Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6593

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
09/758470-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van chemicaliën en explosieven, zodat de vereiste opzet op het voorhanden hebben van die chemicaliën en explosieven ontbreekt. Verdachte dient daarom hiervan te worden vrijgesproken. Verdachte heeft na een ruzie met zijn ex-vriendin getracht zich de toegang tot haar woning te verschaffen door met opzet met een baksteen tegen haar slaapkamerraam te slaan, waardoor dit raam werd vernield. Tevens heeft verdachte de fiets van de dochter van aangeefster van vier hoog naar beneden gegooid, waardoor ook deze fiets is vernield. Wettig en overtuigend bewezen: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf van 29 dagen met aftrek. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/758470-07

's-Gravenhage, 8 juli 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1980,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

postadres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 juni 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. van Beest, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. C. Fahner heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd - kort gezegd - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde feit nu de politie de woning van verdachte zonder toestemming of machtiging is binnengetreden. Dit ernstige vormverzuim zou tot gevolg moeten hebben dat de onderzoeksresultaten die hierdoor zijn verkregen niet aan het bewijs kunnen en mogen bijdragen, zodat bij gebreke van ander bewijs verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.

Blijkens de inhoud van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van politie Haaglanden is komen vast te staan dat op donderdag 15 november 2007 twee verbalisanten naar de woning gelegen aan de [adres] zijn gegaan om verdachte in verband met een onherroepelijke veroordeling tot 33 dagen hechtenis aan te houden. Na zijn aanhouding deelden de twee verbalisanten delen verdachte mee dat hij zijn persoonlijke bezittingen uit de woning mocht pakken, waarna hij zou worden overgebracht naar het bureau van politie te [plaats]. Verdachte liep vervolgens vanuit de gang de woning in en de twee verbalisanten liepen achter verdachte aan. In de keuken zagen de verbalisanten allerlei goederen, waaronder zeefjes en een schaal met een hoeveelheid wit, beige poeder met brokjes, die hen deden vermoeden dat er in de woning verdovende middelen werden vervaardigd. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat door verdachte toestemming is gegeven om de woning binnen te treden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen toestemming heeft gegeven aan de verbalisanten om de woning te betreden, omdat het de woning van medeverdachte [medeverdachte A] betrof.

Vanwege het belang van het huisrecht, een grondrecht (art. 12 Grondwet), heeft de wetgever voor het betreden van woningen bijzondere waarborgen in het leven geroepen. Deze waarborgen zijn neergelegd in de Algemene wet op het binnentreden. In het kader van hun taken mogen gewone opsporingsambtenaren een woning in beginsel slechts betreden met vooraf gegeven uitdrukkelijke toestemming van de bewoner dan wel met een vooraf gegeven schriftelijke machtiging (art. 2 lid 3 AWBI). Zijn er meerdere bewoners dan is in beginsel toestemming van één bewoner voldoende.

De rechtbank overweegt als volgt. Er is niet gebleken dat de verbalisanten een vooraf gegeven schriftelijke machtiging bezaten om de woning te betreden. Door verdachte is aangegeven dat hij de verbalisanten geen toestemming heeft gegeven de woning te betreden. In het genoemde proces-verbaal staat niet aangegeven of verdachte om toestemming is gevraagd of dat hij die toestemming al dan niet gegeven heeft. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat de verbalisanten geen toestemming hadden de woning te betreden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim met zich meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank zou een dergelijk vormverzuim in casu dienen te leiden tot strafvermindering. Nu de rechtbank verdachte echter op grond van het onderstaande zal vrijspreken van het onderhavige feit is dit niet aan de orde.

De rechtbank komt op grond van het onderzoek ter terechtzitting tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte heeft vanaf het begin af aan verklaard dat hij niet wist dat zijn huisgenoot [medeverdachte A] bezig was met het vervaardigen van explosieven en dat de grondstoffen daarvoor zich in de woning bevonden. Verdachte heeft verklaard wel eens aan zijn huisgenoot gevraagd te hebben waar hij mee bezig was, maar uit de antwoorden van [medeverdachte A] maakte hij op dat het om buskruit ging. Hij had het idee dat [medeverdachte A] vuurwerk aan het maken was. Ook [medeverdachte A] heeft bij de politie verklaard dat verdachte geen weet had van de explosieve stoffen die hij in zijn huis bewaarde, of van de pijpbommen die hij reeds vervaardigd had en die zich tevens in de woning bevonden.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij wel eens poeders of dergelijke in de woning heeft aangetroffen, maar dat hij, doordat hij geen verstand heeft van chemicaliën, niet wist dat deze dienden ter vervaardiging van explosieven. Tenslotte heeft verdachte aangegeven dat hij zelf in de woning sliep en in het bezit was van een huisdier, terwijl hij als hij op de hoogte was geweest van de explosieven die zich daar bevonden hij onmiddellijk het huis zou hebben verlaten.

De rechtbank acht dit aannemelijk.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van chemicaliën en explosieven, zodat de vereiste opzet op het voorhanden hebben van die chemicaliën en explosieven ontbreekt. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na een ruzie met zijn ex-vriendin getracht zich de toegang tot haar woning te verschaffen door met opzet met een baksteen tegen haar slaapkamerraam te slaan, waardoor dit raam werd vernield. Tevens heeft verdachte de fiets van de dochter van aangeefster van vier hoog naar beneden gegooid, waardoor ook deze fiets is vernield. Door het plegen van dit feit heeft hij aangeefster schade berokkend en inbreuk gemaakt op haar privacy. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen gevoelens van angst en onrust veroorzaakt bij aangeefster.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2007. Hieruit blijkt dat verdachte eerder terzake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met alle hiervoor vermelde omstandigheden. Nu de bewezenverklaring van de rechtbank anders luidt dan die van de officier van justitie, zal de rechtbank de strafeis zoals gevorderd door de officier van justitie niet volgen.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 120,-.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 29 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 15 november 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 19 november 2007,

in vrijheid gesteld op: 14 december 2007;

(bevel voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van 14 december 2007)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 120,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Wijnnobel-Van Erp, voorzitter,

Royakkers en Struyker Boudier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bours, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2008.

Mr. Struyker Boudier is buiten staat dit vonnis te tekenen.