Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3231

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/29633 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder in dit geval ten onrechte een bedrag van € 331.- aan leges heeft geheven. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen bij uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2006 (AWB 05/26907), is de invoering van legesheffing voor de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning en de daarna ingevoerde verhoging van deze leges in strijd met artikel 13 van het Besluit 1/80. Het heffen van hogere leges aan eiser dan het voor EU-burgers geldende tarief van € 30,- is onrechtmatig. Het beroep is derhalve in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 07/29633 BEPTDN

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. [gemachtigde], ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser, geboren op [datum] 1975, bezit de Turkse nationaliteit.

Aan eiser is op 30 december 2003 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 verleend, onder de beperking 'verblijf bij echtgenote [echtgenote]', geldig tot 5 juni 2009.

Bij brief van 25 januari 2007, ingekomen bij verweerder op 26 januari 2007, heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking 'voortgezet verblijf'. Op 30 maart 2007 heeft verweerder de gevraagde verblijfsvergunning met ingang van

13 februari 2007 aan eiser toegekend. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 22 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek van eiser om restitutie van de leges afgewezen.

2. Bij schrijven van 20 juli 2007 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegen de afwijzing van het verzoek om restitutie van de leges heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft verweerder een beslissing op het bezwaarschrift van 20 juli 2007 genomen. Met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiser geacht (mede) te zijn gericht tegen dit besluit.

4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

11 april 2008. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2. Bestreden besluit van 22 juni 2007

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 22 juni 2007 het standpunt gehandhaafd dat de gevraagde verblijfsvergunning terecht met ingang van 13 februari 2007 aan eiser is verleend.

Eiser heeft betoogd dat de verblijfsvergunning had moeten worden verleend met ingang van 26 januari 2007, de datum waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat verweerder is uitgegaan van een willekeurige datum, namelijk de datum waarop eiser is uitgenodigd door de gemeente, verdraagt zich volgens eiser niet met de ononderbroken opbouw van zijn verblijfsrechten. Eiser heeft gesteld dat hij op 26 januari 2007 voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor de gevraagde verblijfsvergunning. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder gewezen naar een beschikking van verweerder ten aanzien van [A]. In die zaak is verweerder ook uitgegaan van de datum van indiening van de aanvraag. Dat in zijn geval anders is beslist is (derhalve) in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder, zoals verwoord in het verweerschrift, dat eiser geen belang heeft bij het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 juni 2007. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat geen sprake is van een zogenoemd verblijfsgat in de door eiser opgebouwde rechten. De verblijfsvergunning van eiser onder de beperking 'verblijf bij echtgenote' was immers nog geldig tot 5 juni 2009. Anders dan eiser (veronder)stelt heeft het verlenen van de verblijfsvergunning onder de beperking 'voortgezet verblijf' derhalve geen effect op (de duur van) zijn rechtmatig verblijf.

Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

3. Bestreden besluit van 28 maart 2008

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 28 maart 2008 het standpunt gehandhaafd dat terecht een bedrag van € 331,- aan leges is geheven, omdat eiser een aanvraag om toetsing aan het nationale beleid heeft ingediend.

Eiser is van mening dat hij een te hoog bedrag aan leges heeft moeten betalen. Onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de door hem betaalde leges,

€ 331,-, een nieuwe beperking is in de zin van artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije (Besluit 1/80). Eiser is van mening dat hij in aanmerking komt voor het voor EU-burgers geldende legestarief van € 30,-. Gelet op de toepasselijkheid van het communitaire recht dient artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen in dit geval buiten toepassing te blijven.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder in dit geval ten onrechte een bedrag van € 331.- aan leges heeft geheven. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen bij uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2006 (AWB 05/26907), is de invoering van legesheffing voor de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning en de daarna ingevoerde verhoging van deze leges in strijd met artikel 13 van het Besluit 1/80. Het heffen van hogere leges aan eiser dan het voor EU-burgers geldende tarief van € 30,- is onrechtmatig. Het beroep is derhalve in zoverre gegrond.

Aangezien bovenstaand oordeel ertoe leidt dat verweerder nog maar één rechtens juiste beslissing kan nemen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient de ten onrechte betaalde leges ten bedrage van € 301,- aan eiser terug te betalen.

4. Verweerder wordt (voorts) in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een bezwaarschrift, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 3 punten (€ 322,- per punt) worden toegekend.

Aangezien door eiser slechts eenmaal griffierecht is betaald terwijl sprake is van twee afzonderlijke procedures, wordt verweerder in dit geval niet opgedragen aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 juni 2007, wat betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser, niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen het besluit van

28 maart 2008;

3. vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2008;

4. herroept het besluit van 22 juni 2007, voor zover daarbij het verzoek van eiser om restitutie van de leges is afgewezen;

5. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

6. veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,-, welk bedrag de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan eiser moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2008, in tegenwoordigheid van mr. S.M.C. Wesseldijk, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)