Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3053

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/14245
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / vervolgberoep / art. 1:3, lid 3 Awb / art. 3.101 Vb / art. 59 lid 4 Vw / redelijke termijn / onrechtmatig

Naar het oordeel van de rechtbank dient de op 15 februari 2008 door verweerder ontvangen brief , gelet op het doel en de strekking daarvan alsmede het daarbij kennelijk meegezonden formulier, te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Onweersproken is, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat de betreffende aanvraag niet op de plaats als bedoeld in artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit is ingediend. Niet gebleken is dat verweerder eiseres zo spoedig mogelijk in staat is gesteld het gebrek (de indiening op de onjuiste plaats) te herstellen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat, zo al moet worden gezegd dat artikel 59, vierde lid van de Vw niet rechtstreeks van toepassing moet worden geacht, in ieder geval moet worden geoordeeld dat in de onderhavige situatie het daarin verankerde norm met betrekking tot een spoedige afhandeling van de aanvraag binnen een redelijke, in evengenoemde bepaling vermelde, termijn is geschonden. Van verweerder kan verlangd worden zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen omtrent de verblijfsrechtelijke situatie van de betrokkene. Nu dit in casu niet het geval is geweest, kan de bewaring naar het oordeel van de rechtbank niet langer rechtmatig worden geacht met ingang van 14 maart 2008, zijnde de datum volgend op de laatste dag van de termijn van vier weken na ontvangst van de aanvraag (15 februari 2008). Beroep gegrond, schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/14245 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 21 mei 2008

inzake

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1972, van gestelde Soedanese nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. E.B. Rijpma, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 7 december 2007 aan eiseres met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Eiseres heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Eiseres heeft daarbij verzocht om een schadevergoeding.

1.3 Verweerder heeft een kopie van de voortgangsrapportage van 24 april 2008 met betrekking tot de uitzetting van eiseres overgelegd.

1.4 De rechtbank heeft eiseres gelegenheid geboden om binnen twee werkdagen nadat verweerder de voortgangsgegevens heeft verzonden te reageren op de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens en daarbij gemotiveerd aan te geven, waarom de behandeling van het vervolgberoep ter zitting niet achterwege mag blijven, alsmede of de vreemdeling in persoon door de rechtbank gehoord wil worden.

1.5 Eiseres heeft hierop gereageerd en daarbij niet aangegeven dat onderhavige zaak ter zitting niet achterwege mag blijven.

1.6 De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en daarbij op grond van artikel 96, eerste lid, Vw bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege blijft.

1.7 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 15 mei 2008.

Eiseres is aldaar niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Hekman, als waarnemer voor eiseresses gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2.1 De rechtbank is ter zitting gebleken dat de maatregel van bewaring is opgeheven per 9 mei 2008. Eiseres heeft daarom niet langer belang bij de rechterlijke toetsing van de vraag of de maatregel van bewaring dient te worden opgeheven.

2.2 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank, voor zover hier van belang, indien de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.3 Daarvoor dient de vraag te worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

2.4 Eiseres heeft de rechtbank verzocht een schadevergoeding toe te kennen – kort samengevat – vanaf 14 maart 2008, zijnde de datum waarop verweerder een beslissing op haar aanvraag had moeten nemen.

2.5 Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat eiseresses bewaring op 9 mei 2008 is opgeheven. Redengevend hiervoor is dat niet binnen de termijn is beslist op eiseresses aanvraag. Verweerder’s gemachtigde stelt zich ter zitting op het standpunt dat deze opheffing ten onrechte heeft plaatsgevonden. Hiertoe wordt aangevoerd dat er sprake is van een onvolledige aanvraag omdat deze niet op de juiste plaats, zijnde de plaats van de tenuitvoerlegging van de bewaring, is ingediend. Verweerder verwijst in dit verband naar artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder stelt dat artikel 59, vierde lid, van de Vw niet van toepassing is zodat er geen termijn is verbonden aan de beslissing op de aanvraag. Verweerder heeft op 14 mei 2008 een herstelverzuim brief naar eiseresses gemachtigde verzonden. Gelet op het vorenstaande concludeert verweerder tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat bij uitspraak van 10 maart 2008 is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan deze uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig waren. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of sedert het moment van het sluiten van genoemd onderzoek de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op 9 mei 2008 rechtmatig is geweest.

2.7 Eiseres stelt dat artikel 59, vierde lid, van de Vw aan de bewaring in de weg stond vanaf vier weken na de termijn van het indienen van de aanvraag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verweerder verzonden brief, welke op 15 februari 2008 is ontvangen, niet als aanvraag kan worden aangemerkt nu deze niet op het juiste adres is ingediend. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank dient de op 15 februari 2008 door verweerder ontvangen brief, gelet op het doel en de strekking daarvan alsmede het daarbij kennelijk meegezonden formulier, te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Onweersproken is, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat de betreffende aanvraag niet op de plaats als bedoeld in artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit is ingediend. Dit neemt echter niet weg dat, indien al gezegd moest worden dat verweerder om laatstvermelde reden niet in staat was de behandeling van de aanvraag adequaat ter hand te nemen, eiseres in ieder geval zo spoedig mogelijk in staat had dienen te worden gesteld dit gebrek te herstellen teneinde tot verdere besluitvorming over te gaan. Van dit laatste is niet gebleken. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat, zo al moet worden gezegd dat artikel 59, vierde lid van de Vw niet rechtstreeks van toepassing moet worden geacht, in ieder geval moet worden geoordeeld dat in de onderhavige situatie het daarin verankerde norm met betrekking tot een spoedige afhandeling van de aanvraag binnen een redelijke, in evengenoemde bepaling vermelde, termijn is geschonden. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat een maatregel van bewaring wordt opgelegd met het oog op een mogelijke uitzetting. In dit licht kan van verweerder worden verlangd zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen omtrent de verblijfsrechtelijke situatie van de betrokkene. Nu dit in casu niet het geval is geweest, kan de bewaring naar het oordeel van de rechtbank niet langer rechtmatig worden geacht met ingang van 14 maart 2008, zijnde de datum volgend op de laatste dag van de termijn van vier weken na ontvangst van de aanvraag (15 februari 2008).

De rechtbank merkt nog op dat verweerder zelf ook de maatregel heeft opgeheven op de grond dat niet tijdig was beslist op eiseresses aanvraag.

2.8 Gelet op het vorenstaande is eiseresses bewaring onrechtmatig vanaf 14 maart 2008.

2.9 De rechtbank acht in de onderhavige situatie voorts termen aanwezig om overeenkomstig het verzoek van eiseres een schadevergoeding toe te kennen. Deze is als volgt berekend. De bewaring is niet langer rechtmatig vanaf 14 maart 2008 en opgeheven per 9 mei 2008. Dit betekent dat recht bestaat op 56 dagen schadevergoeding (de laatste dag telt niet mee) ten bedrage van € 70,- = € 3.920, -.

2.10 De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres een schadevergoeding toe, ten bedrage van € 3.920,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. F.M.D. Aardema en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.

De griffier: W.J. van der Lee

De rechter: mr. F.M.D. Aardema

Voornoemd lid beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 3.920, - (zegge: drieduizend en negenhonderd en twintig euro).

Aldus vastgesteld op 21 mei 2008 door mr. F.M.D. Aardema.

De rechter:

mr. F.M.D. Aardema

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.