Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2301

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
303568 / KG 08-112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toetsingskader van de voorzieningenrechter in uitleveringszaken indien een beroep wordt gedaan op artikel 3 EVRM. Geen marginale toetsing van de beslissing van de Minister van Justitie maar een volledige toetsing aan het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 22 mei 2008,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer 303568 / KG 08-112 van:

[eiser]

verblijvende in de [penitentiaire inrichting]

eiser,

procureur mr. D. Regts,

advocaat mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder te Amsterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. C.M. Bitter.

1. Het procesverloop

Eiser heeft gedaagde op 27 februari 2008 doen dagvaarden om op 13 maart 2008 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en uitspraak was bepaald op 21 maart 2008. Bij brief van 19 maart 2008 heeft de procureur van gedaagde, in overleg met de advocaat van eiser, verzocht de zaak pro forma aan te houden, omdat ná de behandeling van de zaak is gebleken dat de Moldavische rechter reeds op 10 juni 2005 een veroordeling heeft uitgesproken voor de feiten waarvoor de vervolgingsuitlevering van eiser wordt gevraagd. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitlevering moesten nadere inlichtingen van de Moldavische autoriteiten worden verkregen. Bij brief van 8 mei 2008 heeft gedaagde de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen, aangezien wel een veroordeling tegen eiser is uitgesproken maar daartegen nog een rechtsmiddel openstaat. Eiser is akkoord gegaan met het wijzen van vonnis. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 maart 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiser heeft de Moldavische nationaliteit.

2.2. Eiser is in 1998, althans 1999, door de Moldavische rechter in eerste aanleg veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf ter zake van een vijftal berovingen, waarvan er drie zijn gevolgd door een zedenmisdrijf. In hoger beroep is dit vonnis bekrachtigd. Op 23 maart 2000 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof van Republiek Moldavië deze twee uitspraken vernietigd en de strafzaak verwezen naar dezelfde rechterlijke instantie maar met een andere samenstelling van rechters. Voorts heeft dit Gerechtshof de voorlopige hechtenis van eiser opgeheven onder de voorwaarde dat eiser in zijn woonplaats zou blijven. Eiser is kort na zijn vrijlating gevlucht naar Duitsland.

2.3. De Moldavische rechter heeft, na terugverwijzing door het Gerechtshof op 23 maart 2000, eiser op 10 juni 2005 bij verstek veroordeeld voor de feiten waarvoor de vervolgingsuitlevering van eiser wordt gevraagd.

2.4. Bij brief van 18 april 2003 van de Procureur-Generaal van de Republiek Moldavië, hebben de bevoegde autoriteiten van Moldavië de uitlevering van eiser verzocht met het oog op zijn hiervoor onder 2.2. vermelde strafvervolging. Ten tijde van dit uitleveringsverzoek zat eiser gedetineerd in verband met een Nederlandse strafvervolging. In dat kader is hij bij vonnis van 21 mei 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van de voorlopige hechtenis.

2.5. Bij uitspraak van 21 september 2006 heeft de rechtbank te Amsterdam de verzochte uitlevering van eiser aan Moldavië toelaatbaar verklaard.

2.6. Het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk Nederland heeft bij brief van 29 september 2006 gericht aan de raadsvrouwe van eiser, althans aan “Dhr. de Vilder” algemene informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in Moldavië. In deze brief wordt, voor zover relevant, het volgende meegedeeld:

“(…) Volgens het laatste Country Report van de US State Department (…) zijn er gevallen bekend dat gevangenen worden gemarteld. De omstandigheden in gevangenissen zijn hard en soms zelfs levensbedreigend.

Het Country Report van de UK Home Office van maart 2006 (…) verwijst voornamelijk naar een eerder rapport van de US State Department. Het rapport citeert een rapport van de International Helsinki Committee die schrijft dat de omstandigheden onacceptabel zijn. Het IHF schrijft verder dat marteling en mishandeling van verdachten en gevangenen een groot probleem is.

In de Guidance Note van de UK Home Office van april 2006 (…) wordt wel geconcludeerd dat de omstandigheden niet dermate ernstig zijn dat het een schending avn art. 3 EVRM oplevert. Wel zou in individuele gevallen een humanitaire status kunnen worden gegeven.

(…)”.

2.7. Bij brief van 13 oktober 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de Minister van Justitie (hierna: de Minister) aangaande de uitlevering van eiser aan Moldavië als volgt geadviseerd:

“Onder verwijzing naar bijgevoegde (…) uitspraak d.d. 21 september 2006, (…), adviseert de rechtbank Uwe Excellentie de gevraagde uitlevering van voornoemd toe te staan. Betrokkene heeft de Moldavische nationaliteit.

Door betrokkene is ter zitting aangevoerd dat hij door uitlevering aan Moldavië zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 van het EVRM toekomend recht, dat uitlevering zou moeten worden geweigerd. Dit vanwege het feit dat hij in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering is verzocht door functionarissen van de uitvaardigende staat reeds is gefolterd en er sprake is van een “real risk” dat hij na uitlevering opnieuw aan een dergelijke behandeling zal worden blootgesteld. De rechtbank heeft dit verweer verworpen nu de stellingen van de opgeëiste persoon onvoldoende aannemelijk zijn geworden om de uitleveringsrechter daarvoor te doen oordelen. Het betreft hier een bevoegdheid die Uwe Excellentie toekomt. Daarom adviseert de rechtbank Uwe Excellentie met de U ter beschikking staande middelen te doen onderzoeken of hetgeen door de opgeëiste persoon naar voren is gebracht in de weg dient te staan aan een daadwerkelijke uitlevering. (…)”.

2.8. Bij arrest van 26 juni 2007 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser tegen de hiervoor onder 2.5 genoemde uitspraak van de rechtbank, verworpen.

2.9. In een ambtsbericht van 23 oktober 2007 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover relevant, het volgende meegedeeld:

“(…) In hogergenoemde brief refereert u aan vergelijkbare zaak, namelijk de uitlevering van de heer X aan Moldavië in 2005. In de verscheidene adviezen die aan uw afdeling zijn verstrekt over de zaak X is te kennen gegeven dat de mensenrechtensituatie in Moldavië het nodige te wensen overliet, maar dat deze niet van zodanige aard was dat er in de zaak X een reëel risico bestond op flagrante mensenrechtenschendingen. (…)

Voor zover kan worden opgemaakt uit publieke bronnen, alsmede uit overleg met medewerkers van de Directie Mensenrechten en Vredesopbouw, de ambassade te Kiev en de honorair consul te Chisinau, is de situatie in Moldavië sedertdien niet significant veranderd. Hierbij dient aangetekend te worden dat weinig informatie van recente datum beschikbaar is (het betreft veelal de periode 2004-2006).

Desalniettemin kan het feit dat Moldavië bezig is het European Neighbourhood Policy Action plan 2005-2008 te implementeren als positief worden beschouwd, omdat dit ondermeer ziet op hervormingen op justitieel vlak. (…)

In reactie op uw vraag of mogelijkerwijs sprake kan zijn van schending van de artikelen 3 en 6 EVRM merk ik op dat de thans beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt om hierover tot een gegrond oordeel te komen. Evenwel is in 2006 op aandringen van Moldavië een rapport van de Commission on the Prevention of Torture (CPT) van de Raad van Europa uit 2004 openbaar gemaakt (…). De algemene conclusie luidde dat de situatie licht verbeterd leek ten opzichte van de voorafgaande jaren, hoewel er nog steeds sprake was van veel klachten over foltering en wrede behandeling of bestraffing. (…)

Niettemin wil ik erop wijzen dat het feit dat Moldavië heeft ingestemd met het verzoek van de Nederlandse rechter tot het monitoren van X zeer uitzonderlijk is geweest. (…) Op Moldavië rust immers geen enkele verplichting vertegenwoordigers van een derde land toegang te geven tot gedetineerde Moldavische onderdanen. Ik hecht eraan dat u een verzoek aan de Moldavische autoriteiten tot het monitoren van de Moldavische onderdaan [naam eiser] slechts in het uiterste geval overweegt, gezien het gewicht van een dergelijk verzoek. (…)

In hoeverre voor de heer [naam eiser] eveneens een regeling tot monitoren getroffen zou kunnen worden, valt niet in te schatten. In algemene zin is een dergelijke regeling om meerdere redenen niet verkieselijk. De afweging of het ontbreken van een regeling aan uitlevering in de weg staat, laat ik aan uw betere oordeel over. (…)”.

2.10. Bij bericht van 23 oktober 2007 heeft Amnesty International haar zorgen geuit over de mensenrechtensituatie in Moldavië met betrekking tot verdachten die door politiefunctionarissen worden verhoord. Bovendien acht zij de periode tussen aanhouding en voorgeleiding van de verdachte voor een rechter te lang. De overheid doet in de ogen van Amnesty International te weinig aan de bestrijding van schending van de mensenrechten door politiefunctionarissen.

2.11. Bij ambtsbericht van 21 november 2007 heeft de Minister van Justitie van de Republiek Moldavië de volgende garanties aan de Minister gegeven:

"The Ministry of Justice of the Republic of Moldova (…), referring to the procedure of extradition of the moldavian citizen [naam eiser] (01.09.1966), guarantees that the extradited person shall be accommodated in a facility that satisfies the requirements of the European Treaty for the Prosecution of Human Rights and Fundamental Freedoms.

Therefore, the Ministry of Justice of the Republic of Moldova also guarantees that during the prosecution and trial, the access to said person will be allowed at all times, if that would be requested by the Netherlands or extradited person. (…)".

2.12. Bij beschikking van 13 december 2007 heeft gedaagde de uitlevering ten behoeve van strafvervolging van eiser toegestaan onder de voorwaarden zoals hiervoor onder 2.10 door de Minister van Justitie van de Republiek Moldavië is toegezegd.

2.13. Bij ambtsbericht van 8 mei 2008 heeft de Minister van Justitie van de Republiek Moldavië het volgende aan de Minister meegedeeld:

“The Ministry of Justice of the Republic of Moldova (…) referring to the procedure of extradition of the Moldavian citizen [naam eiser], (...), informs you the following:

In accordance with the provisions of the art. 399 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Moldova, the sentence issued by Ciocana Court, Chisinau from 10.06.2005, hasn’t been delivered to the person being requested till present, because he had been hidden from the presenting before the Court.

The mentioned sentence is irrevocable, however the convicted person, in case of extradition, according to the provisions of the art. 402 p. 2 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Moldova, will have the possibility to declare appeal from the moment he has been given the copy of the proofread sentence, and for the parties who were absent from the announcement of the sentence – from the date of written notification about the proofreading the sentence, consequently the appeal right is guaranteed, in correspondence with the art. 3 of the First Additional Protocol of the European Convention on Extradition (...)”.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - om

Primair:

I. gedaagde te verbieden het verzoek van Moldavië in te willigen en derhalve te verbieden eiser uit te leveren;

Subsidiair:

gedaagde te gebieden om binnen twee dagen na dit vonnis:

II. inzage te geven in de garanties zoals kennelijk door de Moldavische autoriteiten zijn afgegeven;

III.nadere informatie te verschaffen welke inrichtingen voor preventief gehechten in Moldavië voldoen aan de eisen van het EVRM en in welke inrichting eiser zal worden geplaatst;

IV. als nadere garantie te bedingen dat eiser zal worden teruggeleverd aan Nederland bij niet nakoming van enig onderdeel van de gestelde voorwaarden.

3.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door de uitlevering van eiser aan Moldavië toe te staan. Eiser loopt een reëel gevaar te worden gemarteld door politiefunctionarissen, hetgeen een flagrante schending oplevert van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM), artikel 5 van de Universele verklaring rechten van de mens en artikel 3 van het Antifolteringsverdrag. De minister moet in elk concreet geval de gestelde mensenrechtenschending nagaan. Het vertrouwensbeginsel houdt niet meer in dan dat een staat er in beginsel van uit zal gaan dat een andere staat, in dit geval Moldavië, de mensenrechten zal eerbiedigen. Dat beginsel leidt uitzondering indien er toch structureel iets mis is, zoals het geval is in Moldavië. De Minister heeft hier nagelaten een onderzoek te doen naar de gestelde schending. Eiser is in het verleden in verband met de strafzaak waarvoor zijn uitlevering is verzocht door politiefunctionarissen gemarteld. Eiser is, zoals veelal gebruikelijk, niet in staat bewijs te leveren van deze martelingen. Deze stelling vindt echter wel steun in de diverse bronnen die de detentieomstandigheden in Moldavië beschrijven. Er dient aansluiting te worden gezocht bij het vreemdelingenrecht waarbij de Raad van State heeft overwogen dat indien een verhaal innerlijk consistent is, niet onaannemelijk is en strookt met de algemene situatie in het land van herkomst, de vreemdeling het voordeel van de twijfel behoort te krijgen. Deze omstandigheden doen zich bij het verhaal van eiser ook voor. De detentieomstandigheden in Moldavië zijn erbarmelijk.

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft gedaagde geadviseerd over de actuele situatie in Moldavië. Dit advies heeft geleid tot de uitlevering van eiser onder de twee voorwaarden zoals geformuleerd in de beschikking van 13 december 2007. Onduidelijk is echter hoeveel penitentiaire inrichtingen Moldavië heeft die aan de normen van het EVRM voldoen. Daarnaast wordt de tweede voorwaarde, monitoren, door Buitenlandse Zaken als niet verkieselijk omschreven, omdat er blijkbaar gebreken kleven aan de uitvoering daarvan. Ten slotte is sprake van schending van artikel 6 EVRM nu de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht dateren uit 1998, zodat berechting binnen een redelijke termijn niet meer mogelijk is.

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat Moldavië sinds 1992 lid is van de Verenigde Naties en sinds 1995 lid is van de Raad van Europa. Moldavië heeft in 1997 het EVRM geratificeerd en het individuele klachtrecht erkend, zoals neergelegd in artikel 34 van het EVRM. Deze omstandigheden brengen ingevolge vaste jurisprudentie mee dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat Moldavië alle bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. Uit het vertrouwensbeginsel volgt eveneens dat ervan moet worden uitgegaan dat eiser na zijn uitlevering, in geval van schending van enige bepaling van het EVRM, beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.

4.2. Daarnaast wordt vooropgesteld dat de Minister, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Hierbij verdient opmerking dat de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover Moldavië - slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Anders dan door gedaagde is betoogd betreft de beoordeling in deze zaak niet slechts een marginale toetsing, inhoudende de vraag of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van eiser aan Moldavië toe te staan. Eiser is tegen de beslissing om hem uit te leveren aan Moldavië opgekomen met de stelling dat zijn uitlevering strijdig is met artikel 3 EVRM, hetgeen met zich brengt dat de burgerlijke rechter deze beslissing volledig dient te toetsen aan dat artikel (Hoge Raad 15 september 2006, NJ 2007, 277).

4.3. Aan de orde is de vraag of eiser in geval van uitlevering het risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM of artikel 5 van de Universele verklaring rechten van de mens. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

4.4. De door eiser gedeeltelijk in het geding gebrachte rapporten die onwenselijke omstandigheden in de gevangenissen van Moldavië beschrijven, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een dreigende schending van voornoemde verdragsbepalingen ten aanzien van eiser, gelet op zijn specifieke achtergrond en omstandigheden. De brief van het Landelijk Bureau Vluchtingenwerk Nederland, weergegeven onder 2.6, geeft de conclusies van de rapporten van onder meer US State Department en UK Home Office, maar deze rapporten hebben allemaal betrekking op de algemene mensenrechtensituatie in Moldavië. Uit deze brief of rapporten volgt niet dat juist eiser een verhoogd risico loopt op folteren of onmenselijke of vernederende behandeling. De stelling dat eiser in dezelfde strafzaak eerder zou zijn mishandeld maakt dat niet anders, nu voor de gestelde martelingen en of mishandelingen onvoldoende aanknopingspunten bestaan, zoals ook reeds in twee instanties door de uitleveringsrechter is geoordeeld. Eiser heeft tegen die gestelde schending van artikel 3 EVRM noch bij de Moldavische autoriteiten, noch bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een klacht ingediend, terwijl hij daartoe in 1998 wel de juridische mogelijkheden had. Eiser heeft in dit verband nog betoogd dat hij - gelijk in het vreemdelingenrecht - het voordeel van de twijfel zou moeten krijgen bij een consistent en aannemelijk verhaal. Naar voorlopig oordeel is dit uitgangspunt in strijd met het hiervoor onder 4.1 vermelde beginsel waarop volgens vaste jurisprudentie (slechts) in de hiervoor onder 4.2 vermelde omstandigheden een uitzondering wordt gemaakt. In het bericht van Amnesty International, genoemd onder 2.10, wordt weliswaar melding gemaakt van schending van de mensenrechten gedurende de politieverhoren en de periode voorafgaand aan de voorgeleiding van een verdachte voor de rechter, maar gesteld noch gebleken is dat eiser na uitlevering aan Moldavië op een politiebureau zal worden gedetineerd en (opnieuw) zal worden verhoord door de politie. Bovendien gelden - indien dat al het geval zou zijn - juist met het oog daarop de hierna onder 4.5 te vermelden en hierna te bespreken door gedaagde bedongen garanties.

4.5. Het voorgaande laat onverlet dat de mensenrechtensituatie in Moldavië veel te wensen overlaat en dat daarmee bij de voorlopige beoordeling rekening moet worden gehouden. Juist met het oog daarop heeft gedaagde garanties bedongen bij Moldavië aangaande de rechten van eiser. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat de garanties die gedaagde heeft bedongen te vaag en te algemeen zijn. Deze stelling volgt de voorzieningenrechter niet. In het ambtsbericht van 21 november 2007, weergegeven onder 2.11, afkomstig van de Minister van Justitie van de Republiek Moldavië worden wel degelijk concrete garanties geboden aan eiser in het geval hij aan Moldavië wordt uitgeleverd. In dit ambtsbericht wordt gegarandeerd dat ‘the extradited person shall be accommodated in a facility that satisfies the requirements of the European Treaty for the Prosecution of Human Rights and Fundamental Freedoms.’ Hieruit volgt dat eiser in een penitentiaire inrichting zal worden geplaatst die voldoet aan de eisen van het EVRM. Eiser kan dan ook rechten ontlenen aan die toezegging. Daarnaast wordt door Moldavie als garantie gegeven ‘that during the prosecution and trial, the access to said person will be allowed at all times, if that would be requested by the Netherlands or extradited person.” Deze garantie biedt voldoende waarborg nu het ‘monitoren’ ook op verzoek van eiser kan plaatsvinden, zodat hij de uitvoering van die voorwaarde mede zelf in de hand heeft. Dat de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn ambtsbericht van 23 oktober 2007 vaststelt dat het monitoren van eiser niet verkieselijk is, is gelegen in de inbreuk dat het monitoren maakt op de soevereiniteit van Moldavië en niet omdat er gebreken kleven aan de feitelijke uitvoering daarvan. Desalniettemin heeft de Minister garanties bedongen en zijn de Moldavische autoriteiten tot het verschaffen van die garanties bereid geweest. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat de Moldavische autoriteiten de geboden garanties in het specifieke geval van eiser niet zullen naleven of zullen weigeren om daaraan op verzoek van eiser of gedaagde een meer concrete en gedetailleerde invulling te geven aangaande bijvoorbeeld de persoon of personen die toegang hebben en de frequentie waarmee eiser in beginsel bezocht zal worden. Daarbij is van belang dat de garantie inhoudt dat “at all times” toegang in beginsel zal worden verleend. Bovendien zijn deze, althans vergelijkbare, garanties eerder door Moldavië gegeven in een soortgelijke uitleveringszaak en gesteld noch gebleken is dat die garanties destijds niet zijn nageleefd. Voorts heeft eiser niet weersproken dat gedaagde al vergaande garanties vraagt in verhouding tot andere Europese landen, zoals Frankrijk, Zweden en Oostenrijk. Deze landen vragen in uitleveringzaken naar Moldavië in het geheel geen garanties. Duitsland, een land dat volgens eiser een diepgaander beoordeling uitvoert dan Nederland, levert, naar gedaagde onweersproken heeft aangevoerd, wel uit naar Moldavië en neemt daarbij in de uitleveringsbeslissing op dat hij aanneemt dat de betrokkene in overeenstemming met de Europese gevangenisregels en de richtlijnen van het EVRM wordt gedetineerd.

4.6. Eiser voert nog aan dat hij door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, nu de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht dateren uit 1998. Gesteld noch gebleken is dat in het verstekvonnis, genoemd onder 2.3, met een eventuele termijnoverschrijding geen rekening is gehouden. Bovendien valt niet uit te sluiten dat eiser zelf heeft bijgedragen aan overschrijding van de redelijke termijn door zich te onttrekken aan strafvervolging door zich niet te houden aan de door het Gerechtshof van Republiek Moldavië opgelegde voorwaarde en te vluchten naar Duitsland. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat, indien al sprake zou zijn van enige schending van artikel 6 EVRM na zijn uitlevering, hem geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Dit verweer wordt daarom verworpen.

4.7. Het voorgaande, waaronder uitdrukkelijk de hiervoor onder 4.5 besproken garanties, leidt tot de slotsom dat onvoldoende is gebleken van dreigende schending van het EVRM, op grond waarvan de uitlevering van eiser aan Moldavië niet zou kunnen worden toegestaan. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.

4.8. De subsidiaire vorderingen onder II en III zullen worden afgewezen, gezien hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen. De vordering tot teruglevering van eiser aan gedaagde mist een verdragsrechtelijke basis, nu hij de Moldavische en niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.9. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 254,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.T. Nijhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.