Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5749

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
09/613454-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een motorfiets een verkeersongeval veroorzaakt waardoor de bestuurder van een tegemoetkomende motorfiets ernstig letsel heeft bekomen. Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf, temeer daar die straf niet overeenstemt met hetgeen doorgaans in vergelijkbare gevallen bij overtreding van artikel 6 WVW wordt gevorderd en opgelegd. Het is op deze grond dat de rechtbank een zwaardere straf oplegt dan door de officier van justitie gevorderd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/613454-07

Datum uitspraak: 27 juni 2008

VONNIS (1)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985

adres:[adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 juni 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Kallen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2007 te [P], gemeente [Q], als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets),

daarmede rijdende over de weg, de [X-weg], zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 105 kilometer

per uur, terwijl aldaar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur was

toegestaan, althans met een gelet op de verkeerssituatie en/of de

verkeersveiligheid ter plaatse (veel) (te) hoge snelheid en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft een flauwe bocht naar rechts te ruim genomen en/of een

doorgetrokken streep overschreden en/of (vervolgens) gereden op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, althans niet

zoveel mogelijk rechts gehouden en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat

was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens/immers)

- hij, verdachte, is met het door hem bestuurde motorrijtuig (op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer) tegen een hem

tegemoetkomende motorfiets(er) gebotst,

waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende motorfiets (genaamd [A])

zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linker scheenbeen

en/of verbrijzelingsbreuken van diverse botten in de linkervoet (waardoor

amputatie van onderbeen tot 15 cm onder knie) en/of een gebroken rechter

scheenbeen en/of (een) gebroken rib(ben), of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juni 2007 te [P], gemeente [Q], als

bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de [X-weg], als volgt heeft gehandeld:

- hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 105 kilometer

per uur, terwijl aldaar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur was

toegestaan, althans met een gelet op de verkeerssituatie en/of de

verkeersveiligheid ter plaatse (veel) (te) hoge snelheid en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft een flauwe bocht naar rechts te ruim genomen en/of een

doorgetrokken streep overschreden en/of (vervolgens) gereden op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, althans niet

zoveel mogelijk rechts gehouden en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat

was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens/immers)

- hij, verdachte, is met het door hem bestuurde motorrijtuig (op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer) tegen een hem

tegemoetkomende motorfiets(er) gebotst,

waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende motorfiets (genaamd [A])

letsel heeft bekomen en/of door welke gedraging(en) van verdachte

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs

4.1 De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten(2).

Op 7 juni 2007 reed verdachte als bestuurder van een motorfiets over de [X-weg] in [P] (gemeente [Q]) in de richting van [R](3)(4). Voor een bocht naar rechts in deze weg reed verdachte met een snelheid die aanzienlijk boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur lag(5). Verdachte heeft vervolgens in de bocht de controle over de motor verloren(6). Hij is uit de bocht gevlogen, is op de weghelft geraakt die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer en is aldaar tegen een tegemoetkomende motorrijder gebotst(7).

De tegemoetkomende motorrijder, [A], heeft als gevolg van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel bekomen. Hij is tot 19 juli 2007 in het ziekenhuis opgenomen geweest en is acht keer geopereerd(8). Het linker- en het rechteronderbeen van [A] waren gebroken(9). Zijn linkervoet was verbrijzeld(10). Hij had twee gebroken ribben(11). Uiteindelijk is het linkeronderbeen van [A] geamputeerd tot 15 centimeter onder de knie(12).

De Divisie Operationele Ondersteuning van de regiopolitie Hollands Midden, afdeling Verkeersondersteuning heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 30 juli 2007, opgemaakt door [B], [C] en [D](13). Door de verbalisanten werd de snelheid berekend waarmee verdachte reed toen hij met [A] in botsing kwam. De verbalisanten concluderen dat verdachte het ter plaatse geldende maximum met minimaal 6 en maximaal 25 kilometer per uur heeft overschreden. De verbalisanten tekenen daarbij echter tevens aan dat de werkelijke snelheid aanmerkelijk hoger zal hebben gelegen omdat zij het snelheidsverlies dat de botsing heeft veroorzaakt en de opbouw van de remkracht niet in hun berekeningen hebben betrokken(14). Verdachte heeft met zijn motor een doorgetrokken streep naar links overschreden(15).

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het verkeersongeval, waarbij aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, aan de schuld van verdachte is te wijten, daar verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

4.3 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW), heeft aan het ongeval. Het feit dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden – waarbij de mate van overschrijding onduidelijk is - en op de verkeerde weghelft terecht is gekomen, is niet voldoende om te stellen dat het ongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Volgens de raadsman is de toedracht van het ongeval daarvoor te onduidelijk. De raadsman bepleit vrijspraak voor zijn cliënt.

4.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft blijkens zijn eigen verklaringen bij de politie en zoals naar voren komt uit de Verkeersongevalsanalyse – hierbij zij verwezen naar de bewijsmiddelen opgesomd in de voetnoten bij 4.1 – voorafgaand aan het ongeval aanzienlijk te hard gereden, minst genomen 120 km/u (zoals door hem verklaard bij de politie op 30 juni 2007(16)). Hierdoor heeft hij in de bocht de macht over het stuur verloren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door te rijden met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse aanmerkelijk te hoge snelheid, waardoor hij uit de bocht is gevlogen en op de andere weghelft is geraakt.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat er een voorwerp op de weg heeft gelegen, zoals door de verdediging gesteld. Uit de Verkeersongevalsanalyse blijkt dat er geen voorwerp op het wegdek is aangetroffen.(17) Bovendien heeft verdachte direct na het ongeluk verklaard dat hij “wat gas gaf” en “de bocht niet meer” haalde respectievelijk dat hij door de hoge snelheid waarmee hij reed de controle over zijn motor heeft verloren. Hij heeft daarbij niets gezegd over een voorwerp op de weg waarvoor hij zou hebben moeten uitwijken.(18) Verdachte heeft de mogelijke aanwezigheid van een voorwerp pas op 30 juni 2007 voor het eerst bij de politie genoemd.

4.5 De bewezenverklaring

hij op 07 juni 2007 te [P], gemeente [Q], als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets),

daarmede rijdende over de weg, de [X-weg], zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

aanmerkelijk onvoorzichtig, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft gereden met een gelet op de verkeerssituatie en de

verkeersveiligheid ter plaatse veel te hoge snelheid en (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft een flauwe bocht naar rechts te ruim genomen en een

doorgetrokken streep overschreden en (vervolgens) gereden op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, en (vervolgens)

- hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat

was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en (vervolgens)

- hij, verdachte, is met het door hem bestuurde motorrijtuig (op het gedeelte

van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer) tegen een hem

tegemoetkomende motorfietser gebotst,

waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende motorfiets (genaamd [A])

zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linker scheenbeen

en/of verbrijzelingsbreuken van diverse botten in de linkervoet (waardoor

amputatie van onderbeen tot 15 cm onder knie) en een gebroken rechter

scheenbeen en gebroken ribben, werd toegebracht.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar aangezien niet is gebleken van omstandigheidheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf/maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, geheel voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte betoogd dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid verdachte onevenredig zou schaden. Verdachte is voor zijn baan afhankelijk van een rijbewijs. Hij zou zijn baan als service-monteur kunnen kwijtraken als hij zijn rijbewijs niet behoudt. Hierbij verwijst de raadsman naar een brief van 12 juni 2008 van de werkgever van verdachte, die hij overlegt. Voorts wijst de raadsman op het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij ook ernstig letsel heeft opgelopen bij het ongeval. De raadsman bepleit een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, indien deze sanctie wordt opgelegd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank, als weergegeven onder 4.4 en 4.5, aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Door zijn handelen heeft verdachte een ongeval veroorzaakt waarbij [A] ernstig letsel heeft bekomen, waarvan deze de rest van zijn leven last zal houden. [A] is langdurig opgenomen geweest en heeft vele medische ingrepen ondergaan. Hij zal bovendien moeten leren leven met een beenprothese, waardoor een aantal dagelijkse bezigheden niet vanzelfsprekend meer is.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte d.d. 21 mei 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf, temeer daar die straf niet overeenstemt met hetgeen doorgaans in vergelijkbare gevallen bij overtreding van artikel 6 WVW wordt gevorderd en opgelegd. Het is op deze grond dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank zal aansluiten bij de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal daarvan ten gunste van verdachte afwijken in de zin dat aan verdachte geen gevangenisstraf, maar een werkstraf zal worden opgelegd. De rechtbank acht een ontzegging van de rijbevoegdheid gezien de ernst van het feit op zijn plaats. De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat dit voor verdachte problemen bij de uitvoering van zijn werk kan opleveren en mogelijk zelfs tot de beëindiging van het dienstverband kan leiden. Zij vindt de ernst van het feit echter zodanig dat deze straf niettemin aangewezen is.

8. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[A] heeft een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingediend. Hierop zijn evenwel geen bedragen ingevuld, zodat er geen vordering is waarover de rechtbank dient te oordelen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

Verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 9 (NEGEN) MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. F.J.A. Quadekker, voorzitter,

E.F. Brinkman en A.R. Hartmann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr M.G. Ligthart, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2008.

Mr. Hartmann is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

(1) Promis vonnis

(2) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer PL1626/07-007452, regiopolitie Hollands Midden, gedateerd 8 augustus 2007.

(3) Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 juni 2007, blz. 41.

(4) Proces-verbaal van aanrijding d.d. 7 augustus 2007, blz. 7.

(5) Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 juni 2007, blz. 41 en proces-verbaal van aanrijding d.d. 7 augustus 2007, blz. 7.

(6) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2007, blz. 28.

(7) Idem en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 juni 2007, blz. 42.

(8) Proces-verbaal van verhoor d.d. 28 juli 2007, blz. 36.

(9) Een geschrift, zijnde het Formulier Medische Informatie Verkeersongevallen d.d. 3 juli 2007 (blz. 2), opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal, blz. 52.

(10) Idem.

(11) Proces-verbaal van verhoor d.d. 28 juli 2007, blz. 37.

(12) Een geschrift, zijnde de brief van orthopaedisch chirurg prof. dr. [E] en arts-assistent orthopaedie [F] d.d. 24 juli 2007 (blz. 2) en proces-verbaal van verhoor d.d. 28 juli 2007, blz. 36.

(13) Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse nr. PL1626 07-115736, blz. 1-15, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1626/07-007452, blz. 62-107.

(14) Idem, blz. 65 en 70-72.

(15) Idem, blz. 65 en 66.

(16) Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 juni 2007, blz. 41.

(17) Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse blz. 72.

(18) Processen-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2007, blz. 27 en 28