Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6777

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/8190 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling op grond van artikel 19, lid 1, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor nieuwbouw van het ROC te Leiden bij station Leiden Lammenschans. Aan het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt kleven gebreken. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen nu het bouwplan blijkens na het bestreden besluit uitgebrachte rapporten kan voldoen aan de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 07/8190 WRO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

De Buurtbelangenvereniging tegen ROC Lammenschans, verzoekster, gevestigd te Leiden, ten aanzien van het besluit van 18 september 2007 van het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

Derde partij: Community College Leiden BV, vergunninghoudster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 december 2006 heeft verweerder aan Community College Leiden BV een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouwencomplex ten behoeve van onderwijsdoeleinden, een supermarkt en een parkeergarage, plaatselijk bekend Lammenschanspark, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie O, nrs. 1618, 4442 en 5217. Daartoe heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) bij besluit van 22 december 2006 aan Community College Leiden BV vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Onder meer verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij brief van 20 april 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van de bouwvergunning totdat op het bezwaar is beslist. Bij zijn uitspraak van

21 mei 2007 (registratienummer AWB 07/2979 WRO) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2007 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, het bezwaar van onder meer verzoekster ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 november 2007 beroep ingesteld (registratienummer AWB 07/8191 WRO).

Bij brief van 1 november 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van de bouwvergunning tot dat op het beroep is beslist (registratienummer AWB 07/8190 WRO). Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster een rapport van EW Milieu-advies van 1 november 2007 overgelegd.

Vergunningshoudster heeft bij brief van 4 december 2007 een brief van Goudappel Coffeng B.V. van 8 mei 2007 en bij brief van 7 december 2007 een nader rapport van DGMR Industrie, Verkeer & Milieu B.V. (hierna: DGMR) van 5 december 2007 ingediend.

Door vergunninghoudster is vervolgens bij brief van 10 december 2007 een notitie van Goudappel Coffeng van 10 december 2007 ingebracht.

Het verzoek is op 11 december 2007 ter zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek geschorst om verzoekster in de gelegenheid te stellen te reageren op de ter zitting overgelegde bijlagen bij het rapport van DGMR van 5 december 2007.

Bij brief van 26 december 2007 heeft verzoekster een nadere rapportage overgelegd van EW Milieu-advies van 24 december 2007.

Vervolgens heeft verweerder in reactie op de rapportage van EW Milieu-advies van 24 december 2007 bij brief van 29 januari 2008 en vergunninghoudster bij brief van 30 januari 2008 een door DGMR en Goudappel Coffeng gezamenlijk opgestelde notitie ingebracht van

30 januari 2008.

Bij brief van 31 maart 2008 heeft vergunninghoudster een rapport van DGMR van 27 maart 2008 toegezonden.

Verweerder heeft bij brief van 1 april 2008 hierop een reactie van de Milieudienst West-Holland van 31 maart 2008 in het geding gebracht.

Vergunninghoudster heeft bij brief van 23 april 2008 haar zienswijze gegeven.

Het verzoek is op 22 mei 2008 opnieuw ter zitting behandeld.

Namens verzoekster is verschenen [A.], bijgestaan door

E.M. Korevaar, werkzaam bij EW Milieu-advies. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kooij, ir. A. Nieland,

drs. ing. M. Bakker, ing. P. van der Graaff, werkzaam bij Goudappel Coffeng en ing. M.H.M. van Kesteren, werkzaam bij DGMR. Namens vergunninghoudster is verschenen J.M. van Gaal, bijgestaan door mr. R.E. Gerritsen, advocaat te Schiphol-Rijk.

Motivering

De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover bij de beoordeling van dat verzoek het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, is het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend voor de beslissing in beroep.

De door vergunninghoudster opgeworpen vraag of verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt dient in de bodemprocedure te worden beantwoord. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding te veronderstellen dat verzoekster geen bovenindividueel statutair belang als bedoeld in deze bepaling heeft.

Het bouwplan voorziet in nieuwbouw ten behoeve van het Regionale Opleidingen Centrum (ROC) te Leiden. Daarnaast gaat het bouwplan onderdak bieden aan het Da Vinci VMBO en voorziet het in kantoor- en winkelruimte, een supermarkt en een parkeergarage. Het gebouw is parallel aan de spoorlijn aan de zuidelijke kant van het station Leiden Lammenschans geprojecteerd.

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 21 mei 2007 geoordeeld dat de door verweerder gemaakte planologische keuze voorshands voldoende is gemotiveerd en dat de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing toereikend te achten is. Daarnaast is in die uitspraak overwogen dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van realisering van het bouwplan voor de verkeersafwikkeling, de parkeerdruk, de geluidbelasting ter plaatse van de woningen ten noorden van de spoorlijn, de luchtkwaliteit, het windklimaat en de schaduwwerking van het gebouw. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van verweerder ten aanzien van deze aspecten in twijfel te trekken.

Voorts heeft de voorzieningenrechter aannemelijk geacht dat bij de totstandkoming van het advies van de Afdeling Ruimtelijke Kwaliteit alle relevante aspecten onder ogen zijn gezien en zijn meegewogen, zodat er geen reden is het advies van de welstandscommissie onjuist te achten en niet gezegd kan worden dat verweerder dit advies niet zonder meer had kunnen volgen.

Tot slot heeft de voorzieningenrechter overwogen dat verweerder in redelijkheid het belang dat wordt gediend met realisering van het bouwplan heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekster.

Aan het thans aan de orde zijnde verzoek om voorlopige voorziening ligt het standpunt van verzoekster ten grondslag dat, samengevat, het bouwplan niet voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit. Verzoekster heeft haar standpunt in eerste instantie onderbouwd met voormeld rapport van EW Milieu-advies van 1 november 2007. Vervolgens zijn door partijen de hiervoor genoemde rapporten ingebracht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In het rapport van DGMR van 19 april 2006 dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, zijn de concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) berekend op een afstand van 10 meter van de weg-as van de Kanaalweg en 15 meter van de weg-as van de Lammenschansweg. Deze afstanden zijn volgens dit rapport gebaseerd op het Besluit luchtkwaliteit 2005 en de Meetregeling luchtkwaliteit 2005.

Op 1 december 2006 is het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit (Mrv) in werking getreden. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Mrv, zoals dat luidde van 1 december 2006 tot 15 november 2007, worden bij het door middel van berekeningen bepalen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij een voor motorvoertuigen bestemde weg:

a. concentraties op een zodanige punt bepaald dat gegevens worden verkregen waarvan aannemelijk is dat deze representatief zijn voor de luchtkwaliteit in een gebied van ten minste 200 m²;

b. concentraties van stikstofdioxide, bepaald op maximaal vijf meter van de wegrand;

c. concentraties van zwevende deeltjes (PM10), bepaald op maximaal tien meter van de wegrand.

In artikel 17 van het Mrv is bepaald dat deze regeling niet van toepassing is op besluiten die zijn voortgevloeid uit de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005, noch op de uit die besluiten voortvloeiende rechts- en feitelijke handelingen, voor zover het ontwerp van een dergelijk besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage is gelegd of een dergelijk besluit voor dat tijdstip is vastgesteld.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat een ontwerp van het vrijstellingsbesluit ter inzage is gelegd. Weliswaar heeft een aanvraag voor vrijstelling van 2 januari tot 13 februari 2006 ter inzage gelegen, maar dit is niet gelijk te stellen met een ontwerp-besluit. Dat betekent dat het Mrv, gelet op artikel 17 van die regeling, op het vrijstellingsbesluit van toepassing is, nu dat besluit op 22 december 2006 is genomen. Derhalve is het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt ten onrechte niet uitgevoerd met toepassing van het Mrv.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de rapportage van DGMR van 5 december 2007, die naar aanleiding van het rapport van EW Milieu-advies van 1 november 2007 is opgesteld, verder vast dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van DGMR van 19 april 2006 deels een onjuiste bomenfactor is gehanteerd.

De bijdrage van het bouwplan aan de concentratie voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) is voorts in het rapport van 19 april 2006 niet onderzocht. Daarvoor was echter wel aanleiding, nu gelet op de omvang van het project niet onaannemelijk is dat de vergunningverlening invloed heeft op de luchtkwaliteit ten aanzien van deze stoffen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het Besluit luchtkwaliteit 2005, bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2006, LJN: AW1289, en 22 november 2006, LJN: AZ2806.

Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat deze bijdrage reeds impliciet in de berekeningen in het rapport van DGMR van 19 april 2006 is verwerkt. Zo is op pagina 3 van dit rapport vermeld dat er behalve het ROC nog een aantal openbare voorzieningen, zoals een supermarkt, worden meegenomen in het te realiseren plan waarvan de invloed zal passen binnen de ‘luchtruimte’ die er nog is. Dit wijst er op dat de bijdrage van die voorzieningen nog opgeteld moet worden bij de in dit rapport berekende waarden. Voorts blijkt uit het rapport van Goudappel Coffeng van 8 mei 2007 dat er in het verkeersmodel dat aan het luchtkwaliteitsonderzoek ten grondslag lag vanuit is gegaan dat er ter plaatse tevens 7500 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) grootschalige detailhandel zou worden gevestigd, maar dat bij de invoergegevens geen rekening is gehouden met de komst van een supermarkt.

Dat een afzonderlijke berekening van de bijdrage van het bouwplan aan de luchtkwaliteit was aangewezen, wordt bevestigd door het rapport van DGMR van 27 maart 2008, waarin is vermeld dat de bijdrage van het bouwplan leidt tot een toename van de concentratie NO2 van maximaal 0,3 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie in 2008, 0,2 µg/m3 in 2010 en 2020 en de bijdrage van het bouwplan aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof maximaal 0,1 µg/m3 bedraagt.

Gelet op het vorenstaande kleven naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebreken aan het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De voorzieningenrechter ziet hierin evenwel geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In het rapport van DGMR van 27 maart 2008 is aangegeven dat vorenstaande gebreken zijn hersteld. In dit rapport is een actueler verkeersmodel gebruikt, te weten het zogenoemde Holland Rijnland Model, is een juiste bomenfactor gebruikt, zijn de meetafstanden conform het Mrv gehanteerd en is, zoals reeds gezegd, de bijdrage van het bouwplan op de luchtkwaliteit afzonderlijk zichtbaar gemaakt.

De conclusie van dit rapport luidt dat de normen voor luchtkwaliteit in de toekomstige situatie niet worden overschreden, zodat er op grond van het Blk 2005 geen belemmeringen zijn voor het realiseren van het bouwplan.

In hetgeen verzoekster heeft ingebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aan de conclusies van het rapport van 27 maart 2008 te twijfelen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij mede de reactie van Goudappel Coffeng en DGMR van 30 januari 2008.

Blijkens het rapport van DGMR van 27 maart 2008 (p. 11) zorgt het bouwplan, met inbegrip van de supermarkt, voor 500 extra voertuigbewegingen per dag. Verzoekster heeft aangevoerd dat dit te laag is, nu in eerdere berekeningen alleen al voor de supermarkt werd uitgegaan van 714 vervoersbewegingen. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat het aantal van 500 is gebaseerd op de gegevens van het Holland Rijnland Model met inbegrip van het ROC, kantoren en supermarkt. Op grond van het rapport van Goudappel Coffeng van 8 mei 2007 en de ter zitting gegeven toelichting is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aantal van 500 weliswaar afwijkt van dat van 714 waarvan in dat rapport voor de supermarkt was uitgegaan, maar dat dat verschil wordt veroorzaakt doordat de bijdrage van 7500 m2 bvo grootschalige detailhandel aan het aantal voertuigbewegingen is vervallen en in plaats daarvan de bijdrage van de supermarkt, het ROC en kantoren is meegenomen. Nu blijkens het verhandelde ter zitting voor het Lammenschansgebied geen concrete plannen bestaan voor ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang en dus ook niet voor de vestiging van grootschalige detailhandel, komt het getal van 500 voertuigbewegingen extra de voorzieningenrechter als een aanvaardbare aanname voor. Er behoefde om die reden niet van een zogenaamd ‘worst case scenario’ te worden uitgegaan.

Gezien het vorenstaande, in het bijzonder het rapport van DGMR van 27 maart 2008, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bouwplan kan voldoen aan de in het Blk 2005 gestelde normen. Gelet hierop alsmede de belangen van vergunninghouder bij realisering van het bouwplan, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E. Dijt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.