Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6783

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/6742 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

schadevergoeding na herroepen besluit tot ongeldig verklaren rijbewijs; hoorplicht en bewijsstukken; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/6742 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; verweerster.

I Ontstaan en loop van het geding

1. Eiser heeft bij brief van 26 oktober 2006 verzocht om vergoeding van inkomstenderving betreffende een periode van circa 5 maanden in 2006. Hij heeft gesteld onregelmatige inkomsten te hebben. Ter adstructie heeft hij salarisspecificaties over de eerste drie maanden van 2006 overgelegd. Eiser acht een bedrag van € 2500,-- ter finale kwijting acceptabel.

2. Bij besluit van 2 maart 2007 heeft verweerster het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

3. Bij brief van 17 augustus 2007 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift.

4. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het beroep van eiser wordt derhalve geacht mede gericht te zijn tegen laatstgenoemd besluit.

5. Bij brief van 25 september 2007 heeft eiser een aanvulling op zijn beroepschrift ingediend.

6. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

7. Het beroep is op 4 juni 2008 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Lagerweij. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H. Krajenbrink.

II Motivering

1. Gelet op art. 8:7, tweede lid van de Awb, was de Rechtbank te Haarlem bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Eiser heeft zijn beroep ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank Haarlem heeft ingestemd met de behandeling door deze rechtbank.

Ter zitting bij laatstgenoemde rechtbank hebben partijen aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de behandeling en berechting van de zaak door deze rechtbank.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep ingediend op 17 augustus 2007 ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede geacht wordt te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2007. Niet in geschil is dat verweerder niet tijdig een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van eiser.

Met het besluit van 24 augustus 2007 is het belang van eiser bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar echter komen te vervallen en zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. In dit geding dient nog te worden beoordeeld of het besluit van 24 augustus 2007 in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden de toetsing aan de geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

4. Het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerster van 6 april 2006 2006, waarin het rijbewijs van eiser ongeldig is verklaard, is door verweerster op 9 oktober 2006 gegrond verklaard. Eerstgenoemd besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens onvoldoende medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid en -geschiktheid is daarbij herroepen. De onrechtmatigheid van het besluit van 6 april 2006 staat daarmee in rechte vast.

Het onderhavige geschil betreft de vraag of verweerster het verzoek van eiser om een schadevergoeding van € 2500,-- in verband met inkomstenderving op goede gronden heeft afgewezen.

5. Eiser heeft aan zijn beroep ten grondslag gelegd dat verweerster het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, nu zij heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de inkomstenderving van eiser in de periode dat zijn rijbewijs is ingenomen. Ten slotte heeft verweerster ten onrechte nagelaten eiser naar aanleiding van zijn bezwaarschrift te horen.

6. Verweerster stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in genoemde periode geen inkomsten heeft kunnen genereren.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1 Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb moet wie een aanvraag voor een zuiver schadebesluit doet, de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De stelplicht ten aanzien van de schade en het causale verband rust in de primaire fase bij de aanvrager. Van de aanvrager mag worden verlangd dat hij naar beste kunnen beantwoordt aan zijn in artikel 4:2 van de Awb neergelegde verantwoordelijkheid. Tegenover artikel 4:2, tweede lid, staat de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan, neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank legt de betekenis van die bepalingen aldus uit dat de aanvrager bij zijn aanvraag al een begin van bewijs moet leveren.

7.2 Met betrekking tot de grond van eiser dat hij niet op zijn bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

De bezwaarschriftprocedure is onder meer bedoeld om een aanvrager gelegenheid te geven nadere gegevens en bescheiden in te brengen als bewijs.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eiser kon worden afgezien. Dit klemt temeer nu verweerster de onrechtmatigheid van het besluit van 6 april 2006 niet betwist en eiser – die taxi-chauffeur is - heeft verzocht om schadevergoeding vanwege inkomstenderving over de periode dat verweerster het rijbewijs van eiser ongeldig heeft verklaard. Mede door het horen in de bezwaarfase zou eiser de kans zijn geboden de door hem gestelde schade nader met bewijsstukken te onderbouwen.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerster wordt opgedragen een nieuwe beslissing op het door eiser ingediende bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

9. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, te weten € 322,- voor het beroepschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep voor zover gericht tegen beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;

2. Verklaart het beroep voor het overige gegrond;

3. Vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2007, kenmerk 2005018529;

4. Draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

5. Bepaalt dat Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,--, vergoedt;

6. Veroordeelt verweerster in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten zij aan eiser dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. G.P. Kleijn en in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.G. Egter van Wissekerke.