Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5213

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/44213
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / zienswijze / horen / gemeenschapsrecht / goede procesorde

Indien een inbreuk op de openbare orde tot ongewenstverklaring moet leiden, vereist artikel 4:8 van de Awb in het belang van een zorgvuldige besluitvorming dat de betrokken vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich daartegen te verweren door in de gelegen te worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

Wanneer dit is verzuimd, maar de vreemdeling in de daaropvolgende bezwaarschriftprocedure voldoende gelegenheid is geboden om persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, kan deze omissie als gedekt verklaard worden beschouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de onderhavige procedure niet kunnen afzien van het horen van eiser. Immers, eiser heeft zich gedurende de procedure op het standpunt gesteld dat hij het voornemen tot ongewenstverklaring nimmer heeft ontvangen en dat het niet aan hem is bekendgemaakt. Ook ter zitting heeft verweerder niet kunnen aantonen dat het voornemen aan eiser is uitgereikt.

Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen het ingrijpende karakter van een ongewenstverklaring, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser (in ieder geval in de bezwaarfase) in de gelegenheid moeten stellen alle op hem betrokken feiten en omstandigheden in persoon toe te lichten.

De rechtbank overweegt voorts dat het bestreden besluit en de gedingstukken er geen blijk van geven dat verweerder aan zijn kennisvergaringplicht - om te bezien of eiser rechten kan ontlenen aan het communautaire recht - heeft voldaan. Verweerder, die zonder meer het nationale openbare orde-criterium heeft gehanteerd, had dan ook dienen te onderzoeken of eiser als begunstigd familielid van een EU-onderdaan, rechten kon ontlenen aan het communautaire recht.

Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de rechtbank de ter zitting overgelegde kopie van de Spaanse verblijfsvergunning en van zijn huwelijksakte niet bij haar beoordeling mag betrekken, overweegt de rechtbank dat verweerder daardoor niet onredelijk in zijn procesvoering wordt bemoeilijkt omdat hij geacht moet worden bekend te zijn met deze stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 07/44213

Datum uitspraak: 19 mei 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976,

v-nummer 271.538.7425,

van Nigeriaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. M.R. Roethof,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, ongewenst verklaard.

Daartegen heeft eiser op 3 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 23 november 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 februari 2008. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. Berkhout.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft aan de ongewenstverklaring ten grondslag gelegd dat eiser bij uitspraak van 13 juli 2007 door de politierechter te Rechtbank Haarlem, wegens overtreding van artikelen 36b, 36c, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen voor de duur van 5 maanden. Gelet hierop wordt aangenomen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, terwijl eiser geen rechtmatig verblijf heeft als bedoel in artikel 8, onder a tot en met e, van wel l, van de Vw 2000. De omstandigheid dat eiser voor zijn veroordeling nimmer in aanraking is geweest met de politie of justitie, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts is verweerder van mening dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten ten aanzien van zijn ongewenstverklaring naar voren te brengen.

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser heeft gesteld dat hij niet eerder in aanraking is geweest met politie of justitie. Ten onrechte heeft verweerder aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder had voorts rekening moeten houden met het langdurig verblijf van eiser in Spanje, alwaar hij een verblijfsvergunning heeft die geldig is tot 14 februari 2011. De gemachtigde van eiser is van mening dat eiser, als houder van een Spaanse verblijfsvergunning, ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wel degelijk rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Ter ondersteuning heeft de gemachtigde van eiser ter zitting een kopie van de Spaanse verblijfsvergunning van eiser, alsmede een kopie van de huwelijksakte van eiser overgelegd.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen naar aanleiding van het voorstel tot ongewenstverklaring van de korpschef van de politieregio Kennemerland van 22 augustus 2008. Het voorstel tot ongewenstverklaring is nimmer aan hem bekend gemaakt. Uit het procesdossier blijkt evenmin op welke wijze en wanneer dit voorstel aan eiser bekendgemaakt is. Eiser is verder van mening dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van de Awb nu verweerder hem ten onrechte evenmin in de gelegenheid heeft gesteld om in de bezwaarfase te worden gehoord. Eiser is om deze redenen dan ook van mening dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat de ongewenstverklaring schending oplevert van artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

4. Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser op 20 november 2007 is uitgezet naar Spanje, en dat eiser in het bezit is van een geldige Spaanse verblijfsvergunning, die geldig is tot 14 februari 2011.

In het bezwaarschrift van 3 oktober 2007 alsmede in de gronden van zijn bezwaar van 24 oktober 2007 heeft eiser een beroep gedaan op de Wet Openbaarheid van Bestuur en verzocht om een afschrift van het onderliggende dossier. Eiser heeft hierbij aangegeven het recht voor te behouden nadere gronden aan te voeren.

In de gronden van bezwaar van 24 oktober 2007 stelt eiser zich op het standpunt dat hij het voornemen tot ongewenstverklaring van 22 augustus 2007 niet heeft ontvangen en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens het bezwaar onder toepassing van van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, eiser kennelijk ongegrond verklaard, dus zonder eiser te horen.

5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de (bekendmaking van) de ongewenstverklaring met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

6. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a) de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b) die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

7. Indien een inbreuk op de openbare orde tot ongewenstverklaring moet leiden, vereist dit artikel in het belang van een zorgvuldige besluitvorming dat de betrokken vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich daartegen te verweren. Wanneer dit is verzuimd, maar de vreemdeling in de daaropvolgende bezwaarschriftprocedure voldoende gelegenheid is geboden om persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, kan deze omissie als gedekt verklaard worden beschouwd.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de onderhavige procedure niet kunnen afzien van het horen van eiser. Immers, eiser heeft zich gedurende de procedure op het standpunt gesteld dat hij het voornemen tot ongewenstverklaring nimmer heeft ontvangen en dat het niet aan hem is bekendgemaakt. Ook ter zitting heeft verweerder niet kunnen aantonen dat het voornemen aan eiser is uitgereikt.

9. Onder deze omstandigheden, en in aanmerking genomen het ingrijpende karakter van een ongewenstverklaring, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser (in ieder geval in de bezwaarfase) in de gelegenheid moeten stellen alle op hem betrokken feiten en omstandigheden in persoon toe te lichten, zeker nu om een dergelijke mondelinge toelichting is verzocht.

10. De rechtbank overweegt voorts dat het bestreden besluit en de gedingstukken er geen blijk van geven dat verweerder aan zijn kennisvergaringplicht - om te bezien of eiser rechten kan ontlenen aan het communautaire recht - heeft voldaan. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de uitspraak van 13 juli 2007 van de politierechter van de rechtbank Haarlem reeds blijkt dat eiser woonachtig is in Spanje. De rechtbank merkt hierbij verder nog op dat verweerder eiser op 20 november 2007 ook daadwerkelijk heeft uitgezet naar Spanje. Verweerder, die zonder meer het nationale openbare orde-criterium heeft gehanteerd, had dan ook dienen te onderzoeken of eiser als begunstigd familielid van een EU-onderdaan, rechten kon ontlenen aan het communautaire recht. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat eisers beroep op het communautaire recht buiten beoordeling dient te blijven omdat dit eerst in beroep (expliciet) aan de orde is gesteld, reeds niet omdat verweerder gehouden is het gemeenschapsrecht toe te passen.

11. Ten aanzien van de ter zitting door de gemachtigde van eiser overgelegde kopie van de Spaanse verblijfsvergunning en van zijn huwelijksakte, overweegt de rechtbank ten slotte als volgt.

12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank deze stukken, gelet op het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb, niet bij haar beoordeling mag betrekken. De gemachtigde van eiser is van mening dat verweerder reeds met deze stukken bekend is, omdat die al waren overgelegd in de bewarings- en uitzettingsprocedure van eiser.

13. De rechtbank overweegt dat zij deze stukken gelet op de onderhavige omstandigheden bij haar oordeelsvorming zal betrekken, omdat verweerder daardoor niet onredelijk in zijn procesvoering wordt bemoeilijkt. Mede in aanmerking genomen de uitspraak van de politierechter van 13 juli 2007, alsmede de omstandigheid dat verweerder eiser op 20 november 2007 naar Spanje heeft uitgezet, moet verweerder immers bekend worden geacht met deze stukken.

14. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond en behoeven de overige gronden geen verdere bespreking.

15. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 1 november 2007;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan eiser;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser € 143,- te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2008 in tegenwoordigheid van M.L. Waanders als griffier.

de griffier

de rechter