Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4189

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/3742 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting 2004. Verzuimboete wegens het niet binnen de gestelde termijn aangifte doen is terecht opgelegd. De rechtbank matigt de boete onder meer omdat deze zich niet verhoudt tot de te betalen belasting. De heffingsrente is terecht in rekening gebracht, omdat de heffingsrente niet haar oorzaak vindt in een aan de Inspecteur te wijten vertraging bij het opleggen van de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3742 IB/PVV

Uitspraakdatum: 22 februari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 mei 2007 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, alsmede de bij beschikking opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Namens verweerder is verschenen [...]. De bewindvoerder van eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 december 2007, naar [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser of zijn bewindvoerder zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 18 december 2007 bij de balie van Postkantoren BV te [...] is afgehaald, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete;

- vermindert de boete tot € 150 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar voor zover deze is vernietigd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 161 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1. Verweerder heeft met dagtekening 7 april 2007 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 ten bedrage van € 152. Op hetzelfde biljet verenigd heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete ten bedrage van € 567 opgelegd, alsmede heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 16. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij de bestreden uitspraak op bezwaar. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.2. In geschil zijn de vragen of de verzuimboete tot het juiste bedrag en terecht is opgelegd en of de heffingsrente terecht in rekening is gebracht.

2.3. Eiser stelt, zakelijk weergegeven, dat de verzuimboete niet terecht is opgelegd, omdat verweerder in maart 2006 is geïnformeerd over de onderbewindstelling van eiser. Eiser voert aan niet wettelijk verplicht te zijn over een internetverbinding te beschikken. Verweerder gaat er volgens eiser daarom ten onrechte vanuit dat zijn elektronische berichten eiser hebben bereikt. Volgens eiser is de heffingsrente ten onrechte in rekening gebracht, omdat dit financiële nadeel wordt veroorzaakt door de achterstand en traagheid bij de verwerking van zijn dossier door verweerder.

2.4. Verweerder stelt dat hij eiser op 28 februari 2005 schriftelijk heeft uitgenodigd aangifte te doen vóór 1 april 2005. Nadat aangifte uitbleef, heeft verweerder eiser op 1 september 2005 schriftelijk gemaand uiterlijk 1 oktober 2005 aangifte te doen. Eiser heeft daarop niet gereageerd. Derhalve heeft eiser niet binnen de door verweerder gestelde termijn aangifte gedaan. Daarbij is er volgens verweerder sprake van een derde verzuim nu eiser over de jaren 2002 en 2003 ook in verzuim is geweest.

2.5. Verweerder heeft op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzuimboete opgelegd van € 567. Voor een dergelijke boete geldt niet het vereiste dat aan de zijde van belastingplichtige sprake moet zijn van opzet of grove schuld, met dien verstande dat indien de belastingplichtige geen enkel verwijt treft het opleggen daarvan achterwege behoort te blijven wegens afwezigheid van alle schuld. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de afwezigheid van alle schuld zou kunnen blijken. Het feit dat eiser geen aansluiting op internet heeft is daarbij niet van belang, omdat de uitnodiging en aanmaning om aangifte te doen per gewone post zijn verzonden en eiser niet verplicht was gebruik te maken van de bij de uitnodiging meegezonden aangiftediskette. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiser tijdig aangifte heeft gedaan. Nu eiser ook niet heeft weersproken dat er sprake is van een derde verzuim is in beginsel, mede gelet op § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst 1998, de verzuimboete van € 567 terecht en naar een juist bedrag opgelegd.

2.6. De rechtbank vindt echter aanleiding de opgelegde boete te matigen, omdat de hoogte van de opgelegde boete zich niet verhoudt met de te betalen belasting. De boete is immers meer dan 3,5 keer zo hoog als de te betalen belasting. De rechtbank overweegt voorts dat de boete € 113 zou bedragen indien de aanslag op nihil zou zijn vastgesteld. Nu de aanslag meer bedraagt dan nihil en er voorts geen aanleiding is de boete hoger vast te stellen dan het te betalen bedrag van de aanslag, stelt de rechtbank de boete in goede justitie vast op € 150.

2.7. Ten aanzien van de in rekening gebrachte heffingsrente overweegt de rechtbank dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag ingevolge artikel 11, derde lid, van de AWR vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Derhalve is de aanslag tijdig opgelegd. Dat de aanslag eerst in 2007 is opgelegd is mede te wijten aan de omstandigheid dat eiser ondanks dat hij daartoe is uitgenodigd en gemaand geen aangifte heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet binnen een redelijke termijn de aanslag heeft opgelegd. Derhalve vindt de heffingsrente niet haar oorzaak in een aan verweerder te wijten vertraging bij het opleggen van de aanslag. De heffingsrente is daarom terecht in rekening gebracht.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.9. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 161 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 0,5).

Deze uitspraak is gedaan op 22 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. F. Mulder, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.