Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3821

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
AWB 06/4245 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook LJN BD3820. X en zijn echtgenote Y drijven een lunchroom/petit restaurant. Op 19 april 2001 sluiten X en Y een overeenkomst met Z over de verkoop van de onderneming met leveringsdatum 31 juli 2001. In de overeenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen in verband met de huur van het pand door Z. Z bereikt geen overeenstemming met de verhuurder van de pand. Daarom komen partijen op 18 juli 2001 overeen dat de leveringsdatum wordt verlengd naar 30 september 2001. Op 13 september 2001 richten X en Y houdstermaatschappij A BV en werkmaatschappij B BV op. Zij brengen de onderneming in A BV in en als tegenprestatie voor deze inbreng bedingen X en Y een lijfrente bij A BV. Vervolgens wordt de onderneming door A BV ingebracht in B BV. Op 28 september 2001 laat Z aan X en Y weten dat hij nog geen overeenstemming heeft bereikt met de verhuurder, maar hij verwacht dit wel op korte termijn. Op 16 oktober 2001 levert B BV de onderneming aan Z. In geschil is of X en Y ter zake van de inbreng van de onderneming een lijfrente kunnen bedingen bij A BV.

Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat X en Y geen lijfrente kunnen bedingen bij A BV. Onder een overdracht dient niet te worden begrepen de overdracht van een onderneming onmiddellijk gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde, omdat in een zodanig geval niet kan worden gezegd dat de persoon of het lichaam waaraan de premies worden betaald, de onderneming heeft overgenomen. De rechtbank oordeelt dat X en Y de onderneming op 19 april 2001 hebben verkocht en dat er een (volkomen) obligatoire overeenkomst tot stand is gekomen, ondanks dat aan een voorwaarde nog niet voldaan was. De rechtbank acht de stelling van X en Y dat ze er ernstig rekening mee hielden dat ze de onderneming zelf voort zouden zetten, geloofwaardig. Dit neemt niet weg dat ze de tenuitvoerlegging van de overeenkomst nog steeds nastreefden, althans dat ze geen beletselen hebben opgeworpen om de levering op een later tijdstip dan aanvankelijk voorzien was plaats te laten vinden. Het beroep van X en Y is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1252
FutD 2008-1287
V-N 2008/54.3.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4245 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[Y], wonende te [Z],

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 met dagtekening 23 september 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar - onder meer - een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 161.948. De eerder over dat jaar opgelegde definitieve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen was opgelegd naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 71.417 en overigens naar dezelfde elementen als de hiervoor vermelde navorderingsaanslag.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 28 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 1 mei 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008 te 's-Gravenhage. Het onderzoek in deze zaak heeft daarbij gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met nummer 06/4244 ter zake van de aan de echtgenoot van eiseres opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1.7. Eiseres is ter zitting in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [X] en van haar gemachtigde [...]. Namens verweerder zijn verschenen [...] en [...].

1.8. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

1.9. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank - mutatis mutandis - naar de aangehechte uitspraak van heden met nummer AWB 06/4244, onderdelen 2.1 tot en met 2.10.

2.2. In haar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft eiseres als winst uit onderneming een bedrag van € 139.280 aangegeven. Bij vraag 18a (Premies voor lijfrenten) heeft zij een bedrag van € 90.531 in mindering gebracht op haar belastbare inkomen uit woning en werk.

3. Geschil, beoordeling van het geschil en proceskosten

De rechtbank verwijst hiervoor - mutatis mutandis - naar de onder 2.1 vermelde uitspraak.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 mei 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. P.M.F. van Loon, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. P.F. Goes in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Asperen, griffier.

de voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.