Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5895

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
304055 / JE RK 08-284
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING EN VERLENGING MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Kinderrechter

VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING EN VERLENGING MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

zaak/rekestnummer: 304055 / JE RK 08-284

datum uitspraak: 1 april 2008

BESCHIKKING op het verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg [...] (verder Bureau Jeugdzorg).

Het verzoekschrift heeft betrekking op de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [plaats] op [datum] 2004,

kind van:

[moeder] (verder de moeder),

en erkend door

[vader] (verder de vader),

beiden wonende te [adres],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

In deze procedure worden tevens als belanghebbenden aangemerkt:

de heer [pleegvader] en mevrouw [pleegmoeder]

(verder de pleegouders),

wonende op een geheim adres.

De minderjarige verblijft feitelijk bij de pleegouders.

PROCESGANG

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 17 april 2007 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 19 april 2007 tot 19 april 2008.

Voorts heeft de kinderrechter bij beschikking d.d. 16 oktober 2007 de aan Bureau Jeugdzorg gegeven machtiging om voornoemde minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling van 19 oktober 2007 tot 17 april 2008 (waarvoor de kinderrechter leest: 19 april 2008).

Op 4 februari 2008 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Daarbij zijn overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Bureau Jeugdzorg heeft een indicatiebesluit met de daarbij behorende aanvraag overgelegd.

De kinderrechter heeft voorts kennis genomen van:

- het verweerschrift van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op

28 maart 2008.

Het verzoekschrift is op 1 april 2008 ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw mr. [A] en mevrouw [B], namens Bureau Jeugdzorg,

- de vader,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A.H. van Haga,

- de pleegouders.

BEOORDELING

Mevrouw [B] heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het FORA-onderzoek is afgerond. De moeder beroept zich echter op haar blokkaderecht en weigert de afgifte dan wel inzage van het onderzoeksrapport. Hierdoor blijven er vraagtekens bestaan rondom de psychiatrische gesteldheid van de moeder en is het tevens onduidelijk of de moeder -op termijn- in staat kan worden geacht zelf voor de minderjarige te zorgen en welke hulp daarbij dan nodig is. De gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing lagen destijds in de situatie van de moeder. Door de huidige ontwikkelingen is het aannemelijk dat de problemen al langere tijd bestonden. Dit is echter niet na te gaan doordat de FORA-rapportage niet in het geding gebracht mocht worden. Een samenwerking met de moeder bleek niet mogelijk. Alles wat Bureau Jeugdzorg doet wordt door de moeder bestreden dan wel ondermijnd. Bureau Jeugdzorg kan de verantwoordelijkheid van een terugplaatsing dan ook niet dragen, nu er geen zicht op de pedagogische capaciteiten van de moeder is, en de moeder bovendien niet in staat lijkt te zijn tot samenwerken met een gezinsvoogd.

Mr. Van Haga heeft zich namens de moeder verzet tegen het verzochte. Zij heeft naar voren gebracht dat mevrouw [C] van Jeugdformaat de begeleiding niet heeft gestaakt omdat de moeder niet zou meewerken, maar omdat zij de begeleiding niet nodig achtte. De moeder heeft zelf gezorgd voor begeleiding. Zij heeft de gezinscoach, de heer [D], van Family Support ingeschakeld. Daarnaast is de heer [E] sinds 2005 in het gezin aanwezig. De moeder heeft zelf voldoende hulpverleners ingezet om een veilige situatie voor de minderjarige te creëren. De moeder wil wel degelijk samenwerken, er is haar echter niets aangeboden door Bureau Jeugdzorg. De nadruk wordt teveel gelegd op de psychische gesteldheid van de moeder, deze nadruk zou meer op de interactie tussen de moeder en de minderjarige moeten liggen.

De moeder heeft naar voren gebracht dat de gezinsvoogd mevrouw [F] het hele jaar niet bij haar thuis is geweest. Thans heeft zij contact gehad met de heer [G] van Bureau Jeugdzorg. Hij is ook bij haar thuis geweest. Daarnaast heeft de moeder verklaard dat zij wil weten waar zij aan dient te voldoen. De moeder heeft gevraagd de door haar in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure geuite bezwaren tegen het indicatiebesluit in onderhavige procedure mee te nemen.

De vader heeft zich verzet tegen het verzochte. Naar zijn mening is de veiligheid van de minderjarige in gevaar gekomen, door de ouders van de moeder en de hormonale problemen die de moeder ondervond na de bevalling. De vader heeft destijds zelf contact opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming. Ten slotte heeft de vader naar voren gebracht dat hij niet akkoord gaat met de gronden waarop de minderjarige bij hem en de moeder wordt weggehouden.

De pleegvader heeft verklaard dat de ontwikkeling van de minderjarige goed gaat. De minderjarige kijkt uit naar de ontmoetingen met de ouders. Hij is echter hierna wel een tijd van slag. De pleegvader meent dat het belang van de minderjarige voorop dient te staan.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter dat door zowel het gerechtshof als de rechtbank in eerdere procedures vastgesteld is dat Bureau Jeugdzorg terecht bezorgd is over de geestelijke gezondheid van de moeder. Nu de moeder geen toestemming heeft gegeven om de FORA-rapportage in het geding te brengen, is -ook thans nog- onduidelijk of zij de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van de minderjarige kan dragen. Als in deze situatie in het komende jaar geen wijziging komt, geeft de kinderrechter Bureau Jeugdzorg in overweging de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel te vragen, nu de -nog jonge- minderjarige al bijna drie jaar in het huidige pleeggezin verblijft.

Met betrekking tot de namens de moeder naar voren gebrachte bezwaren tegen het indicatiebesluit overweegt de kinderrechter als volgt.

Het gedwongen karakter van kinderbeschermingsmaatregelen, zoals de ondertoezichtstelling, brengt met zich mee dat Bureau Jeugdzorg, indien zij verlening van zorg noodzakelijk acht, zonder instemming van de ouder(s) een indicatiebesluit kan nemen. Dit is neergelegd in artikel 7, lid 6, sub a van de Wet op de Jeugdzorg (hierna Wjz) juncto artikel 10, lid 1, onder b Wjz. De stelling van de moeder dat haar instemming zou zijn vereist voor een geldig indicatiebesluit gaat dan ook niet op. De moeder heeft voorts aangevoerd dat het indicatiebesluit in strijd met artikel 13, lid 3, Wjz zonder overleg met haar tot stand is gekomen. Uit het dossier blijkt niet dat het indicatiebesluit na overleg met de moeder tot stand is gekomen, zodat de kinderrechter ervan zal uitgaan dat geen overleg is gevoerd. Maar nu de moeder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de evaluatie en het vervolgplan van bureau jeugdzorg en daarop schriftelijk heeft gereageerd, is zij hierdoor naar het oordeel van de kinderrechter niet in haar belangen geschaad. Aan de evaluatie en het vervolgplan liggen immers dezelfde inhoudelijke overwegingen ten grondslag als aan het indicatiebesluit. De stelling van de moeder dat het indicatiebesluit niet in stand zou kunnen blijven omdat de gedragswetenschapper die het indicatiebesluit heeft ondertekend werkzaam is bij Bureau Jeugdzorg kan de kinderrechter niet volgen, nu Bureau Jeugdzorg door de wetgever is aangemerkt als de instantie die het indicatiebesluit neemt, zo blijkt uit onder meer artikel 5 Wjz. De bezwaren die de moeder tegen de inhoud van het indicatiebesluit heeft geopperd zijn, voor zover relevant, reeds aan de orde gekomen bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat deze thans geen bespreking meer behoeven.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

BESLISSING

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 19 april 2008 tot 19 april 2009 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg [...], zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg [...] verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 19 april 2008 tot 19 april 2009, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 22 januari 2008;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008, in tegenwoordigheid van J.A. van Soest als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de

uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.