Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3789

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/17447
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag/ in bewaring na uitreiken voornemen/ belangenafweging

Eiser stelt dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld nu hij reeds na het ontvangen van zijn voornemen in bewaring is gesteld. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit discriminatie is.

De rechtbank verwijst naar paragraaf A6/5.3.3.3 en paragraaf A6/5.3.3.5 Vc 2000 waaruit volgt dat bewaring niet mag worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Voorts dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk te geschieden. Hierbij is het risico dat zij zich aan uitzetting zullen onttrekken van belang. In het pv van bevindingen zijn een aantal redenen genoemd voor de inbewaringsstelling. De rechtbank overweegt dat verweerder in de op eiser toegesneden belangenafweging in verband met het illegale verblijf van eiser in Nederland en het geen gevolge geven aan de aanzegging Nederland te verlaten heeft kunnen stellen dat vrees bestaat dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. De ervaringen van verweerder met andere Chinese vreemdelingen maakt het bovenstaande niet anders. Eisers standpunt dat sprake is van discriminatie en dat de bewaring derhalve onrechtmatig is wordt niet gevolgd.

Beroep ongegrond, geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/17447

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1963,

van Chinese nationaliteit,

IND dossiernummer 0708.15.0172,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Alphen aan de Rijn,

raadsman mr. R.E.J.M. van den Toorn,

eiser;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. J.P.M. Wuite,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Op 16 mei 2008 is eiser, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert en omdat eiser in afwachting is van de beslissing op zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning terwijl de uitzetting achterwege dient te blijven totdat op deze aanvraag is beslist (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 8, onder g, Vw 2000).

Op 17 mei 2008 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 mei 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn raadsman, mr. S.A.M. Fikken. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Eiser stelt zich op het standpunt dat, nu zijn eerdere bewaring is opgeheven met ingang van 14 februari 2008, verweerder dient aan te tonen dat thans sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Onbestreden is dat de eerdere inbewaringstelling van eiser is opgeheven met ingang van 14 februari 2008. Conform vaste jurisprudentie dient in het geval dat een eerdere inbewaringstelling is opgeheven vanwege een gebrek aan zicht op uitzetting, bij een hernieuwde inbewaringstelling te worden bezien of ten tijde van de hernieuwde inbewaringstelling sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Hierbij is tevens van belang het tijdsverloop tussen beide inbewaringstellingen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de eerdere bewaring is opgeheven in verband met een belangenafweging. Eiser heeft hierop aangegeven dat hij hier ook van uitgaat. In dit geval zijn dan ook, hoewel sinds de inbewaringstelling van 14 februari 2008 slechts beperkte tijd is verstreken, geen nieuwe feiten of omstandigheden vereist.

Eiser stelt dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld. Eiser is reeds na het ontvangen van zijn voornemen in bewaring gesteld, in tegenstelling tot andere ongedocumenteerde vreemdelingen. Alleen Chinezen worden na de uitreiking van het voornemen in bewaring gesteld. Dit kan dan ook niet van doorslaggevend belang zijn bij een inbewaringstelling. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat sprake is van discriminatie en dit maakt de bewaring onrechtmatig.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet slechts in bewaring is gesteld op grond van de ervaringen die verweerder heeft met Chinese vreemdelingen. Eiser is eerder aangezegd Nederland te verlaten; dit heeft hij echter niet gedaan. Eiser is voorts sinds 2001 illegaal in Nederland en hij heeft eerder in vreemdelingenbewaring gezeten.

Uit paragraaf A6/5.3.3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat bewaring niet mag worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Steeds zal een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid en het individuele belang van de vreemdeling.

Uit paragraaf A6/5.3.3.5 Vc 2000 volgt voorts dat het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk dient te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen van16 mei 2008 is het volgende vermeld:” (…) Gelet op het feit dat betrokkene reeds langere tijd in Nederland illegaal heeft verbleven en reeds eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, werd betrokkene overgebracht naar een plaat van verhoor daar ik voornemens was hem in bewaring te stellen.” Daarna wordt opgemerkt:” (…) Tevens bleek uit ervaringsgegevens dat veel personen van de Chinese nationaliteit na het uitreiken van het voornemen en voordat de beschikking kon worden uitgereikt met onbekende bestemming van het aanmeldcentrum Ter Apel vertrokken en wederom in de illegaliteit verdwenen.”

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de op eiser toegesneden belangenafweging in verband met het illegale verblijf van eiser in Nederland en het geen gevolge geven aan de aanzegging Nederland te verlaten heeft kunnen stellen dat vrees bestaat dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. De ervaringen van verweerder met andere Chinese vreemdelingen maakt het bovenstaande niet anders. Eisers standpunt dat sprake is van discriminatie en dat de bewaring derhalve onrechtmatig is wordt niet gevolgd.

Voorts stelt eiser dat geen sprake is van zich op uitzetting. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 27 mei 2008 (Awb 08/16748). In die zaak werd overwogen dat geen sprake was van een reëel zicht op uitzetting. Eiser stelt dat al anderhalf jaar geen laissez-passers (lp) worden verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Daarnaast stelt eiser dat hij wel met verweerder meewerkt.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, van 26 mei 2008, Awb 08/13868, als volgt. Deze uitspraak is op voorhand aan eisers gemachtigde toegezonden. De enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten in 2007 slechts in een gering aantal gevallen en alleen aan gedocumenteerde vreemdelingen reisdocumenten hebben verstrekt, betekent niet dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. In elk geval blijkt uit die omstandigheid wel dat die autoriteiten kennelijk bereid zijn een reisdocument te verstrekken, indien de vreemdeling zijn identiteit met documenten kan aantonen.

Op een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Die vreemdeling moet actieve en volledige medewerking verlenen aan het verkrijgen van documenten die voor de uitzetting noodzakelijk zijn. Een vreemdeling die stelt niet over dergelijke documenten te beschikken, moet aantonen dat zij of hij voldoende pogingen heeft ondernomen om die documenten te verkrijgen. Zolang dat niet is aangetoond, moet ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling in het bezit kan komen van enig document waarmee de afgifte van een laissez-passer kan worden bewerkstelligd.

Eiser heeft tijdens het gehoor van 16 mei 2008 aangegeven dat hij nooit zal meewerken aan een terugkeer naar China. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen documenten kan verkrijgen. Derhalve staat niet vast dat hij geen lp zal verkrijgen.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. ten Kate als griffier op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.