Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
09/758308-07 en 09/757700-05 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de oplichting van een groot aantal ouderen en de diefstal van hun geld. In twee zaken heeft hij dit samen met een ander gedaan. Verdachte heeft zijn slachtoffers bewust uitgekozen en hen vervolgens benaderd met een zogenoemde babbeltruc. Op die manier heeft hij de bankpassen en pincodes van de slachtoffers afhandig gemaakt. Vervolgens hebben verdachte en zijn mededader direct geld opgenomen bij geldautomaten en zo grote bedragen van de rekeningen van de slachtoffers gehaald. Dit alles vond in een betrekkelijk korte periode plaats. Verdachte is in het verleden met politie en justitie in aanraking gekomen en is eerder ter zake van onder meer oplichting - een zelfde soort feiten - veroordeeld. Die veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden om zich korte tijd later opnieuw aan een reeks van zulke delicten schuldig te maken. Van dat eerdere vonnis liep verdachte bovendien nog in een proeftijd. Met betrekking tot de strafeis van de officier van justitie meent de rechtbank dat hiermee aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onvoldoende tegemoet wordt gekomen. Voorwaardelijke straffen weerhouden verdachte niet van het opnieuw plegen van soortgelijke feiten. Bovendien maakt met name de genoemde kwetsbaarheid van de slachtoffers, de recidive en de structurele aanpak de zaak nog verwerpelijker. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat een aanzienlijk zwaardere straf dan geëist hier op zijn plaats is. Gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/758308-07 en 09/757700-05 (tul)

's-Gravenhage, 22 mei 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Jeugdhuis van Bewaring De Sprang te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 februari 2008 en 8 mei 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzittingen verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. S. Jordaan heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 6 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8, telkens alternatief en cumulatief en onder 9 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie vordert voorts de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank d.d. 8 maart 2006 voorwaardelijk opgelegde opgelegde gevangenisstraf, te weten

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partijen geconcludeerd tot:

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

€ 5.000,- en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige;

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2];

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 3.400,- en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ad € 3.656,50;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor een bedrag van

€ 14.499,- en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot:

- € 5.000,-, subsidiair 55 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij 1] voornoemd;

- € 3.400,-, subsidiair 47 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij 3] voornoemd;

- € 3.656,50,-, subsidiair 48 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij 4] voornoemd;

- € 14.499,-, subsidiair 102 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde partij 5] voornoemd.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat met betrekking tot de beslissingen op de vorderingen van benadeelde partijen bepaald zal worden dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door een mededader dan wel mededader aan de benadeelde partijen, dan wel bij gehele of gedeeltelijk voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde verplichting tot betaling aan de staat zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Partiële nietigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding terzake van feit 2, eerste alternatief, dat ziet op de afgifte van € 550,-, partieel nietig dient te worden verklaard nu dit onderdeel onvoldoende feitelijk omschreven is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel, dat in het eerste alternatief niet is omschreven op welke wijze het slachtoffer is bewogen tot de afgifte van de € 550,-. De tenlastelegging voldoet op dit punt daardoor niet aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit onderdeel nietig verklaren.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 6 en onder 9 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ten aanzien van feit 6:

Aangever heeft verklaard dat hij op een bepaald moment zijn bankpas kwijt is geraakt en dat daarmee een groot bedrag van zijn rekening is gehaald. Vervolgens blijkt uit de camerabeelden van de pintransacties dat medeverdachte [A] met de bankpas van aangever heeft gepind. [A] verklaart dat hij de bankpas van verdachte heeft gekregen en in zijn opdracht geld pinde. Verdachte heeft echter ontkend iets te maken te hebben met deze zaak. Nu zich in het dossier verder geen stukken bevinden die de belastende verklaring van medeverdachte [A] ondersteunen dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken voor dit feit.

Ten aanzien van feit 9:

In de stukken bevindt zich een aangifte door [X] namens haar broer [benadeelde partij 5], waaruit blijkt dat er in de periode van 4 september tot en met 14 september grote bedragen van de rekening van [benadeelde partij 5] zijn afgeschreven. Uit de aangifte blijkt niet hoe deze pintransacties hebben kunnen plaatsvinden: niet duidelijk is wanneer de bankpassen zijn ontvreemd en hoe de bijbehorende pincodes aan de dader(s) bekend zijn geraakt.

Verdachte heeft ontkend met de oplichting dan wel diefstal te maken te hebben gehad.

Hij heeft verklaard dat medeverdachte [A] aangever zou hebben bewogen zijn bankpas en pincode af te geven. Deze medeverdachte zou diverse malen geld hebben gepind van de rekening van aangever. Verdachte heeft wel bekend dat zijn betrokkenheid bij dit feit er uit bestond dat hij aangever op een gegeven moment heeft gebeld en zich heeft voorgedaan als zijn psychiater of psycholoog en hem heeft gezegd dat hij zijn bankpas moest laten activeren. Niet duidelijk is geworden wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal waaruit blijkt dat het telefoonnummer

[nummer] op 9 september 2007 zes maal gebeld heeft naar het telefoonnummer van aangever. Dit telefoonnummer kan blijkens het dossier gekoppeld worden aan verdachte. De eerste pintransactie vond echter al op 5 september 2007 plaats, voordat de betreffende telefoongesprekken werden gepleegd.

Voorts is er een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat met het telefoonnummer

[nummer 2], waarvan op basis van het dossier kan worden geconcludeerd dat dit nummer in gebruik is geweest bij verdachte, in oktober 2007 nog een aantal maal naar aangever is gebeld. Deze telefoontjes hebben echter plaatsgevonden na de tenlastegelegde periode.

Tenslotte bevond zich in het geheugen van de Sony Ericsson, de mobiele telefoon die bij de insluitingfouillering van verdachte is aangetroffen, een smsbericht met daarin de nummerinformatie van aangever. Deze sms is echter ontvangen op 17 oktober 2007, eveneens na de tenlastegelegde periode. Het feit dat op de simkaart die in voornoemde telefoon werd aangetroffen het nummer van aangever tweemaal voorkwam in de lijst met de laatst gekozen nummers kan ook niet bijdragen aan het bewijs, nu deze informatie ongedateerd is.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend in het dossier voorhanden is waaruit verdachtes betrokkenheid bij de diefstal kan worden afgeleid. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van dit feit.

Bewijsoverweging

Algemeen

Verdachte heeft in zijn verhoor van 11 december 2007 (pag. 1211 e.v.) naar eigen zeggen openheid van zaken gegeven over de gang van zaken met betrekking tot de tenlastegelegde feiten. Daarbij heeft hij ook belastend verklaard over medeverdachte [A] en de medeverdachte [D] (bijgenaamd [bijnaam]). Vanaf begin september 2007 zouden zij met z'n vieren hebben besproken zich met oplichtingen bezig te gaan houden. Hun werkwijze was volgens verdachte het merendeel van de tijd als volgt. Er werd gebruik gemaakt van de auto van [D] en vervolgens zochten verdachte en zijn medeverdachten al rondrijdend potentiële slachtoffers uit die volgens hen gemakkelijk op te lichten waren. Ze reden vaak rond in de buurt van bejaardentehuizen of bij bepaalde supermarkten. Zodra ze een slachtoffer op het oog hadden, stapte één van hen uit en die volgde het slachtoffer dan naar zijn woning. Als het slachtoffer bij het portiek van zjjn woning was, werd door die persoon net gedaan alsof hij ook in dat portiek woonde. Als zo straatnaam en huisnummer van het slachtoffer waren achterhaald, belde één van de hen in de auto een nummerinformatielijn om het telefoonnummer van het slachtoffer te achterhalen, vervolgens werd de buurt verkend en gekeken waar het dichtstbijzijnde pinapparaat in de buurt was. Vervolgens ging degene die het slachtoffer als eerste had achtervolgd terug naar de woning van het slachtoffer en werd er aangebeld. Het verhaal wat aan het slachtoffer werd verteld verschilde volgens verdachte wel eens, maar de strekking was altijd hetzelfde, namelijk dat er iemand in de woning was geweest, dat er politie bij was geweest en dat die de deuren van de woning weer had afgesloten. Ongeveer 2 à 3 minuten later werd er dan door iemand vanuit de auto gebeld, die zich dan voordeed als iemand van de politie, meestal als agent Mulder. Er werd dan bevestigd dat er was ingebroken, of dat iemand met een valse sleutel de deur had opengemaakt. Daarna werd het slachtoffer verzocht om naar het politiebureau te komen om aangifte te doen en om zijn giropas mee te nemen zodat deze geblokkeerd kon worden. Als het slachtoffer aangaf niet in staat te zijn om naar het bureau te komen, werd gesuggereerd dat de 'buurjongen' het naar het bureau zou kunnen brengen. Als het slachtoffer het pasje dan had meegegeven, werd er vanuit de auto vervolgens nog een keer met het slachtoffer gebeld, waarbij werd aangegeven dat voor het blokkeren van de pas de pincode nodig was. Als het slachtoffer vervolgens ook zijn pincode had gegeven, reden verdachte en zijn medeverdachten vrijwel direct naar het pinapparaat in de buurt. Degene die pinde kreeg volgens verdachte altijd 500 euro, de rest werd onder de anderen verdeeld. Volgens verdachte voerden ze deze babbeltruc meestal met z'n vieren uit, maar het kwam ook wel eens voor dat [C] en [D] samen op stap gingen, of dat verdachte samenwerkte met alleen [A].

Medeverdachte [A] heeft ontkend bij de ten laste gelegde babbeltrucs betrokken te zijn geweest. Volgens [A] werd hij telkens door verdachte gebeld met de vraag of hij wat wilde verdienen. [A] kreeg dan op een afgesproken tijd en plaats een bank/pinpas en pincode van verdachte en moest dan voor hem pinnen. De beloning die hij hiervoor van verdachte kreeg was meestal 100 euro.

Ook medeverdachten [C] en [D] hebben ontkend betrokken te zijn geweest bij de babbeltrucs. Wel hebben zij verklaard een (aantal) keer in opdracht van verdachte te hebben gepind. [D] heeft verklaard daar ook geld voor gekregen te hebben.

De rechtbank stelt vast dat de modus operandi zoals die door verdachte is beschreven in een aantal gevallen overeenkomt met hetgeen aangevers daarover hebben verklaard. Ook de foto's in het dossier, bij de pinautomaten genomen, ondersteunen de verklaring van verdachte op onderdelen.

Maar de rechtbank zet ook vraagtekens bij de betrouwbaarheid van een aantal verklaringen van verdachte. Weliswaar heeft verdachte zijn betrokkenheid bij een groot deel van de ten laste gelegde feiten bekend, maar onderdelen van die bekennende verklaringen komen de rechtbank, gelet op de dossierstukken, niet geloofwaardig voor. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld ten aanzien van feit 7 verklaard dat deze keer medeverdachte [C] de babbeltruc heeft uitgevoerd en bij aangeefster aan de deur is geweest. Deze medeverdachte is een persoon van Noord-Afrikaanse afkomst met een getinte huid en een opvallende hazenlip. Aangeefster beschrijft de persoon die bij haar in de woning is geweest echter als een blanke man met kort blond haar en een verzorgd uiterlijk.

De rolverdeling die verdachte heeft geschetst ten aanzien van de betrokkenheid van alle medeverdachten komt de rechtbank dan ook niet altijd geloofwaardig voor.

Ook de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte met betrekking tot de gebruikte mobiele telefoons, is ongeloofwaardig. Verdachte stelde zelf in het geheel geen behoefte te hebben aan een eigen mobiele telefoon. Wanneer nodig, kon hij immers gebruik maken van verschillende telefoons, die steeds door de hele groep werden gebruikt. Naast de stellige ontkenning op dit punt van de medeverdachten, is het aannemelijker dat verdachte geen op eigen naam gestelde telefoon heeft willen gebruiken om zo mogelijke opsporing en herkenning te voorkomen.

De medeverdachten hebben alle drie steeds ontkend dat zij binnen de beschreven modus operandi betrokken waren bij de oplichtingen.

Daar waar verdachte's verklaringen wél worden ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier zal de rechtbank die onderdelen gebruiken voor de bewijsvoering.

Ten aanzien van feit 5

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van feit 5 op de dagvaarding geen overtuigend bewijs bestaat. Verdachte ontkent dit feit, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot telefoonnummer [nummer] laat ruimte voor speculatie en de verklaring van medeverdachte [A] is ongeloofwaardig. Op grond hiervan dient verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken van dit feit.

De rechtbank overweegt dat de enkele ontkenning van verdachte onvoldoende is om tot een vrijspraak te komen. De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte blijkens het verloop van de verhoren slechts zaken is gaan bekennen als bleek dat hij zelf bij het uitvoeren van de pintransacties op camerabeelden was vastgelegd.

Op basis van de aangifte, in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het gebruik van het telefoonnummer [nummer] en de verklaring van medeverdachte [A] kan wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van aangever en de diefstal door middel van de bij aangever afhandig gemaakte pinpas. Er in deze zaak sprake van eenzelfde modus operandi als in de andere ten laste gelegde zaken, terwijl het feit tevens heeft plaatsgevonden in dezelfde (korte) periode. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, wel aannemelijk worden geacht dat het nummer [nummer] bij verdachte in gebruik was in deze periode. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bij hem aangetroffen telefoon in gebruik was bij de hele groep en dat het dus heel goed kan zijn dat iemand anders aangever heeft gebeld. De rechtbank acht deze verklaring, zoals hiervoor reeds is overwogen, mede gelet op de contacten die vermeld staan in de historische telefoongegevens, waaronder de broer van verdachte, onaannemelijk.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8, telkens cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de oplichting van een groot aantal ouderen en de diefstal van hun geld. In twee zaken heeft hij dit samen met een ander gedaan. Verdachte heeft zijn slachtoffers bewust uitgekozen en hen vervolgens benaderd met een zogenoemde babbeltruc. Op die manier heeft hij de bankpassen en pincodes van de slachtoffers afhandig gemaakt. Vervolgens hebben verdachte en zijn mededader direct geld opgenomen bij geldautomaten en zo grote bedragen van de rekeningen van de slachtoffers gehaald. Dit alles vond in een betrekkelijk korte periode plaats.

De rechtbank is van oordeel dat dit buitengwoon ernstige feiten zijn. Verdachte heeft op lafhartige wijze deze door hun hoge leeftijd kwetsbare mensen als een gemakkelijke prooi gezien, van wie hij zonder veel risico en met eenvoudige middelen grote sommen geld heeft gestolen. Dat hij daarbij deze mensen beroofde van hun spaargeld, is verwerpelijk. Dat hij door zijn optreden bovendien het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, ernstig heeft geschaad, is evenzeer verwerpelijk. De rechtbank neemt hierbij ook in beschouwing dat de oplichting door verdachte steeds in de directe woonomgeving en zelfs thuis bij de slachtoffers heeft plaatsgevonden, waardoor hij bovendien het gevoel van veiligheid dat eenieder - en oudere mensen te meer- in en rond zijn huis probeert te waarborgen, ernstig heeft beschadigd.

Verdachte is - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 5 november 2007 - in het verleden met politie en justitie in aanraking gekomen en is eerder ter zake van onder meer oplichting - een zelfde soort feiten - veroordeeld. Die veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden om zich korte tijd later opnieuw aan een reeks van zulke delicten schuldig te maken. Van dat eerdere vonnis liep verdachte bovendien nog in een proeftijd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend voorlichtingsrapport van de Reclassering Palier, forensische en intensieve zorg, van 14 februari 2008. Hieruit komt naar voren, dat verdachte al in 2004 een verplicht reclasseringscontact opgelegd heeft gekregen. Hij heeft zich toen echter niet aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering gehouden waardoor voortzetting van het contact niet langer gewenst was. In 2005 heeft verdachte wederom een verplicht reclasseringscontact opgelegd gekregen. Uit dit toezicht verliep moeizaam. Wanneer verdachte problemen zou hebben, dan zou hij het contact met de reclassering juist vermijden. Na hierop te zijn aangesproken, heeft verdachte te kennen gegeven niet voornemens te zijn in geval van problemen het contact met de reclassering te intensiveren. Ook in 2006 heeft verdachte onder toezicht van de Reclassering gestaan, dit wegens zijn laatstelijk veroordeling voor oplichting. Hij heeft toen een behandeling gevolgd bij de Waag, maar deze behandeling is niet geheel vlekkeloos verlopen. Het contact verliep moeizaam. Desalniettemin is de rapporteur van mening dat verdachte binnen een gedwongen kader nog een laatste kans dient te krijgen om klinisch opgenomen te worden. De rechtbank merkt op, dat in dit advies niet duidelijk is geworden waarop een klinische behandeling zou moeten zijn gericht, laat staan waar die zou moeten plaats vinden.

Met betrekking tot de strafeis van de officier van justitie meent de rechtbank dat hiermee aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onvoldoende tegemoet wordt gekomen. Voorwaardelijke straffen weerhouden verdachte niet van het opnieuw plegen van soortgelijke feiten. Bovendien maakt met name de genoemde kwetsbaarheid van de slachtoffers, de recidive en de structurele aanpak de zaak nog verwerpelijker. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat een aanzienlijk zwaardere straf dan geëist hier op zijn plaats is.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.550,-.

Deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op de geldopnamen van 30 en 31 augustus 2007, is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij de Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl deze vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 2 aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat deze benadeelde partij voor dit deel ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-, onder bepaling dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [A] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag. De rechtbank zal de vordering van deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dat gedeelte van de vordering geen grondslag vindt in hetgeen in de strafzaak bewezen is verklaard.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.000,-. Deze vordering is door de verdediging weersproken.

De rechtbank is van oordeel dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het bedrag van € 2800,- geen grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 3 aan verdachte tenlastegelegde en thans bewezenverklaarde feit, waardoor dit gedeelte van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het overige gedeelte van de vordering, een bedrag groot € 1200,-, dient te worden afgewezen nu blijkens het proces-verbaal de benadeelde partij reeds deze schade vergoed heeft gekregen.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten zal dragen.

[benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3500,-.

Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op de geldopname van 10 december 2004 ad € 3500,-, is door de verdediging weersproken in zoverre, dat de vordering dient te worden gematigd tot € 3300,-. De rechtbank is van oordeel dat de gehele vordering door de bij de Voegingsformulier gevoegde bescheiden is gestaafd, terwijl deze vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 4 aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat deze benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 3500,-, onder bepaling dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[benadeelde partij 4], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 3656,50.

De verdediging heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van een bedrag groot € 257,50, nu dit volgens de verdediging geen verband houdt met hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de gehele vordering rechtstreeks haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 8 aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit, terwijl deze vordering, die eenvoudig van aard is, door de bij de Voegingsformulier gevoegde bescheiden is gestaafd.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat deze benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen, onder bepaling dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[benadeelde partij 5], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 24.849,00.

De rechtbank zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten zal dragen.

Schadevergoedingsmaatregelen.

Nu verdachte jegens de slachtoffers [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2, 4 en 8 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichtingen opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 5.000,-, € 3.500,- en € 3656,50 ten behoeve van de slachtoffers genaamd [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4].

Vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank d.d. 8 maart 2006, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14g, 24c, 36f, 47, 57, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding nietig voorzover het de passage "en/of een geldbedrag van 550 euro" betreft, zoals opgenomen in het eerste alternatief/cumulatief van feit 2;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 6 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1,2,3,4,5,7 en 8, telkens cumulatief, ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, 2, 4 en 8:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 3:

oplichting, en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 5:

oplichting, en

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

ten aanzien van feit 7:

medeplegen van oplichting, en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DRIE JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 1 november 2007;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 november 2007;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank d.d. 8 maart 2006, gewezen onder parketnummer 09/757700-05, te weten

6 maanden gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 5.000,-;

- [benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 3.500,-;

- [benadeelde partij 4], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 3.656,50;

met veroordeling tevens in de proceskosten door deze benadeelde partijen gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet- ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat hij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering tot schadevergoeding voor het bedrag groot € 2800,- niet-ontvankelijk is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet- ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van de navolgende bedragen en bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de hierna te noemen duur:

- € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1], subsidiair 55 dagen vervangende hechtenis;

- € 3.500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 3], subsidiair 47 dagen vervangende hechtenis;

- € 3656,50 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 4], subsidiair 48 dagen vervangende hechtenis.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Pabbruwe-Cohen Tervaert en Meijers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bours, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2008.