Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6344

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
Awb 07/35971
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BG8478, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin / Overname / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / refoulement / bewijslast

Eiseres is eerder in Griekenland geweest maar heeft daar geen asiel aangevraagd. Griekenland heeft de door Nederland gelegde claim fictief geaccepteerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met behulp van concrete gegevens, zijnde rapporten en andere algemene stukken, alsmede met de eigen ervaring in Griekenland die in het beeld passen dat uit die stukken naar voren komt, gestaafd dat aan de Griekse asielprocedure zodanige gebreken kleven dat niet kan worden onderzocht en vastgesteld of zij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien zij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat Griekenland zijn verplichtingen uit genoemde verdragen jegens haar niet zal nakomen. Het ligt daarom op de weg van verweerder om, nu eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen onvoldoende naleeft, bewijs bij te brengen van het tegendeel. Dit is niet gebeurd. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 07/35971

Uitspraak

in het geding tussen:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer [dossiernummer], eiseres,

gemachtigde mr. F.K.H. Blom, advocaat te

Utrecht;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, landsadvocaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 16 maart 2007 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 17 september 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij brief van 18 september 2007 is daartegen beroep ingesteld.

Eiseres mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 18 september 2007 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Bij uitspraak van 14 december 2007 (Awb 07/35973) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat uitzetting achterwege zal blijven tot op het beroep is beslist.

Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 10 oktober 2007. Op 7 maart 2008, 10 maart 2008, 12 maart 2008, 13 maart 2008, 19 mei 2008 en 21 mei 2008 zijn nadere stukken ingediend.

Het beroep is ter zitting van 3 juni 2008 behandeld. Eiseres is niet verschenen maar heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

2.2 Griekenland heeft niet tijdig gereageerd op het overnameverzoek van 8 mei 2007. Op grond van artikel 18, zevende lid, Vo 343/2003 staat dit gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek.

2.3 Ingevolge artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Uitgangspunt is dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

2.4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van Griekenland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres – naast algemene stukken waarover door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in andere zaken reeds een oordeel is gegeven - de volgende algemene stukken overgelegd:

1. het rapport “The truth may be bitter, but it must be told” van de Stiftung Pro Asyl, de Förderverein Pro Asyl (beiden Frankfurt) en de Group of Lawyers for the Rights of Refugees and Migrants (Athens) van oktober 2007;

2. een brief van het Noorse Helsinki-comité en de Noorse organisatie voor asielzoekers van 25 januari 2008;

3. een persbericht van de Norwegian Immigration Appeal Board van 7 februari 2008;

4. een rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or degrading Treatment or Punishment (CPT) van 8 februari 2008;

5. een petitie van PRO ASYL van 21 februari 2008;

6. een verklaring van Amnesty International van 27 februari 2008 onder de titel “Greece, no place for an asylum-seeker”;

7. een artikel uit Athens News van 29 februari 2008;

8. een brief van de Vereniging asieladvocaten en - juristen Nederland (VAJN) van 20 maart 2008;

9. een brief van Amnesty International van 28 maart 2008;

10. een brief van de Europese Commissie van 1 april 2008;

11. een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) onder de titel “UNHCR position on the return of asylum-seekers to Greece under the “Dublin-regulation” van 15 april 2008;

12. een rapport van European Council on Refugees and Exiles (ECRE) onder de titel “Summary report on the application of the Dublin II regulation” van 1 maart 2006;

13. een artikel van I. van Beek onder de titel “Dublintermijnen, tel uit je winst”;

14. een brief van ECRE van 3 april 2008.

Eiseres stelt dat in deze algemene stukken voldoende concrete aanwijzingen zijn gelegen voor de conclusie dat Griekenland de verdragsverplichtingen op grond van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM ten aanzien van Dublin-claimanten niet eerbiedigt. Voorts stelt eiseres – onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - dat het aan verweerder is om aan te tonen dat zij na overdracht aan Griekenland niet zal worden blootgesteld aan refoulement. Anders dan volgens het in paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegde beleid, dient verweerder zich ervan te vergewissen dat eiseres in Griekenland toegang zal krijgen tot een eerlijke en effectieve procedure, dat zij in Griekenland niet gedetineerd zal worden en dat zij toegang heeft tot een effectief rechtsmiddel. In dit verband wijst eiseres erop dat uit de door haar overgelegde algemene stukken blijkt dat de Griekse asielprocedure volstrekt ontoereikend is en niet in overeenstemming is met het bepaalde in de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn).

In het licht van het vorenstaande stelt eiseres zich voorts op het standpunt dat verweerder, op grond van de feiten en omstandigheden van haar concrete geval, eveneens aanleiding had moeten zien de behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken. Eiseres wijst er daarbij op dat zij in Griekenland gedetineerd is geweest, dat haar tijdens de eerste drie dagen van haar detentie eten en drinken zijn onthouden en dat zij tijdens haar detentie meerdere malen is mishandeld. Zij is uiteindelijk, zonder in de mogelijkheid te zijn gesteld een asielverzoek in te dienen, door de Griekse autoriteiten uitgezet naar haar land van herkomst. Voorts wijst eiseres erop dat zij medische en psychische klachten heeft. Daarbij verwijst zij naar een brief van Amnesty International van 7 december 2007.

2.5 Verweerder heeft zich - kort samengevat - gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Griekenland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres niet op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens haar niet zal naleven. Weliswaar is verweerder bekend met de problemen omtrent de Griekse asielprocedure, maar niet is aannemelijk gemaakt dat eiseres na overdracht aan Griekenland in het geheel geen toegang heeft tot een zorgvuldige asielprocedure en – zonder dat is getoetst aan het refoulementverbod – zal worden teruggestuurd naar haar land van herkomst.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Verweerder heeft bij schrijven van 2 juni 2008 twee brieven overgelegd van de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) van 27 mei 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk: 2070819050 respectievelijk 2070818530) waarin zij antwoord geeft op gestelde kamervragen over het overdragen van asielzoekers aan Griekenland en een brief van 9 mei 2008 van de Staatssecretaris aan Vluchtelingenwerk Nederland. Ter zitting heeft eiseres betoogd dat deze brieven – in strijd met de goede procesorde – eerst daags voor de zitting door verweerder zijn ingediend, zodat de brieven bij de beoordeling van haar aanvraag buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

De rechtbank verenigt zich niet met dit betoog, Daartoe wordt overwogen dat, nog afgezien van het feit dat de antwoorden op gestelde kamervragen in diverse openbare en voor iedereen toegankelijke bronnen te vinden zijn, de brieven door verweerder zijn ingebracht ter nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Gesteld noch gebleken is dat in de antwoorden op de kamervragen dan wel de brief aan Vluchtelingenwerk Nederland informatie naar voren komt die op essentiële punten afwijkt van hetgeen eerder bekend was, zodat niet valt in te zien op welke wijze eiseres in haar belangen zou kunnen zijn geschaad door het eerst kort voor de zitting overleggen van deze brieven.

2.8 Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder ten aanzien van Griekenland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en in dat verband heeft betoogd dat overdracht aan Griekenland zal leiden tot een schending van het refoulementverbod omdat de Griekse asielprocedure onvoldoende toereikend en derhalve in strijd met de Definitierichtlijn is, overweegt de rechtbank het volgende.

2.9 De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder de verklaringen van eiseres over hetgeen zij in Griekenland heeft meegemaakt - afgezien van de gedwongen uitzetting naar haar land van herkomst - niet heeft betwist. Deze feiten - geen eten en drinken gedurende de eerste drie dagen van de detentie, meerdere malen mishandeling tijdens de detentie, geen gelegenheid om een asielverzoek in te dienen - worden derhalve als vaststaand beschouwd.

2.10 Volgens paragraaf C3/2.3.6.2, Vc 2000, wordt er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten principale van uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt Daarbij is verwezen naar de onderdelen 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Hierbij is niet van belang of het om een terugname- of een overnameverzoek gaat. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM.

Uit het beleid lijkt voort te vloeien dat de bewijslast voor de stelling dat een lidstaat de verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet nakomt onder alle omstandigheden volledig rust en blijft rusten op de vreemdeling. De rechtbank acht deze benadering te eng. Er kunnen zich situaties voordoen waarin een redelijke verdeling van de bewijslast maakt dat de bewijslast niet langer dient te rusten op de vreemdeling doch op verweerder. Zo’n situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank voor wanneer de vreemdeling met behulp van concrete gegevens heeft gestaafd dat aan de asielprocedure in de lidstaat waaraan verweerder hem wenst over te dragen zodanige gebreken kleven dat niet kan worden onderzocht en vastgesteld of de vreemdeling de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien hij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat de bewuste lidstaat zijn verplichtingen uit genoemde verdragen jegens hem niet zal nakomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen de Afdeling overwogen heeft onder 2.1.1. van de uitspraak van 3 april 2008 (kenmerk 200707580/1) naar aanleiding van een beroep van een vreemdeling op de Definitierichtlijn. Op deze richtlijn, waarvan de implementatietermijn is verstreken op 10 oktober 2006, is ook in de onderhavige procedure door de vreemdeling mede een beroep gedaan.

De rechtbank tekent hierbij aan dat onder concrete gegevens als hiervoor bedoeld niet uitsluitend dienen te worden verstaan gegevens uit op deze vreemdeling toegespitste stukken, doch ook gegevens uit meer algemene stukken waaruit voldoende duidelijke conclusies kunnen worden getrokken omtrent hetgeen deze vreemdeling, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, te wachten staat.

Uit het vorenstaande volgt dat er, indien er op enig moment sprake is van de situatie dat een vreemdeling zijn stelling dat een lidstaat zijn verdragsverplichtingen niet naleeft wel met zodanig voldoende en concrete informatie heeft onderbouwd, er een omslagpunt in de bewijslast ontstaat, als gevolg waarvan van verweerder kan en mag worden verwacht dat de door de vreemdeling naar voren gebrachte informatie en de door hem daaraan verbonden conclusie gemotiveerd en voldoende onderbouwd wordt weerlegd. In dit verband wordt het volgende overwogen.

2.11 De door eiseres overgelegde algemene stukken, zoals deze zijn genoemd onder rechtsoverweging 2.4, geven een eenduidig beeld van het reeds jarenlang bestaande probleem omtrent de gebrekkige wijze waarop de Griekse asielprocedure is ingericht en meer in het bijzonder de gevolgen daarvan voor asielzoekers die op grond van de Verordening 343/2003 zijn overgedragen. Daarbij wijst de rechtbank in het bijzonder op de informatie zoals deze is opgenomen in het UNHCR-rapport van 15 april 2008 onder de titel “UNHCR position on the return of asylum-seekers to Greece under the “Dublin-regulation” en het verslag van de VAJN van 20 maart 2008. Daarbij worden met name de volgende passages van belang geacht:

In het UNHCR-rapport van 15 april 2008 wordt ten aanzien van de toegang van Dublin-claimanten tot de Griekse asielprocedure op de bladzijden 2 en 3 het volgende overwogen:

(…),

“In practice, “Dublin returnees” encounter several obstacles in trying to lodge their claims upon arrival at Athens’ airport. Due to the lack of sufficient asylum personnel to ensure the immediate identification, registration and processing of asylum applicants, “Dublin returnees”, including vulnerable individuals, are automatically detained, before their status is clarified and a decision taken to either interview the applicant or refer him/her to the Central Asylum Department. Due to a lack of interpretation and legal services, asylum-seekers are often interviewed in a language they do not understand and without being counseled on their rights during the asylum process.”,

(…),

“Dublin returnees” also face constraints at the time of referral from the airport to the Central Asylum Department. They are usually requested to present themselves to the Department without any additional information on the status of their claims, the procedure to follow and relative deadlines. Particularly disadvantaged are those “Dublin returnees” who cannot provide an address upon arrival in Greece and whom the Greek authorities notify on the status of their asylum application through the “Notification of Persons of Unknown Residence Procedure”. The lack of an alternative notification mechanism results in returnees not being able to follow up on their appeal. Furthermore, access to the procedure is hampered by lack of personnel as asylum claims continue to exceed the current processing capacity. As a result, asylum-seekers, including “Dublin returnees”, experience long waiting periods and often have access to an asylum officer only after the deadline to lodge an appeal has elapsed or, in case they have been able to lodge an appeal, after the convocation date set by the Consultative Asylum Committee.”

(…).

Op de bladzijden 4, 5 en 6 wordt – onder verwijzing naar het UNHCR-rapport van november 2007 “Asylum in the European Union, a study of the implementation op the qualification directive” - ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van asielaanvragen en de mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen tegen afwijzende asielbesluiten het volgende overwogen:

(…),

“A study carried out by UNHCR in 2007 on the implementation of the Qualification Directive in selected EU Member States has shed light on some of the challenges currently faced by the Greek asylum system. It found that all 305 first instance decisions taken between October 2006 and April 2007 by the Ministry of Public Order, – relating to applicants from Afghanistan, Iraq, Somalia, Sri Lanka and Sudan – were negative. None of the decisions contained any reference to the facts or provided any legal reasoning. All featured a standard paragraph stating that the applicant left his/her country in order to seek employment and more generally to seek improved living conditions. With the consent of the Ministry of Public Order, the case files were reviewed. 294 (out of 305) first instance case files reviewed did not contain the responses of the applicants to standard questions reportedly posed by interviewing police officers. No other information was provided in these files regarding the applicants’ claims. In the overwhelming majority of the reviewed case files, the interviewing police officer registered the reasons for departure from the country of origin as “economic”.”,

(…),

“A review of second instance decisions carried out through the aforementioned study identified equally disturbing trends. The study found that the summary of the facts in the decisions normally did not exceed two lines, and negative decisions were stated in a few lines in standardized format only. As a result, it was not possible to ascertain the interpretation of the law applied by the appeal body or for that matter to deduce, from the decisions taken, whether the law was applied at all. The second instance case files contained the recommendation of the Consultative Asylum Committee but the recommendation usually consisted of only two standardized sentences. Generally, there was no further information available in these files relating to the facts or legal reasoning, and there were no recorded minutes of the hearing before the Committee. As a result, the research was not able to discern legal practice in Greece.”

(…),

“UNHCR further notes that the procedure does not guarantee a fair evaluation of asylum claims at first and second instances. Finally, essential procedural safeguards are not guaranteed throughout the refugee status determination process to the detriment of asylum-seekers who often lack the most basic entitlements, such as interpreters and legal aid to ensure that their claims receive adequate scrutiny from the asylum authorities.”,

(…).

Ten aanzien van de opvangmogelijkheden voor asielzoekers en het gebrek aan voorzieningen wordt op bladzijde 7 het volgende overwogen:

(…),

“Accommodation for asylum-seekers remains a major source of concern in Greece, including those who are returned under the Dublin Regulation. At the end of 2007, ten reception centers administered by the State and by non-governmental organizations (NGOs) existed in Greece with an overall capacity of 770 places. With three facilities being exclusively offered to unaccompanied minors, the overall reception capacity for families, single women or men remains extremely limited. This situation is compounded by the fact that daily allowances, pending the issuance of a ministerial decision, are not being granted. Access to employment is available only if it is demonstrated that Greek citizens, EU nationals, recognized refugees or aliens of Greek origin have not demonstrated interest for the post offered.”,

(…).

De bevindingen van de UNHCR worden bevestigd door hetgeen is neergelegd in het verslag van de VAJN van 20 maart 2008. Ook dit verslag bevat voldoende concrete informatie omtrent de problemen die asielzoekers die op grond van de Verordening 343/2003 zijn overgedragen met betrekking tot de toegang tot de Griekse asielprocedure en de inhoudelijke behandeling van asielverzoeken ondervinden.

De rechtbank wijst er in dit verband voorts nog op dat - door verweerder ter zitting onweersproken gelaten - uit informatie van het UNHCR blijkt dat in Griekenland jaarlijks een zeer groot aantal asielverzoeken wordt ingediend terwijl slechts elf beslisambtenaren bevoegd zijn tot het beoordelen van een asielaanvraag.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat eiseres met behulp van concrete gegevens heeft gestaafd dat aan de Griekse asielprocedure zodanige gebreken kleven dat niet kan worden onderzocht en vastgesteld of zij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien zij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat Griekenland zijn verplichtingen uit genoemde verdragen jegens haar niet zal nakomen.

De rechtbank kent hierbij tevens betekenis toe aan de waarborgen neergelegd in de Definitierichtlijn, nu deze, zoals ook blijkt uit de preambule, mede is geïnspireerd door het Vluchtelingenverdrag en -via het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie- het EVRM.

De rechtbank heeft voorts het volgende in aanmerking genomen.

Het op 31 maart 2008 door de Europese Commissie (EC) ingestelde beroep (zaak C-130/08) is geheel toegespitst op de wijze waarop Griekenland na terugname als bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub d, Vo 343/2003, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een overname als bedoeld in artikel 18, zevende lid, Vo 343/2003. In de brief van 1 april 2008, waarin de EC ingaat op de achtergronden van de procedure tegen Griekenland, zegt de EC evenwel ook het volgende:

(…),

“I would finally like to inform you that the Commission is in the proces of seeking clarification from the Greek authorities on a number of issues referred to in the Pro Asyl report of October 2007, concerning the general situation of third-country nationals seeking international protection in Greece. If needed, the Commission will proceed with the necessary/relevant procedural steps in accordance with the power conferred on it by the Treaty establishing the European Community in order to ensure that Greece complies with its obligations under the EU asylum acquis.”

(…).

De rechtbank leidt hieruit af dat de zorgen van de EC zich thans, naar aanleiding van hetgeen recentelijk bekend is geworden, ook meer in het algemeen richten op de bescherming die Griekenland asielzoekers biedt.

De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 februari 2008 (Saadi vs. Italië; JV 2008/131), waarin – kort samengevat – is overwogen dat het voor een schending van artikel 3 EVRM voldoende is dat sprake is van substantiële gronden dat een vreemdeling bij uitzetting een gevaar loopt op een onmenselijke behandeling. In dit verband overweegt de rechtbank, mede in het licht bezien van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.9 is overwogen, dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door eiseres overgelegde algemene stukken en meer in het bijzonder het eerdergenoemde UNHCR-rapport van 15 april 2008 en het verslag van de VAJN van 20 maart 2008. Zulks is niet door verweerder ter zitting betoogd en ook anderszins is niet gebleken dat verweerder de betrouwbaarheid van de in de algemene stukken naar voren gekomen informatie in twijfel trekt. Gelet hierop alsmede gelet op het feit dat de geloofwaardig geachte verklaringen van eiseres passen in het door de algemene stukken gegeven beeld van de problemen in de Griekse asielprocedure, is de rechtbank van oordeel dat eiseres zodanige concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan dient te worden geconcludeerd dat er voldoende substantiële gronden bestaan om aan te nemen dat eiseres bij overdracht aan Griekenland een risico loopt op refoulement.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit kan worden uitgegaan dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens eiseres zal nakomen. Het ligt op de weg van verweerder om, nu eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen onvoldoende naleeft, bewijs bij te brengen van het tegendeel. Dit is niet gebeurd. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13 Hetgeen eiseres voorts nog heeft aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande, geen verdere bespreking.

2.14 Het beroep is gegrond.

2.15 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 september 2007;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en mr. A.I. van der Kris, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers in tegenwoordigheid van M.J.P. Kambeel als griffier, op 3 juli 2008.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.