Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4321

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
09/901017-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een lange tijd ontucht gepleegd met een groot aantal jonge jongens (in de leeftijd van 13 tot en met 17 jaar), die werkzaam waren in zijn winkel, al dan niet in het kader van een stage, en uit hoofde daarvan ondergeschikt waren aan verdachte. Verdachte heeft bij deze jongens vergaande seksuele handelingen verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/901017-07

's-Gravenhage, 17 juni 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, P.C.S. Unit 2 te ‘s-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 juni 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. M. A. van der Laan heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, eerste en tweede alternatief, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] voor een bedrag van € 850,- en [B] tot een bedrag van € 1500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [B] voor het overige.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 850,-, subsidiair 17 dagen hechtenis ten behoe[A] en € 1500,-, subsidiair 30 dagen hechtenis ten behoeve van [B].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Ten aanzien van de wijziging tenlastelegging met betrekking tot feit 1 tweede alternatief heeft de rechtbank geoordeeld dat de toevoeging van de personen [B] en [C] toelaatbaar is. Daartoe is redengevend dat deze personen reeds in het eerste ten laste gelegde alternatief (ontuchtige handelingen bij iemand beneden de zestien jaren) worden vermeld en door toevoeging van deze personen aan het tweede alternatief (ontucht met minderjarige met misbruik van gezag/vertrouwen), de verwantschap tussen deze ten laste gelegde feiten zodanig is dat gesproken kan worden over “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 wetboek van Strafrecht.

De rechtbank merkt op dat bij de toegelaten wijziging tenlastelegging, gemerkt A2, die als zodanig is overlegd aan de raadsvrouw, ten onrechte bij feit 1 onder het tweede alternatief [D] niet is doorgehaald. Dit had wel moeten gebeuren nu de tenlastelegging voor wat betreft die persoon wel leidt tot een uitbreiding van het feitencomplex, hetgeen de rechtbank niet toelaatbaar acht. De rechtbank zal een fotokopie van de tenlastelegging zoals die naar haar oordeel dient te luiden invoegen (gemerkt A3).

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging, nu de dwingende regels zoals deze zijn neergelegd in de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: de Aanwijzing) volgens haar niet zijn nageleefd. Hierdoor is in het strafrechtelijk onderzoek niet voldaan aan de criteria van zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit die worden genoemd in de Aanwijzing, hetgeen een onherstelbaar verzuim met zich meebrengt. Zo blijkt nergens uit het dossier dat de zedenrechercheurs die betrokken waren bij deze zaak minimaal voor 50 % in het vak werkzaam zijn. Tevens is de zedenaanspreek-officier niet geconsulteerd. Voorts is gebleken dat niet alle verhoren van zowel de aangevers als van verdachte zijn opgenomen, terwijl het dossier wel doet voorkomen alsof dit zou zijn gebeurd. Ook is niet in alle gevallen een informatief gesprek gevoerd met de slachtoffers. Tenslotte was bij het informatief gesprek met slachtoffer [A] een vertrouwenspersoon aanwezig, te weten zijn moeder, hetgeen in strijd is met de Aanwijzing nu deze persoon dan niet meer als getuige kan worden gehoord. Mocht de rechtbank niet van oordeel zijn dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, dan verzoekt de raadsvrouw om de aangiftes uit te sluiten van het bewijs.

De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen.

De Aanwijzing is hoofdzakelijk in het leven geroepen teneinde de professionele bejegening van slachtoffers van zedendelicten en het algemeen belang van waarheidsvinding te waarborgen. De Aanwijzing ziet met name op seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Daar waar er sprake is van seksuele handelingen waarbij het slachtoffer in een afhankelijkheidsrelatie staat of stond tot de dader, kan de kwetsbaarheid van het slachtoffer dusdanig groot zijn dat er in het opsporingsonderzoek een aantal extra waarborgen dienen te worden ingebouwd, teneinde zorg te dragen voor een zorgvuldig, professioneel en transparant onderzoek. Een informatief gesprek met het slachtoffer is hier een voorbeeld van.

In casu is weliswaar sprake van een afhankelijkheidsrelatie van de slachtoffers ten opzichte van verdachte, doch slechts in een lichte variant, immers slechts in de zin van een arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid van de slachtoffers ten opzichte van verdachte. Dit betekent niet dat de Aanwijzing in zijn geheel niet hoeft te worden opgevolgd; ook nu geldt dat het opvolgen van de Aanwijzing de voorkeur verdient teneinde een deugdelijk onderzoek te waarborgen. De rechtbank overweegt echter dat zij, ondanks het feit dat de regels van de Aanwijzing niet volledig zijn toegepast in deze zaak, geen reden heeft om te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee het opsporingsonderzoek is uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de zedenrechercheurs die in deze zaak belast waren met het onderzoek, 50% van hun werkweek besteden aan de behandeling van zedenzaken. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan hun deskundigheid. Dat niet alle verhoren zijn opgenomen op een geluidsband doet niet af aan de transparantie en zorgvuldigheid waarmee het onderzoek blijkens het dossier is verlopen.

Niet is gebleken dat door het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort heeft gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling. Het betoog van de raadsvrouw leidt daardoor niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank is om dezelfde redenen van oordeel dat bewijsuitsluiting evenmin aan de orde is.

Bewijsoverweging

Hoewel de verdachte ter terechtzitting het hem onder feit 1, eerste alternatief, ten laste gelegde heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank constateert dat in casu uit de verklaringen van beide slachtoffers omtrent de seksuele handelingen, waaronder het binnendringen, van eenzelfde handelwijze van verdachte is gebleken. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen blijkt dat verdachte bij beide slachtoffers steeds een stapje verder ging met het uitvoeren van de (seksuele) handelingen, hetgeen uiteindelijk resulteerde in het binnendringen van het lichaam van de slachtoffers. Wat begon als het masseren van [B] eindigde in het door verdachte pijpen van die [B] en het binnendringen met de vinger in de anus van die [B]. Ook uit de verklaringen van slachtoffer [C] blijkt dat verdachte de seksuele handelingen opbouwde en steeds probeerde hoe ver hij kon gaan. Wat begon met een massage van de schouders van [C], eindigde ook hier in het door verdachte brengen van zijn vinger in de anus van [C] en het trachten zijn penis in de anus van [C] te stoppen. Ook heeft [C] verdachte gepijpt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij misschien tijdens het masseren met zijn vinger in de buurt van hun anus is geweest. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij bij een ander slachtoffer wel eens heeft geprobeerd om met zijn penis in zijn anus te komen.

De rechtbank overweegt dat het gelijke patroon de verklaringen van [B] en [C] over en weer bevestigt. De rechtbank stelt tevens vast dat hetgeen de slachtoffers hebben verklaard over het binnendringen door verdachte, ook past in de handelwijze van verdachte zoals die naar voren is gekomen uit de rest van het dossier, en de verklaringen die hij zelf daarover heeft afgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van het voorgaande voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van feit 1, eerste alternatief.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1, eerste en tweede alternatief, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange tijd ontucht gepleegd met een groot aantal jonge jongens (in de leeftijd van 13 tot en met 17 jaar), die werkzaam waren in zijn winkel, al dan niet in het kader van een stage, en uit hoofde daarvan ondergeschikt waren aan verdachte. Verdachte heeft bij deze jongens vergaande seksuele handelingen verricht, waaronder het aftrekken, strelen, betasten en pijpen. Bij twee van hen is verdachte zelfs hun lichaam binnengedrongen door zijn penis en vinger in de anus van de slachtoffers (trachten) te brengen. Tevens heeft verdachte zich door een van hen laten pijpen. Verdachte heeft de slachtoffers daartoe gemanipuleerd, soms zelfs door hun extra geld te beloven, waardoor zij in een situatie werden gebracht waarbij zij zich moeilijk konden onttrekken aan de handelingen van verdachte. Voorts heeft verdachte aan een minderjarige een seksfilm getoond, waarmee verdachte een minderjarige heeft blootgesteld aan beelden die, gelet op de leeftijd van het slachtoffer, een ongewenst schadelijke invloed op de persoon en de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer kunnen hebben. Tenslotte heeft verdachte enkele jongens gefilmd terwijl zij zichzelf bevredigden en zich niet bewust waren van het feit dat dit werd opgenomen.

Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op deze kinderen had, maar heeft hij tevens ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dit kan, naar de ervaring leert, voor ernstige psychische gevolgen bij de slachtoffers leiden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de puberteit een cruciale fase is bij de ontwikkeling van onder andere de seksualiteit. Verdachte heeft door zijn handelen een evenwichtige ontwikkeling van de seksualiteit bij de slachtoffers verstoord.

De rechtbank acht de hiervoor vermelde feiten zeer ernstig en rekent het verdachte zwaar aan dat hij enkel oog heeft gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Dergelijke feiten worden voorts als zeer schokkend ervaren in de maatschappij.

De rechtbank heeft acht geslagen op de verdachte betreffende rapportage d.d. 21 februari 2008 van drs. O.C. van de Bent, psycholoog. Van de Bent concludeert dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten pedofilie. Verdachte moet daarom als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. De deskundige stelt vervolgens dat er sprake is van een gerede kans op recidive. Voorgesteld wordt om verdachte, in het kader van een verplichte reclasseringsbegeleiding als bijzondere voorwaarde, een behandeling bij De Waag te laten volgen die zich richt op de seksuele stoornis.

Ook de reclassering heeft met betrekking tot verdachte gerapporteerd. Rapporteur [rapporteur] acht in zijn rapport d.d. 7 maart 2008 een reclasseringstoezicht aangewezen, waarbij verdachte onder meer deel zal dienen te nemen aan een zedendadergroep bij De Waag.

De rechtbank heeft tenslotte acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 december 2007, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie echter niet volgen in de gevorderde duur van de proeftijd, nu naar het oordeel van de rechtbank een proeftijd van drie jaren meer in de rede ligt.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[B], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot immateriële schadevergoeding, groot € 10.000,-.

[A], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot immateriële schadevergoeding, groot € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De verdediging heeft zich ten aanzien van deze vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de vordering van [A] in zijn geheel toewijsbaar en de vordering van [B] voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 1500,- als voorschot op een vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vorderingen toewijzen tot een bedrag van € 850,- respectievelijk € 1500,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van heden tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij [B] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de slachtoffers [B] en [A] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, beide alternatieven en/of 2 en/of 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichtingen opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 850,- en € 1500,- ten behoeve van de slachtoffers genaamd [B] en [A].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 240a, 240b, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, beide alternatieven, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

en

ontucht plegen met een aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of minderjarige ondergeschikte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, vertonen aan een minderjarige van wie de dader wist, dat deze jonger is dan zestien jaar;

ten aanzien van feit 3:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 3 december 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 december 2007,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, waaronder het Psycho-medisch centrum Parnassia te 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt begeleiding door en/of (ambulante) behandeling bij De Waag;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [B] een bedrag van € 1500,-,

- [A] een bedrag van € 850,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat de benadeelde partij [B] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat hij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 1500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B] en een bedrag groot € 850,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 respectievelijk 17 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

Mrs. Poustochkine, voorzitter,

Van de Poll en Meijers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bours, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2008