeven is. Gedurende de loop van de WGA-uitkering kan de resterende verdiencapaciteit wijzigen. Dit blijkt ook uit artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA waarin is bepaald dat de inkomenseis wordt herzien nadat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ten minste twee kalendermaanden heeft voortgeduurd.

Gelet op het vorenstaande heeft de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering ook geen rechtsgevolg voor de aanspraken op een loonaanvullings- of vervolguitkering.

De rechtbank heeft in de Wet WIA en de daarop gebaseerde regelgevingen geen andere mogelijke rechtsgevolgen kunnen vinden.

De rechtbank komt tot de slotsom dat bij deze toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering de wijziging in de resterende verdiencapaciteit in beroep van 34,24% naar 21,77% geen rechtsgevolg heeft.

Dit laat onverlet dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de urenomvang van de maatman heeft gemaximeerd en dus heeft gehandeld in strijd met het Schattingsbesluit.

Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het Schattingsbesluit. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder in beroep alsnog maximering van de urenomvang van de maatman achterwege heeft gelaten, zij het niet geheel juist.

Aangezien eiseres met het vervullen van de geduide functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatman het verlies aan verdiencapaciteit 78,23% bedraagt, heeft verweerder terecht eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift)

1 punt wordt toegekend.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 38,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,-, welk bedrag het Uitvoeringsinstituut werknemers¬verzekeringen aan eiseres moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S. Verheijen, mr. D.A. Verburg en mr. E. Dijt en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van der Heide.