Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3840

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
AWB 06/9945 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een (loongerelateerde) WW-uitkering toegekend. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiseres reeds beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Verweerder heeft zich hierbij terecht gebaseerd op het door eiseres ingevulde werkbriefje. Daarin heeft zij immers vermeld dat zij niet in staat was om te solliciteren omdat zij het druk had met de zorg voor haar zieke moeder en haar verhuizing. In de gronden van het beroep is namens eiseres nog aangevoerd dat zij als gevolg van overmacht niet in staat was te solliciteren, zodat dit haar niet kan worden aangerekend. Het aangevoerde doet echter niet af aan de feitelijke situatie waarin eiseres zich op dat moment bevond. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/9945 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiserser], wonende [plaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning per 24 oktober 2005 van een uitkering ingevolge de werkloosheidswet (hierna: WW) afgewezen op de grond dat eiseres op die datum niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Voorts heeft verweerder de WW-uitkering van eiseres per 4 juli 2005 beëindigd. Bij dat besluit heeft verweerder tevens geweigerd eiseres per 24 oktober 2005 een uitkering ingevolge de ziektewet (hierna: ZW) toe te kennen.

Bij besluit van 29 maart 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft vervolgens tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 september 2006 dit beroep gegrond verklaard.

Bij zijn besluit van 2 november 2006 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist en het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 november 2007 ter zitting behandeld.

Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

Motivering

Aan eiseres is per 28 maart 2005 een (loongerelateerde) WW-uitkering toegekend. Eiseres heeft de onderhavige uitkeringsaanvraag gedaan nadat zij uit het buitenland ([land]) in Nederland was teruggekeerd.

In artikel 15 van de WW wordt bepaald dat met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen de werknemer die werkloos is recht heeft op uitkering.

Artikel 16, eerste lid, van de WW bepaalt dat werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

In zijn uitspraak van 24 april 1990, RSV 1990/224, LJN: ZB2018, heeft de Centrale Raad van Beroep een uitleg gegeven van het begrip 'beschikbaar om arbeid te aanvaarden' bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. De Raad heeft in die uitspraak voor de uitleg van dit begrip een aantal, niet limitatief bedoelde, uitgangspunten genoemd. Het gaat er bij de uitleg van dit begrip om, dat de werknemer beschikbaar is om arbeid op de arbeidsmarkt te aanvaarden welk begrip een feitelijke toestand weergeeft waarin de werknemer verkeert, aldus de Raad.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet op de zich voordoende feiten en omstandigheden, op 24 oktober 2005 wegens arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Uit de door een medewerker van het Centrum werk en inkomen (hierna: CWI) opgestelde en aan verweerder gezonden notitie van 23 december 2005 blijkt dat eiseres bij terugkeer vanuit [land] op 24 oktober 2005 tijdens het afhalen van haar bagage op het vliegveld in Nederland een knieblessure heeft opgelopen. Als gevolg heeft eiseres vanaf haar heup tot de enkel een gipsspalk gekregen en heeft zij zes weken niet kunnen lopen en staan. Eerst op 23 december 2005 is eiseres in staat geweest zich persoonlijk bij het CWI te melden.

De rechtbank onderschrijft tevens het standpunt van verweerder dat eiseres reeds per 4 juli 2005 niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Verweerder heeft zich hierbij terecht gebaseerd op het door eiseres ingevulde werkbriefje van 27 juli 2005 over de periode van 4 juli 2005 tot en met 31 juli 2005. Daarin heeft zij immers vermeld dat zij niet in staat was om te solliciteren omdat zij het druk had met de zorg voor haar zieke moeder en haar verhuizing. In de gronden van het beroep is namens eiseres nog aangevoerd dat zij als gevolg van overmacht niet in staat was te solliciteren, zodat dit haar niet kan worden aangerekend. Het aangevoerde doet echter niet af aan de feitelijke situatie waarin eiseres zich op dat moment bevond.

Verweerder heeft aan eiseres voorts in verband met haar arbeidsongeschiktheid per 24 oktober 2005 op goede gronden toekenning van een ZW-uitkering geweigerd. Uit hetgeen boven is overwogen volgt dat eiseres per 24 oktober 2005 geen recht heeft op een WW-uitkering, zodat zij op die datum aan de WW geen verzekering ingevolge de ZW kon ontlenen. Evenmin kon eiseres, zoals verweerder terecht heeft beslist, aanspraken ontlenen op een ZW-uitkering op grond van artikel 46 van de ZW (de zogeheten 'nawerkingsbepaling').

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de ZW, voorzover hier relevant, heeft degene, die:

a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is geweest of

b. in de loop van de twee maanden, voorafgaande aan het einde van zijn verzekering, op ten minste 16 dagen verzekerd is geweest,

indien hij in het onder a bedoelde geval binnen een maand na het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen 8 dagen na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.

Eiseres ontvangt sedert 4 juli 2005 geen WW-uitkering meer, zodat de verzekering ingevolge de ZW per die datum is beëindigd. De arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden op 28 oktober 2005, derhalve niet binnen een maand na het einde van de periode van twee maanden van de ZW-verzekering als bedoeld onder a van het eerste lid van artikel 46 van de ZW.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. de Beyl.