Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6786

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
AWB 07-5791 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van eiser om deelname aan de Kunstkoopregeling heeft kunnen komen. Advies van de Advies Commissie Kunstkoop voldoet aan eis dat eiser enigermate inzicht wordt verschaft in gedachtengang die eraan ten grondslag ligt. De beoordeling door de Commissie is anders dan die van de door eiser geraadpleegde deskundigen, die niet beschikken over de stukken die door de Commissie bij haar beoordeling zijn betrokken, waardoor hun oordeel op zichzelf staat en niet in vergelijking tot stand is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/5791 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Mondriaan Stichting, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 december 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om zijn galerie voor de periode 2006 - 2007 toe laten tot de KunstKoopregeling (hierna: de Regeling).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 januari 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaar door verweerder op 16 april 2007.

Bij besluit van 18 juni 2007, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 juli 2007, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 23 augustus 2007 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 2 juni 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Tideman en B. Luiten.

II Motivering

1.1 De Mondriaan Stichting is een op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: de Wsc) door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgerichte rechtspersoon die tot doel heeft het instandhouden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van een of meer cultuuruitingen te bevorderen door daartoe subsidies te verstrekken.

1.2 Ingevolge artikel 11 van de Wsc verstrekt het bestuur van een fonds subsidies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bij beschikking.

1.3 Ingevolge artikel 10, vierde lid en vijfde lid, van deze wet is, voor zover hier van belang, stelt het bestuur van een fonds een of meer reglementen vast, die slechts in werking treden na goedkeuring door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en na die goedkeuring door het bestuur worden geplaatst in de Staatscourant. Het Algemeen Reglement Mondriaan Stichting is een reglement als hier bedoeld. De Regeling is een deelreglement als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Algemeen Reglement en is geplaatst in Stcrt. 2002, 162.

1.4 In de Regeling is wat betreft de criteria en voorwaarden die verweerder hanteert bij de beoordeling van de aanvragen om deelname aan de Regeling voor zover hier van belang - het volgende vermeld.

"Onder meer vanwege de beperkte hoeveelheid beschikbare middelen is selectie noodzakelijk. Daarom zullen aanvragen in de regel, na een formele toetsing, aan deskundige adviseurs worden voorgelegd. Daarbij wordt getoetst of de galerie voldoet aan de eisen die aan een professionele werkende galerie kunnen worden gesteld en of de galerie voldoet aan de kwaliteitseisen.

(...)

Voorts moet het aanbod van de galerie blijkens haar tentoonstellingsprogramma's getuigen van voldoende kwaliteit. Deze kwaliteit betreft niet alleen het werk van de afzonderlijke kunstenaars, maar ook het expositieprogramma als geheel. Het gaat hier dus om twee verschillende toetsen. Een expositieprogramma dat uit werk bestaat dat de kwaliteitstoets op individueel niveau kan doorstaan, kan desondanks in zijn geheel als onvoldoende worden beoordeeld.

(...)

Bij de selectie van de ontvangen aanvragen wordt rekening gehouden met het beschikbare totaalbudget. Omdat de Mondriaan Stichting het wenselijk vindt dat een redelijk rentebudget per galerie beschikbaar kan worden gesteld, is het totaal aantal galeries dat kan worden toegelaten beperkt. Bij de beoordeling welke galeries worden toegelaten spelen de voornoemde criteria voor kwaliteit en professionaliteit een doorslaggevende rol."

2.1 Eiser is eigenaar van "Kunstzaal [naam eiser]". Hij heeft op 13 december 2006 een aanvraag voor deelname aan de Regeling voor de periode 2007 2008 bij verweerder ingediend.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat de kwaliteit van het tentoonstellingsprogramma, alsmede de ambachtelijke kwaliteit van de getoonde werken onvoldoende zijn. Volgens verweerder is het programma artistiek inhoudelijk ook niet van een hoger niveau dan in 2004, terwijl eiser toen is medegedeeld dat dit niveau omhoog moest om in 2006 in aanmerking te komen voor deelname aan de Regeling. Verweerder heeft zijn besluit mede gebaseerd op het advies van de Advies Commissie Kunstkoop over de aanvraag. Na vergelijking met andere galeries oordeelde deze commissie de artistieke kwaliteit van het programma van Kunstzaal [naam eiser] op basis van de ingediende aanvraag van minder hoog niveau. Verweerder heeft geen aanleiding gezien van het advies af te wijken. Bij het bestreden besluit is de afwijzing gehandhaafd.

2.3 Eiser betwist dat de kwaliteit van zijn programma en van de getoonde werken onvoldoende is. Volgens eiser is het programma niet achteruit gegaan, hij werkt nog met veel dezelfde kunstenaars als voorheen, toen hij wel voor deelname aan de Regeling in aanmerking kwam. Naar aanleiding van de opmerkingen van verweerder in 2004 heeft eiser meer thematentoonstellingen georganiseerd. Eiser toont figuratieve kunst die wereldwijd bezig is met een come back. Volgens eiser sluit zijn programma goed aan bij de hedendaagse ontwikkelingen. Eiser meent dat hij zich van andere galeries onderscheidt met werk dat elders nauwelijks is te zien.

Een galerie die sinds 1998 tot de Regeling is toegelaten, kan niet ineens op onduidelijke gronden worden geweerd, aldus eiser. Zowel in bezwaar als in beroep heeft eiser een aantal adhesiebetuigingen overgelegd.

3.1 Toelating tot de Regeling geldt voor een periode van twee kalenderjaren. Na afloop van deze periode kan de galerie geen kunstwerken verkopen met toepassing van de Regeling, tenzij de galerie tijdig een nieuwe aanvraag heeft ingediend en op basis van deze aanvraag opnieuw tot de Regeling is toegelaten. Naar aanleiding van zijn aanvragen in 2002 en 2004 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de galerie zich duidelijker artistiek-inhoudelijk moet profileren om voor deelname aan de Regeling in aanmerking te blijven komen.

3.2 Overeenkomstig het bepaalde in de Regeling heeft verweerder alle aanvragen voor deelname aan de Regeling voor de periode 2007 2008 voorgelegd aan de Advies Commissie Kunstkoop (hierna: de commissie).

De commissie bestond uit: A. Birnie, hoofd ING Art Management en gecertificeerd taxateur moderne en hedendaagse kunst, voorzitter, M. van Schijndel, directeur van CBK De Krabbedans te Eindhoven en X. Karskens, conservator moderne en hedendaagse kunst van De Hallen Haarlem, te Haarlem. De deskundigheid van de commissie is door eiser niet betwist.

3.3 De commissie heeft verweerder geadviseerd de aanvraag van eiser niet te honoreren. Volgens de commissie is - samengevat weergegeven - niet voldaan aan de in 2004 gestelde voorwaarde. De kwaliteit van het tentoonstellingsprogramma en de ambachtelijke kwaliteit van de werken is niet meer voldoende. Binnen het geheel van ingediende aanvragen in 2006 is het kwaliteitsniveau van Kunstzaal [naam eiser] niet meer toereikend, aldus de commissie.

3.4 In gevallen als het onderhavige, waarbij het gaat om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen die zich niet licht in woorden laten (samen)vatten, kunnen aan dergelijke adviezen slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld. Het gaat erom dat de aanvrager enigermate inzicht wordt verschaft in de gedachtengang die eraan ten grondslag ligt (zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 25 juni 2003, LJN: AH 8613). Het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies voldoet aan die eis. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van de commissie naar inhoud of wijze van totstandkoming onvolledig is of zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich daarop niet - of niet zonder meer - heeft mogen baseren.

3.5 De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het positieve oordeel dat vijf door eiser geraadpleegde deskundigen blijkens hun adhesiebetuigingen over de galerie hebben gegeven. De commissie heeft van deze adhesiebetuigingen kennis genomen, maar daarin geen aanleiding gezien op haar advies terug te komen. Zoals ter zitting nader toegelicht, komt de commissie tot haar advies na een vergelijkende beoordeling van alle aanvragen in een gezamenlijke discussie aan de hand van de criteria van de Regeling, op basis van de door de galerieën ingediende beleidsplannen en programma's. Deze beoordeling is daardoor anders dan die van de door eiser geraadpleegde deskundigen, die niet beschikken over de stukken die door de commissie bij haar beoordeling zijn betrokken, waardoor hun oordeel op zichzelf staat en niet in vergelijking tot stand is gekomen. Deze beoordelingsmethode houdt voorts in dat de leden van de commissie voor hun oordeelsvorming de galerieën niet bezoeken of gebruikmaken van recensies.

3.4 Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de in bezwaar gehandhaafde afwijzing heeft kunnen komen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr B. Bastein, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. G.P. Kleijn, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.M.A. Demetriadis.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.