Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5672

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/20380
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China / zicht op uitzetting

Geen zicht op uitzetting naar China. Verwezen wordt allereerst naar de overwegingen zoals deze zijn neergelegd in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008 (LJN: BD5011). De rechtbank voegt daaraan nog het volgende toe. Zoals in voornoemde uitspraak is overwogen onder 2.9 kan, voor zover de terugkeer van Chinese vreemdelingen met behulp van de IOM er al op duidt dat de Chinese autoriteiten wel (vervangende) reisdocumenten verstrekken aan Chinese vreemdelingen die hun medewerking verlenen aan terugkeer naar China, dit niet leiden tot het oordeel dat sprake is van zicht op uitzetting, nu het in bewaringszaken niet gaat om de vraag of terugkeer mogelijk is, maar om de vraag of de uitzettingshandelingen van verweerder tot uitzetting kunnen leiden.

In een andere zaak dan de onderhavige heeft deze zittingsplaats, vragen gesteld over de vreemdelingen die volgens mededeling van verweerder in 2007 en 2008 via de IOM zijn teruggekeerd naar China. Bij brief van 18 juni 2008 heeft verweerder op deze vragen geantwoord niet te kunnen mededelen met behulp van welke documenten deze vreemdelingen zijn teruggekeerd. Bij verweerder was niet bekend of deze vreemdelingen in het bezit waren van documenten en, zo ja, welke documenten dit dan waren. Dit heeft bij de rechtbank eens temeer de vraag opgeroepen op welke wijze uit het vertrek van vreemdelingen naar China via de IOM zou kunnen worden afgeleid dat uitzetting naar China mogelijk is. Deze vraag is noch in de schriftelijke antwoorden van verweerder noch ter zitting afdoende beantwoord. De rechtbank blijft dan ook van oordeel dat aan het gegeven dat in 2007 en 2008 wel vreemdelingen naar China zijn teruggekeerd met behulp van de IOM geen conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de mogelijkheid vreemdelingen uit te zetten naar China.

Verweerders beroep op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht van 20 juni 2008 en de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2008 kan reeds daarom niet slagen, omdat de gerechtelijke instanties die deze uitspraken hebben gedaan destijds nog niet de beschikking hadden over alle informatie en aldus een onvolledig beeld hadden van de situatie.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/20380

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op 1 januari 1986,

van Chinese nationaliteit,

IND dossiernummer 0501.17.0017,

alias [alias],

geboren op 1 januari 1980,

thans verblijvende op de detentieboot te Zaandam,

raadsman mr. R.W. Koevoets,

eiser;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. S. Knoop-Alberts,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 9 juni 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 juni 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Op 5 april 2008 is eiser in bewaring gesteld. De rechtbank heeft laatstelijk bij uitspraak van 6 juni 2008 een beroep tegen het voortduren eisers bewaring ongegrond verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek in die zaak (Awb 08/18344) op 6 juni 2008 rechtmatig is.

Omtrent de periode tot en met 6 juni 2008 is reeds een oordeel gegeven in de uitspraak van 6 juni 2008 en de daaraan voorafgaande uitspraken. De rechtbank zal in het navolgende dan ook slechts een oordeel geven over eisers bewaring vanaf 7 juni 2008.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar China. Eiser heeft hiertoe gewezen op het feit dat de Chinese autoriteiten reeds geruime tijd geen laissez-passers (lp’s) meer hebben afgegeven, hetgeen de verwachting rechtvaardigt dat ook voor eiser geen lp zal worden afgegeven.

Eiser heeft ter zitting aangegeven zich geheel te kunnen vinden in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BD5011 en heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt naar deze uitspraak verwezen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wel zicht bestaat op uitzetting naar China. Verweerder heeft hiertoe gewezen op het feit dat via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zowel in 2007 als in 2008 vreemdelingen zijn teruggekeerd naar China. Verweerder leidt hieruit af, zo begrijpt de rechtbank, dat wanneer een vreemdeling de van hem te verwachten actieve en volledige medewerking verleent het mogelijk is zijn vertrek naar China te bewerkstelligen.

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juni 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BD4787, de uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats van 26 mei 2008 in de zaak met nummer Awb 08/13870 en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht van 20 juni 2008 in de zaak met nummer Awb 08/16976.

De rechtbank stelt vast dat in confesso is dat de Chinese autoriteiten ná april 2007 geen lp’s meer hebben verstrekt, noch aan ongedocumenteerden, noch aan (deels) gedocumenteerden. Dit was reeds naar voren gekomen uit eerdere antwoorden van verweerder op vragen van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, in bovengenoemde zaak en is door verweerder ter terechtzitting andermaal bevestigd. Dit gegeven, in combinatie met hetgeen overigens bekend is omtrent het (niet) verstrekken van reisdocumenten door de Chinese autoriteiten, leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet gesproken kan worden van een zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst voor de overwegingen welke de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid allereerst naar de overwegingen zoals deze zijn neergelegd in bovengenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008. De rechtbank voegt daaraan nog het volgende toe.

Zoals in voornoemde uitspraak is overwogen onder 2.9 kan, voor zover de terugkeer van Chinese vreemdelingen met behulp van de IOM er al op duidt dat de Chinese autoriteiten wel (vervangende) reisdocumenten verstrekken aan Chinese vreemdelingen die hun medewerking verlenen aan terugkeer naar China, dit niet leiden tot het oordeel dat sprake is van zicht op uitzetting, nu het in bewaringszaken niet gaat om de vraag of terugkeer mogelijk is, maar om de vraag of de uitzettingshandelingen van verweerder tot uitzetting kunnen leiden.

In een andere zaak dan de onderhavige heeft deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, vragen gesteld over de vreemdelingen die volgens mededeling van verweerder in 2007 en 2008 via de IOM zijn teruggekeerd naar China. Bij brief van 18 juni 2008 heeft verweerder op deze vragen geantwoord niet te kunnen mededelen met behulp van welke documenten deze vreemdelingen zijn teruggekeerd. Bij verweerder was niet bekend of deze vreemdelingen in het bezit waren van documenten en, zo ja, welke documenten dit dan waren. Dit heeft bij de rechtbank eens temeer de vraag opgeroepen op welke wijze uit het vertrek van vreemdelingen naar China via de IOM zou kunnen worden afgeleid dat uitzetting naar China mogelijk is. Deze vraag is noch in de schriftelijke antwoorden van verweerder noch ter zitting afdoende beantwoord. De rechtbank blijft dan ook van oordeel dat aan het gegeven dat in 2007 en 2008 wel vreemdelingen naar China zijn teruggekeerd met behulp van de IOM geen conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de mogelijkheid vreemdelingen uit te zetten naar China.

In aanvulling op hetgeen in voornoemde uitspraak van 20 juni 2008 onder 2.10 is overwogen met betrekking tot het overleg tussen de Nederlandse bewindspersonen en de Chinese autoriteiten overweegt de rechtbank dat verweerder hieromtrent geen nadere gegevens heeft kunnen verschaffen. Hetgeen de rechtbank in de uitspraak van 20 juni 2008 heeft overwogen is derhalve onverkort van toepassing.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank thans tot de conclusie dat niet gesproken kan worden van een reëel zich op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat dit oordeel, dat afwijkt van het oordeel zoals dat was neergelegd in eerdergenoemde uitspraak van 26 mei 2008 van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, is ingegeven door de nadere informatie die sindsdien bekend is geworden. Dit betreft met name het gegeven dat na april 2007 in het geheel geen lp’s meer zijn verstrekt door de Chinese autoriteiten, ook niet aan gedocumenteerde vreemdelingen, terwijl in 2007 en het eerste deel van 2008 ongeveer 900 lp’s zijn aangevraagd. Verweerders beroep op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht van 20 juni 2008 en de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2008 kan reeds daarom niet slagen, omdat de gerechtelijke instanties die deze uitspraken hebben gedaan destijds nog niet de beschikking hadden over alle informatie en aldus een onvolledig beeld hadden van de situatie.

Het voortduren van de bewaring is dan ook onrechtmatig geworden met ingang van 7 juni 2008.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om aan eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 70,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 7 juni 2008 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 1.260,--zal worden toegekend.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 1.260,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. A.I. van der Kris en ter mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van G.A. Ravers-Golbach als griffier op 25 juni 2008.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.260,--.

Aldus gedaan op door mr. F. van der Maden, fungerend voorzitter, op 25 juni 2008.