Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5544

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
303055 / HA RK 08-88 Wrakingnr. 2008/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge art. 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking voor zover dit betrekking heeft op het optreden van mr. [X] op de zitting van 9 november 2007 omdat het verzoek niet tijdig is gedaan; verzoek tot wraking voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2008/4

rekestnummer: 303055 / HA RK 08-88

registratienummer AWB 08/1181 VRONTN

datum beschikking: 11 februari 2008

BESCHIKKING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker],

gedetineerd te [P],

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. P.H. Hillen,

[adres];

procureur: mr. P.H. Hillen;

tegen

Mr. [X],

rechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Bij besluit van 19 februari 2007 van de Staatssecretaris van Justitie is aan verzoeker de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, waartegen verzoeker beroep heeft ingesteld. Bij uitspraak van 9 maart 2007 van deze rechtbank is beslist dat de voortduring van de bewaring van verzoeker rechtmatig is. Verzoeker heeft meermalen beroep ingesteld tegen de voortduring van de bewaring, welk beroep laatstelijk op 13 november 2007 en op 21 december 2007 door deze rechtbank ongegrond is verklaard.

1.2 Op 9 januari 2008 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen de voortduring van de bewaring. Op 21 januari 2008 is de gemachtigde van verzoeker telefonisch door de griffie van de vreemdelingenkamer van deze rechtbank meegedeeld dat er buiten zitting op het beroep zou worden beslist door mr. [X] dan wel mr. [Y]. Nadat de gemachtigde van eiser in hetzelfde telefoongesprek had aangegeven dat er in dat geval een wrakingsverzoek zou worden ingediend gericht tegen mr. [X] voormeld dan wel mr. [Y], is de gemachtigde van verzoeker door de griffie gebeld met de mededeling dat het beroep toch op de zitting van 25 januari 2008 zou worden behandeld door mr. [X].

1.3 Op 22 januari 2008 is bij de griffie van deze rechtbank een namens verzoeker schriftelijk verzoek tot wraking ingediend, waarna de behandeling van het beroep ter zitting is uitgesteld.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 28 januari 2008 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Namens verzoeker is verschenen mr. Hillen voormeld, die aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota het wrakingsverzoek heeft toegelicht. Mr. [X] is niet verschenen, maar heeft bij schrijven van 25 januari 2008 haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet, zoals hierna onder 4. – zakelijk weergegeven – vermeld.

Hoewel tot het bijwonen van de zitting uitgenodigd, heeft een vertegenwoordiger van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij schrijven van 25 januari 2005 aan de wrakingskamer meegedeeld niet te zullen verschijnen.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft zich bij monde van mr. Hillen op het standpunt gesteld dat er bij mr. [X] ten aanzien van verzoeker sprake is van de schijn van vooringenomenheid in de eerste plaats omdat zij eerder bemoeienis heeft gehad met de vreemdelingenbewaring van verzoeker (“bias by pre-judgment”), waarbij haar wijze van optreden op de zitting van 9 november 2007 als uitermate ongeïnteresseerd is ervaren, nu zij aan verzoeker zelf geen vragen stelde en hem evenmin de gelegenheid bood tot het maken van opmerkingen (“bias by attitude” en “bias by pre-judgment”) en in de tweede plaats omdat zij aanvankelijk voornemens was het op 9 januari 2008 ingestelde beroep van zitting buiten zitting ongegrond te verklaren (“bias by attitude” en “bias by pre-judgment”).

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] heeft bij schrijven van 25 januari 2007 de wrakingskamer meegedeeld niet in de wraking te berusten. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de omstandigheid dat zij het beroep van verzoeker ter zitting zou behandelen op toeval berust; op het moment dat mr. Hillen aankondigde een wrakingsverzoek te zullen indienen, was nog niet bekend of zij of mr. [Y] de zaak zou behandelen.

Het beroep is op zitting geplaatst vanwege het door mr. Hillen aangekondigde wrakingsverzoek in de veronderstelling dat het wrakingsverzoek niet op korte termijn behandeld zou kunnen worden en dat niet in het belang van verzoeker zou zijn.

De omstandigheid dat besloten wordt een zaak buiten zitting af te doen betekent niet dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is.

In de wijze waarop zij het bewaringsberoep van verzoeker op de zitting van 9 november 2007 heeft behandeld heeft zij geen blijk gegeven van partijdigheid jegens verzoeker. Het is aan de rechter om te bepalen welke vragen ter zitting van belang zijn. Zij heeft geen vragen aan verzoeker gesteld omdat er geen tolk aanwezig was. Mr. Hillen heeft ter zitting voorts niet aangegeven dat verzoeker het woord wenste te voeren.

5. Beoordeling

5.1 Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.

5.2 Voor zover het wrakingsverzoek ertoe strekt het optreden van mr. [X] op de zitting van 9 november 2007 aan de orde te stellen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet tijdig is gedaan, zodat verzoeker in zoverre niet in het verzoek kan worden ontvangen.

5.3 Voor het overige wordt als volgt overwogen.

5.4 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.5 De enkele omstandigheid dat mr. [X] eerder een bewaringsberoep van verzoeker heeft behandeld en op dat beroep destijds ongunstig voor verzoeker heeft beslist, levert onvoldoende aanwijzing op voor de vrees dat bij deze rechter sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid jegens verzoeker.

5.6 Ten aanzien van de tweede stelling van verzoeker overweegt de rechtbank dat niet vaststaat dat mr. [X] heeft beslist de behandeling van het bewaringsberoep van verzoeker buiten zitting af te doen. Echter, ook als dat wel het geval zou zijn geweest, dan levert die beslissing nog geen grond voor wraking op. Op grond van artikel 96 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 staat het de vreemdelingenrechter immers vrij om zonder toestemming van partijen te bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het middel van wraking niet kan worden benut om onwelgevallige beslissingen aan de orde stellen, indien een rechtsmiddel ontbreekt.

5.7 Nu de door verzoeker aangevoerde gronden het verzoek niet kunnen dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor partijdigheid of vooringenomenheid van mr. [X] dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoeker, dient het verzoek te worden afgewezen.

5.8 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking voor zover dit betrekking heeft op het optreden van mr. [X] op de zitting van 9 november 2007;

wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. P.H. Hillen;

• de Staatssecretaris van Justitie n/d de Immigratie- en Naturalisatiedienst;

• mr. [X];

Deze beslissing is op 11 februari 2008 in het openbaar uitgesproken door

mrs D.H. von Maltzahn, J.G.J. Brink en Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Gest als griffier.