Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2534

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/6819 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. met haar stelling dat zij door de desbetreffende studie opdrachten kon krijgen die zij anders niet had kunnen krijgen, maakt eiseres niet aannemelijk dat de studie moest worden gevolgd om het beroep van communicatieadviseur onveranderd te kunnen blijven uitoefenen, maar veeleer dat die is gevolgd met het oog op het verkrijgen van een nieuwe klantenkring. De kosten zijn daarom aftrekbaar als scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001, maar de aan de studie bestede uren tellen niet mee voor het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/923
FutD 2008-1154

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6819 IB/PVV

Uitspraakdatum: 8 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.] verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.337.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 17 juli 2006, ontvangen bij de rechtbank op 18 juli 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008 te Den Haag.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is mr. drs. [...] verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiseres is vanaf 1990 op freelancebasis werkzaam als communicatieadviseur. Vanaf 1996 is eiseres dit werk in loondienst gaan doen voor de deelgemeente [B.]. Tot oktober 2002 heeft zij van deze deelgemeente salaris ontvangen, hoewel zij het gehele jaar 2002 al op non-actief stond vanwege een arbeidsconflict. In 2002 heeft eiseres 450 uren aan de freelancewerkzaamheden besteed.

2.2 In 2000 is eiseres begonnen aan een studie communicatie aan de [Hogeschool]. In 2004 heeft zij deze studie afgerond. In 2002 heeft eiseres hieraan 2.800 uren besteed.

2.3 Tot en met het jaar 1999 zijn de inkomsten uit de freelancewerkzaamheden van eiseres aangemerkt als winst uit onderneming. Voor het jaar 2000 zijn deze inkomsten aan-gemerkt als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In de aangiften voor de jaren 2001 en 2002 heeft eiseres de inkomsten weer aangegeven als winst uit onderneming. De aangegeven winst (verlies) over 2002 bedroeg € 1.736 negatief, terwijl eiseres voor dat jaar een belastbaar inkomen uit werk en woning heeft aangegeven van € 17.337.

2.4 Naar aanleiding van de bevindingen uit een boekenonderzoek, dat verweerder bij eiseres heeft laten uitvoeren, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen onderneming drijft en heeft hij de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.337, als volgt gespecificeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 17.337

Bij: correctie afschrijving verbouwing (niet in geschil) - 45

Bij: correctie energie- en kantoorkosten (niet in geschil) - 1.144

Bij: correctie scholingskosten - 1.811

€ 20.337

2.5 De in 2.4 vermelde scholingskosten betreffende de studie van eiseres aan de [Hogeschool]. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder beslist dat deze uitgaven kunnen worden aangemerkt als scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001, maar dat die niet tot aftrek kunnen leiden omdat deze kosten reeds in aftrek zijn gebracht op het inkomen van de echtgenoot.

3. Geschil

3.1 In geschil is of eiseres een onderneming drijft en de uitgaven voor de studie communicatie daarom tot de ondernemingskosten behoren en of zij recht heeft op de zelfstandigen-aftrek van € 6.358, hetgeen eiseres stelt en verweerder bestrijdt.

3.2 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een, naar de rechtbank begrijpt, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.168 (€ 20.337

-/- € 1.811 -/- € 6.358).

3.3 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst de recht-bank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van hetgeen eiseres daartoe in geding heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat eiseres als communicatieadviseur, voor zover zij deze werkzaamheden niet in dienstbetrekking heeft verricht, een zelfstandig beroep uitoefent en dat de daarmee behaalde voordelen dus moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming.

4.2 De kosten van een studie die worden gemaakt door iemand die een vrij beroep uitoefent behoren tot diens winst uit onderneming voor zover de studie wordt gevolgd om het beroep op het bestaande niveau en in de bestaande omvang te kunnen blijven uitoefenen. Worden de met de studie vergaarde kennis en vaardigheden benut voor het opstarten van nieuwe activiteiten of het verkrijgen van een nieuwe andersoortige klantenkring, dan behoren de kosten niet tot de winst uit onderneming maar tot de persoonsgebonden aftrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de studie moest worden gevolgd om het beroep van communicatieadviseur onveranderd te kunnen blijven uitoefenen. Met hetgeen eiseres daartoe heeft aangevoerd acht de rechtbank veeleer aannemelijk dat de studie is gevolgd met het oog op het verkrijgen van een nieuwe klantenkring. Eiseres heeft immers gesteld dat zij met het desbetreffende diploma op zak opdrachten kon krijgen die zij anders niet had kunnen krijgen. Dat eiseres die opdrachten, naar zij impliciet heeft gesteld, mogelijk ook had kunnen uitvoeren met de kennis en vaardigheden die zij vóór het volgen van de studie al had, doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweer-der de desbetreffende kosten terecht heeft aangemerkt als scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat de kosten in dat geval niet tot aftrek kunnen leiden omdat deze al in aftrek zijn gebracht op het inkomen van de echtgenoot van eiseres.

4.3 In hetgeen is overwogen in 4.2 ligt besloten dat de aan de studie bestede uren niet meetellen voor het urencriterium van artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001. Gelet op hetgeen is vermeld in 2.1 voldoet eiseres daarmee niet aan het urencriterium en heeft zij, gelet op het bepaalde in artikel 3.76, eerste lid, van de Wet IB 2001, dus geen recht op zelfstandigenaftrek.

4.4 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.