Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4777

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
AWB 06/6584 BPM
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL1950, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strijdigheid BPM met EG-Verdrag? Accessoireregeling. Eiseres heeft op 22 april 2005 een personenauto laten registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Ter zake van deze registratie is BPM voldaan. De auto is ingevoerd vanuit Duitsland, alwaar hij voor het eerst in gebruik is genomen op 4 oktober 2004. De kilometerstand op 22 april 2005 bedroeg circa 14.500 km. De auto is voor een bedrag van € 4.085 voorzien van accessoires als bedoeld in het tot 1 januari 2005 gegolden hebbende artikel 9, negende lid, tweede volzin van de Wet op belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de accessoireregeling). De BPM die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet wordt geheven, wordt niet geheven wegens overschrijding van de Nederlandse grens. Blijkens de hoofdstukken I, II en III van de Wet gaat het hier om een heffing van fiscale aard, die gelijkelijk geldt voor alle motorrijtuigen die in het binnenland (moeten) worden geregistreerd, ongeacht hun oorsprong. Hierop gelet kan de onderhavige BPM-heffing naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking als een in- of uitvoerrecht in de zin van artikel 25 van het Verdrag, maar maakt zij deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen op goederen. Zij moet dus worden getoetst aan artikel 90 van het Verdrag en niet, zoals eiseres voorstaat, aan de artikelen 23 en volgende van het Verdrag. De heffing van BPM over de accessoires moet op grond van artikel 90 van het Verdrag achterwege blijven, omdat deze ook niet drukt op vergelijkbare auto's die in 2004 in Nederland voor het eerst in gebruik zijn genomen. Indien een vergelijkbare auto op 4 oktober 2004 in Nederland zou zijn geregistreerd, zou de ter zake van die registratie verschuldigde BPM - met toepassing van de (op 4 oktober 2004 nog geldende) accessoireregeling - zijn berekend naar een heffingsmaatstaf die € 4.085 lager is. De op 22 april 2005 nog op de auto rustende BPM is daardoor lager dan de BPM die eiseres volgens de nadere berekening van verweerder aan BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van auto. Het verschil tussen beide bedragen niet is verschuldigd. De omstandigheid dat ingevolge artikel 9, zesde lid, van de Wet moet worden uitgegaan van de catalogusprijs ten tijde van de eerste ingebruikname van de auto op 4 oktober 2004, brengt niet mee dat op het tijdstip waarop de catalogusprijs moet worden vastgesteld, zijnde 22 april 2005, nog een beroep kan worden gedaan op de op dat moment reeds vervallen accessoireregeling. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6584 BPM

Uitspraakdatum: 22 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane te [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Door of namens eiseres is op 22 april 2005 op aangifte een bedrag van € 29.620 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. Het door eiseres ingediende bezwaar tegen het op aangifte voldane bedrag is door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2005 afgewezen.

1.2. Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 januari 2006, overeenkomstig de in de uitspraak op bezwaar opgenomen rechtsmiddelverwijzing, beroep ingesteld bij de rechtbank Breda, alwaar het beroepschrift op 27 januari 2006 is ontvangen. Die rechtbank heeft zich bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 Awb onbevoegd verklaard en de zaak doorgezonden naar de rechtbank 's-Gravenhage. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Eiseres heeft op 12 juni 2007 een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is daar verschenen mr. [...], bijgestaan door

mr. [...]. Namens verweerder is verschenen mr. [...].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres heeft op 22 april 2005 een personenauto van het merk Audi, type A8 4.0 TDI (hierna: de auto), laten registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Het kenteken is op naam van eiseres gesteld. Ter zake van deze registratie is het onder 1.1 bedrag vermelde bedrag aan BPM voldaan.

2.2. De auto is ingevoerd vanuit Duitsland, alwaar hij voor het eerst in gebruik is genomen op 4 oktober 2004. De kilometerstand op 22 april 2005 bedroeg circa 14.500 km. De auto is voor een bedrag van € 4.085 voorzien van accessoires (hierna: de accessoires) als bedoeld in het tot 1 januari 2005 gegolden hebbende artikel 9, negende lid, tweede volzin van de Wet op belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de accessoireregeling). De netto catalogusprijs van de auto als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet, zonder rekening te houden met het negende lid van dat artikel zoals het tot 1 januari 2005 gold, bedroeg € 85.499,39.

2.3. Het op aangifte voldane bedrag is berekend op basis van een netto catalogusprijs van € 85.499,39 en een waardedaling als bedoeld in artikel 10 van de Wet van 24 percent. Bij brief van 2 mei 2007 heeft verweerder aan eiseres bericht dat hij, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, nr. 41 178, BNB 2007/55, de waardedaling nader heeft berekend op 38,91 percent en dat om die reden de verschuldigde BPM moet worden verlaagd tot € 23.809.

3. Geschil

3.1. In geschil is uiteindelijk nog het antwoord op de volgende vragen:

a. is de heffing van BPM in strijd met artikel 23 en volgende van het EG-Verdrag (hierna: het Verdrag);

b. is de heffing terecht berekend op basis van een netto catalogusprijs van € 85.499,39?

3.2. Eiseres neemt samengevat de volgende standpunten in. De heffing van BPM is in strijd met artikel 23 en volgende van het Verdrag, omdat deze is aan te merken als 'een heffing van gelijke werking' als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Toetsing aan artikel 90 van het Verdrag is niet aan de orde. De netto catalogusprijs moet worden verminderd met het bedrag van € 4.085, omdat blijkens artikel 9, zesde lid, van de Wet voor de bepaling van de heffingsmaatstaf - dat wil zeggen de netto catalogusprijs - moet worden uitgegaan van de catalogusprijs ten tijde van de eerste ingebruikname van de auto, zijnde 4 oktober 2004, en op dat tijdstip artikel 9, negende lid, tweede volzin, van de Wet en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling nog golden. Bovendien moet die vermindering worden verleend op grond van HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-393/98, BNB 2001/395 (hierna: de zaak Gomes Valente).

3.3. Verweerder neemt samengevat de volgende standpunten in. De heffing van BPM is in diverse arresten van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) nimmer in strijd geoordeeld met het Verdrag. Bovendien is geen sprake van een geldelijke last die bij grensoverschrijding wordt opgelegd, zoals voor schending van artikel 23 en volgende van het Verdrag is vereist. Het bedrag van € 4.085 komt niet in mindering op de netto catalogusprijs, omdat artikel 9, negende lid, tweede volzin, van de Wet en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling niet meer golden op de voor de vaststelling van de belastingschuld bepalende datum 22 april 2005 en die bepalingen bovendien slechts zien op de elementen van de heffingsmaatstaf en niet op het tijdstip waarnaar de heffingsmaatstaf moet worden vastgesteld.

3.4. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van BPM, primair tot het volledige nog resterende bedrag en subsidiair tot een bedrag van € 7.214.

Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van een bedrag van € 5.811 aan BPM.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beoordeling of sprake is van schending van bepalingen het Verdrag stelt de rechtbank voorop dat, naar tussen partijen niet in geschil is, de onderhavige heffing van BPM berust op het in artikel 1, tweede lid, van de Wet omschreven belastbare feit, te weten de registratie van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens.

4.2. Wat de werkingssfeer van de artikelen 25 en 90 van het Verdrag betreft, zijn volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de bepalingen betreffende heffingen van gelijke werking en die betreffende discriminerende binnenlandse belastingen niet cumulatief van toepassing, zodat eenzelfde belasting in het systeem van het Verdrag niet gelijktijdig tot beide categorieën kan behoren (zie onder meer HvJ EG 10 december 2007, nr. C-134/07 (hierna: de zaak Kawala), punt 24, en de daar aangehaalde rechtspraak).

4.3. Met betrekking tot de vraag of de hier aan de orde zijnde heffing van BPM onder het begrip ,heffingen van gelijke werking' in de zin van de artikelen 23 en 25 van het Verdrag valt, is het eveneens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming of de structuur ervan, die wegens grensoverschrijding over goederen wordt geheven en geen douanerecht stricto sensu is, een heffing van gelijke werking is (zie zaak Kawala, punt 25, en de daar aangehaalde rechtspraak).

4.4. De BPM die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet wordt geheven, wordt niet geheven wegens overschrijding van de Nederlandse grens. Blijkens de hoofdstukken I, II en III van de Wet gaat het hier om een heffing van fiscale aard, die gelijkelijk geldt voor alle motorrijtuigen die in het binnenland (moeten) worden geregistreerd, ongeacht hun oorsprong. Hierop gelet kan de onderhavige BPM-heffing naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking als een in- of uitvoerrecht in de zin van artikel 25 van het Verdrag, maar maakt zij deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen op goederen. Zij moet dus worden getoetst aan artikel 90 van het Verdrag en niet, zoals eiseres voorstaat, aan de artikelen 23 en volgende van het Verdrag.

4.5. De door eiseres aangevoerde omstandigheid dat de productie in Nederland van personenauto's verwaarloosbaar klein is, heeft niet tot gevolg dat de ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet geheven BPM als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 25 van het Verdrag in plaats van als een binnenlandse belasting als bedoeld in artikel 90 van het Verdrag moet worden aangemerkt, aangezien naar het oordeel van de rechtbank uit de hoofdstukken I, II en III van de Wet blijkt dat de op voormelde wijze geheven BPM behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen personenauto's stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong van de personenauto's worden toegepast (vgl. HvJ EG 17 juni 2003,

nr. C-383/01 (Danske Bilimportorer), punt 35, V-N 2003/34.4).

4.6. Ingevolge de artikelen XIIIA en XXXIII, eerste lid, van het Belastingplan 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 653) onderscheidenlijk artikel II, onderdeel B, van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2004, nr. WV2004/0447M, Stcrt. 2004, 249, zijn artikel 9, negende lid, tweede volzin, van de Wet en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling met ingang van 1 januari 2005 vervallen. Het Belastingplan 2005 noch voormeld Besluit bevat ter zake overgangsrecht. Het vorenstaande brengt mee dat de vervallen bepalingen niet meer van toepassing zijn op belastbare feiten die zich hebben voorgedaan op of na 1 januari 2005. Aangezien in het onderhavige geval het belastbare feit zich heeft voorgedaan op 22 april 2005 kan eiseres zich niet beroepen op op dat moment niet meer bestaande bepalingen. De omstandigheid dat ingevolge artikel 9, zesde lid, van de Wet moet worden uitgegaan van de catalogusprijs ten tijde van de eerste ingebruikname van de auto op 4 oktober 2004, brengt niet mee dat op het tijdstip waarop de catalogusprijs moet worden vastgesteld, zijnde 22 april 2005, nog een beroep kan worden gedaan op reeds vervallen bepalingen krachtens welke bij de vaststelling op dat moment van de catalogusprijs bepaalde accessoires buiten beschouwing worden gelaten.

4.7. In zijn arrest van 20 september 2007, nr. C-74/06 (Commissie/Griekenland), pt. 25, V-N 2007/48.23, heeft het Hof van Justitie (onder verwijzing naar onder meer de zaak Gomes Valente) overwogen dat blijkens vaste rechtspraak artikel 90, eerste alinea, van het Verdrag wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde product en die op het soortgelijke nationale product op verschillende wijze en volgens verschillende modaliteiten worden berekend, waardoor het ingevoerde product, al is het maar in enkele gevallen, hoger wordt belast. De rechtbank leidt uit deze rechtspraak van het Hof van Justitie en uit het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, nr. 37 666, BNB 2003/122, r.o. 3.6, af dat in het onderhavige geval artikel 90 van het Verdrag meebrengt dat de ter zake van de registratie van de auto betaalde BPM niet is verschuldigd indien en voorzover deze het bedrag van de BPM die nog rust op vergelijkbare auto's die reeds in Nederland waren geregistreerd, overschrijdt.

4.8. Verweerder heeft in zijn onder 2.3 genoemde brief van 2 mei 2007 en in de bijlage bij zijn pleitnota de verschuldigde BPM opnieuw berekend en daarbij de aanvankelijke, op basis van artikel 10 van de Wet berekende, waardedaling vervangen door een waardedaling van 38,91 percent. Verweerder heeft aldus de verschuldigde BPM nader berekend op € 23.809. Eiseres heeft deze berekening niet bestreden, behoudens voor wat betreft de toepassing van de accessoireregeling. Naar haar mening moet heffing van BPM over de accessoires op grond van artikel 90 van het Verdrag achterwege blijven, omdat deze ook niet drukt op vergelijkbare auto's die in 2004 in Nederland voor het eerst in gebruik zijn genomen.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit argument van eiseres. Indien een vergelijkbare auto op 4 oktober 2004 in Nederland zou zijn geregistreerd, zou de ter zake van die registratie verschuldigde BPM - met toepassing van de accessoireregeling - zijn berekend naar een heffingsmaatstaf van (€ 85.499,39 - € 4.085 =) € 81.414,49. De verschuldigde BPM zou in dat geval € 37.127 hebben bedragen, van welk bedrag - gezien de tussen partijen niet langer in geschil zijnde waardedaling van 38,91 percent - op 22 april 2005 nog € 22.681 op die auto zou rusten. Dit is minder dan eiseres volgens de nadere berekening van verweerder aan BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van auto. Gelet op het overwogene onder 4.7 is de rechtbank van oordeel dat het verschil tussen beide bedragen niet is verschuldigd.

4.10. Voor het overige zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de heffing op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet ertoe leidt dat de van eiseres geheven BPM op enige andere wijze in strijd is met het Verdrag.

4.11. Op grond van het overwogene onder 4.8 en 4.9 is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat de verschuldigde BPM € 22.681 bedraagt. De rechtbank zal voor het teveel gehevene een teruggaaf verlenen.

5. Proceskosten

5.1. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van in verband met de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Verweerder heeft in zijn pleitnota gesteld dat daar geen aanleiding voor is, omdat mr. [...] zijn eigen belangen heeft verdedigd. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat verweerder nader het standpunt heeft ingenomen dat aan eiseres niet door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

5.2. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit laatste wel het geval is geweest. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het feit dat mr. [...] enig bestuurder van eiseres is, rechtvaardigt het vermoeden dat hij in deze procedure is opgetreden als bestuurder van eiseres en niet als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Eiseres heeft niets aangevoerd ter ontzenuwing van dit vermoeden. Zij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat beroepsmatig rechtsbijstand is verleend door kantoorgenoten van mr. [...]. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor de aanwezigheid ter zitting van mr. [...], aangezien niet is komen vast te staan dat hij daar aanwezig was in de hoedanigheid van een door eiseres gemachtigde, beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener.

5.3. Omtrent andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niets gesteld of gebleken.

5.4. De rechtbank ziet op grond van de voorgaande overwegingen geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verleent een teruggaaf van BPM ten bedrage van € 6.939,

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, mr. G.J. Ebbeling en mr. C.G.M. van Rijnberk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.