Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3327

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/2431, 08/2426
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naturalisatie echtgenote / Besluit 1/80

In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2006 (LJN: AY5961) op het standpunt gesteld dat, nu de echtgenote van verzoeker de Nederlandse nationaliteit erbij heeft verkregen, zij geen rechten meer kan ontlenen aan het Besluit 1/80 en derhalve verzoeker ook niet. De voorzieningenrechter volgt deze uitspraak van de Afdeling niet. De voorzieningenrechter is - onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 december 2007 (LJN: BC1134) en 15 januari 2008 (LJN: BC2670) van oordeel dat de echtgenote van verzoeker - voor zover zij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Immers, gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92) en 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) worden de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

Dat de echtgenote van verzoeker reeds ten tijde van de inreis van verzoeker in Nederland de Nederlandse nationaliteit had en dat verzoeker gelet hierop niet in aanmerking zou komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/2431 (voorlopige voorziening) & 08/2426 (beroep)

V-nummer: 180.201.4342

Inzake:

[verzoeker], verzoeker,

gemachtigde mr. A. Durmus, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. I. M. Bijvank.

I Procesverloop

1 Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1977, bezit de Turkse nationaliteit. Bij besluit van 1 december 1999 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met als doel “verblijf bij echtgenote”, laatstelijk verlengd tot 12 maart 2009. Bij besluit van 20 maart 2007 is de vergunning ingetrokken en is verzoeker tot ongewenst vreemdeling verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt op 2 april 2007. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 oktober 2007, is het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de ongewenstverklaring afgewezen en voor het overig gevraagde niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft op 28 december 2007 het bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 januari 2008 heeft verzoeker tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

2 Op 17 januari 2008 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting achterwege blijft en dat hij niet in vreemdelingenbewaring wordt gesteld onder gelijktijdige schorsing van de ongewenstverklaring. Verweerder heeft op 7 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Ter zitting is verschenen verzoeker bij zijn gemachtigde en deze onder bijstand van zijn kantoorgenoot mr. E. Köse. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging.

1.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

1.3 Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd. De Associatieraad heeft op 19 september 1980 het Associatiebesluit 1/80 (hierna:

Besluit 1/80) genomen.

1.4 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden,

– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

– na vier jaar legale arbeid in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

1.5 Artikel 7 van het Besluit 1/80 - voor zover thans van belang - bepaalt:

“Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen;

– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.”

1.6 Artikel 14, lid 1, van het Besluit nr. 1/80 bepaalt:

‘‘De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.’’

1.7 Artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) luidt als volgt:

“De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.”

2 Verweerder stelt - voor zover thans relevant - zich in het bestreden besluit op het standpunt dat verzoeker geen rechten kan ontlenen aan de verblijfsstatus van zijn echtgenote, nu zij door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 31 juli 2006. Derhalve komt verzoeker niet in aanmerking voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80. Te meer niet nu de echtgenote van verzoeker reeds ten tijde van de inreis van verzoeker in Nederland de Nederlandse nationaliteit had. Een toetsing aan het openbare orde criterium van het gemeenschapsrecht is niet aan de orde. Verzoeker is terecht op grond van het nationale recht ongewenst verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat zich richt tegen de intrekking van de verblijfsvergunning dient op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling niet-ontvankelijk te worden verklaard. Verweerder concludeert met betrekking tot het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat zich richt tegen de ongewenstverklaring primair tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot afwijzing van het verzoek.

3 Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen en - voor zover thans van belang - wordt door hem het volgende aangevoerd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn verblijfsrecht op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80 niet verloren is gegaan door de naturalisatie van zijn echtgenote. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 7 en 14 van het Besluit 1/80 alsmede met het in dat kader analoog toe te passen gemeenschapsrecht, zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie), waarnaar verzoeker verwijst. In dat verband verwijst verzoeker ook naar artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG. Verweerder had dienen te toetsen aan het openbare orde criterium van het gemeenschapsrecht in plaats van te toetsen aan de “glijdende schaal” uit het nationale recht.

4.1 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.2 De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 maart 2008 (LJN BC7784) geoordeeld dat, gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring, de te treffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten. Door verweerder is niet bestreden dat verzoeker na zijn ontslag uit detentie op 30 mei 2008 de maatregel van bewaring zal worden opgelegd ter fine van uitzetting. In zoverre heeft verzoeker belang bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Anders dan verweerder heeft gesteld staat de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2006 (LJN: AY6873) niet aan ontvankelijkheid van het verzoek in de weg omdat in die zaak anders dan in de thans voorliggende zaak verweerder had toegezegd dat uitzetting niet aan de orde was. Daarbij was in die zaak aan de orde de vraag hoe de strafrechtelijke consequenties van de ongewenstverklaring zich verhouden tot de omstandigheid dat de vreemdeling niet naar het land van herkomst uitgezet zal worden. Dat is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Het verzoek om de voorlopige voorziening, zoals in de onderhavige zaak is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen, is dan ook ontvankelijk.

4.3 Onbetwist is dat de echtgenote van verzoeker als kind van een Turkse gastarbeider, die valt onder artikel 6 van het Besluit 1/80, meer dan vijf jaar bij haar ouders heeft verbleven en dat zij op enige moment de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Vaststaat dat zij tevens de Turkse nationaliteit heeft en legale arbeid verricht.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2006 (LJN: AY5961) op het standpunt gesteld dat, nu de echtgenote van verzoeker de Nederlandse nationaliteit erbij heeft verkregen, zij geen rechten meer kan ontlenen aan het Besluit 1/80 en derhalve verzoeker ook niet. De voorzieningenrechter volgt deze uitspraak van de Afdeling niet. De voorzieningenrechter is - onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 december 2007

(LJN: BC11340 en 15 januari 2008 (LJN: BC2670) van oordeel dat de echtgenote van verzoeker - voor zover zij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Immers, gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92) en 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) worden de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

Dat de echtgenote van verzoeker reeds ten tijde van de inreis van verzoeker in Nederland de Nederlandse nationaliteit had en dat verzoeker gelet hierop niet in aanmerking zou komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het

Besluit 1/80, kan gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet voldoet aan artikel 7 van het Besluit 1/80. Nu verweerder verzoeker ongewenst verklaard heeft op grond van het nationale recht en de motivering om niet te toetsen aan het openbare orde criterium van het gemeenschapsrecht onvoldoende deugdelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat verzoeker ook bij toetsing aan het openbare orde criterium van het gemeenschapsrecht ongewenst verklaard kan worden, maakt niet dat het bestreden besluit stand kan houden. Het is aan verweerder om dat standpunt in een besluit nader te motiveren.

Aan de overige aangevoerde gronden en verweren komt de voorzieningenrechter niet toe.

5 Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, bestaat aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:86, eerste lid van de Awb. Het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring van verzoeker, wordt derhalve gegrond verklaard. Nu het primaire besluit waarbij verzoeker ongewenst is verklaard niet wordt vernietigd, dient het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de vergunning tot verblijf, op grond van de vaste Afdelingsjurisprudentie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6 Gegeven de gegrondverklaring van het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ziet de rechtbank aanleiding in de zaak met AWB-nummer 08/2426 een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende de tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten. Het overige verzochte aan voorzieningen wordt afgewezen.

7 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak (AWB 08/2426) is er in de zaak bekend onder AWB-nummer 08/2431 geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

8 Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

9 De voorzieningenrechter wijst met toepassing van artikel 8:82, vierde lid van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan verzoeker het betaalde griffierecht in beroep en voorlopige voorziening ten bedrage van € 143,- elk en samen in totaal € 286,- dient te vergoeden.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

rechtdoende:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de vergunning tot verblijf, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 december 2007, voor zover het strekt tot de ongewenstverklaring van verzoeker;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

- treft op grond van het bepaalde in het artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, een voorziening inhoudende dat verweerder de uitzetting van verzoeker achterwege laat tot vier weken na de beslissing op het bezwaarschrift van 2 april 2007 (voor zover het strekt tot de ongewenstverklaring van verzoeker);

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder AWB-nummer 08/2431 af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht in beroep en ter zake van de voorlopige voorziening van

€ 286,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzieningenrechter, en door deze en mr. P. de Haas, griffier, ondertekend.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 28 mei 2008.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak – voorzover betreft AWB-nummer 08/2426 – hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Tegen de uitspraak bekend onder AWB 08/2431 staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: