Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2032

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/42746
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Middelenvereiste voortgezet verblijf / art. 18 lid 1 sub d Vw 2000 / art. 3.73 sub d Vb 2000 / art. 8 EVRM

Vaststaat dat niet in geschil is dat referent ten tijde van de beslissing op bezwaar niet beschikte over duurzame middelen van bestaan, omdat hij op dat moment nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige had, als bedoeld in artikel 3.20 van het VV 2000. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de bevoegdheid de aanvraag af te wijzen. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Verweerder geeft hiermee toepassing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Verweerder heeft omtrent die afweging van belangen algemene regels gesteld en neergelegd in paragraaf B2/9.5.2. van de Vc 2000: “Als de zelfstandig verworven inkomsten voldoende zijn en gedurende het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend steeds voldoende zijn geweest, dan wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Vw op de enkele grond dat deze inkomsten niet duurzaam zijn. Het economisch welzijn van Nederland kan in dat geval de inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, niet rechtvaardigen, aangezien de hoofdpersoon nog altijd beschikt over voldoende bestaansmiddelen.” De rechtbank is van oordeel dat verweerder het voornoemde beleid juist heeft toegepast. Verweerder heeft, als het gaat om het begrip spaargeld, dat moet worden geschaard onder vermogen, terecht aansluiting gezocht bij artikel 3.73 aanhef en onder d, van het Vb 2000. Verweerder is gebonden aan deze definiëring van vermogen als zelfstandig middel van bestaan, aangezien het hier om een wettelijk voorschrift gaat. Verweerder komt in zoverre dan ook geen beleidsruimte toe. Voor zover eiseres meent dat spaargeld als zelfstandige bron van inkomsten moet worden gezien is dit standpunt onjuist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/259 met annotatie van mr. E. Hilbrink

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/42746

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2008

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1972,

nationaliteit Pakistaanse,

verblijvende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.H.J.M. de Bonth,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. L.A.C.M. Romme.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlengen van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]" afgewezen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 17 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiseres heeft op 12 november 2007 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiseres achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer AWB 07/42747.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 april 2008, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde en referent (de echtgenoot van eiseres). Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres had mogen afwijzen op grond van artikel 18, eerste lid aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Op 23 mei 2006 heeft verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met “verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]” verleend geldend van 21 april 2006 tot 21 april 2007. Eiseres voldeed destijds aan het middelenvereiste omdat haar echtgenoot [echtgenoot] (hierna: referent) een dienstverband voor onbepaalde tijd had bij [bedrijfsnaam] B.V. vanaf 1 december 2005 en een dienstverband voor bepaalde tijd had bij Hotel [naam] vanaf 21 december 2005, geldend tot 31 maart 2008. Referent heeft zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V. eind mei 2006 beëindigd. Vanaf juni 2006 hebben referent en eiseres in hun levensonderhoud voorzien door middel van hun spaargeld en de inkomsten afkomstig uit het dienstverband van referent met Hotel [naam]. Vanaf eind 2006 verricht referent arbeid als zelfstandige, waaruit hij inkomsten genereert. Op 21 februari 2007 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier af te wijzen.

6. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In de artikelen 3.73 tot en met 3.76 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) is dit zogenaamde middelenvereiste nader uitgewerkt.

7. Ingevolge artikel 3.73 van het Vb 2000 zijn middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig, indien deze zijn verworven uit:

a. wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;

b. wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;

c. inkomensvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, of

d. eigen vermogen, voor zover de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.

8. Ingevolge artikel 3.74 aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan de bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld. Ten tijde van het bestreden besluit bedroeg de bijstandsnorm € 1.176,25, exclusief vakantiegeld.

Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 zijn middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Krachtens het vierde lid van voornoemd artikel kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige.

9. Artikel 3.20 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: Vv 2000) bepaalt dat middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige eerst duurzaam zijn, indien zij tenminste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat referent, die arbeid als zelfstandige verricht, ten tijde van de beslissing op bezwaar niet voldeed aan de uit artikel 3.20 van het Vv 2000 voortvloeiende eisen ten aanzien van het duurzaam beschikken over middelen van bestaan. Immers, onweersproken is dat referent op dat moment nog niet gedurende ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige had verworven.

11. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de bevoegdheid de aanvraag af te wijzen. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Verweerder geeft hiermee toepassing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder heeft omtrent die afweging van belangen algemene regels gesteld en neergelegd in paragraaf B2/9.5.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

Voldoende, niet-duurzame middelen

12. “Als de zelfstandig verworven inkomsten voldoende zijn en gedurende het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend steeds voldoende zijn geweest, dan wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Vw op de enkele grond dat deze inkomsten niet duurzaam zijn. Het economisch welzijn van Nederland kan in dat geval de inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, niet rechtvaardigen, aangezien de hoofdpersoon nog altijd beschikt over voldoende bestaansmiddelen.”

13. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is te achten.

14. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres aldus dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat dit beleid onjuist is toegepast. In het jaar voorafgaand aan de aanvraag heeft referent wel over voldoende zelfstandige middelen beschikt. Zij hebben immers geen aanspraak gemaakt op de openbare kas. Referent en eiseres hebben naast de middelen die zijn verworven uit het dienstverband bij Hotel Vught gebruik gemaakt van hun spaargeld.

15. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat referent in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet over voldoende zelfstandige middelen heeft beschikt, omdat spaargeld immers niet kan worden gezien als een zelfstandig middel van bestaan, nu daarover geen belastingen en premies zijn afgedragen.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het voornoemde beleid juist heeft toegepast. Verweerder heeft, als het gaat om het begrip spaargeld, dat moet worden geschaard onder vermogen, terecht aansluiting gezocht bij artikel 3.73 aanhef en onder d, van het Vb 2000. Verweerder is gebonden aan deze definiëring van vermogen als zelfstandig middel van bestaan, aangezien het hier om een wettelijk voorschrift gaat. Verweerder komt in zoverre dan ook geen beleidsruimte toe. Voor zover eiseres meent dat spaargeld als zelfstandige bron van inkomsten moet worden gezien is dit standpunt onjuist.

Onvoldoende middelen

17. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer beschikt over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan, wordt vervolgens door verweerder bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Bij deze belangenafweging worden de volgende factoren betrokken:

“– de nationaliteiten van de vreemdeling en de gezinsleden (waaronder tevens wordt begrepen de hoofdpersoon). Hierbij is met name van belang de vraag of (één van de) gezinsleden de Nederlandse nationaliteit heeft;

– voorzover de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier: het doel en de (niet-)tijdelijkheid van deze verblijfsvergunning;

– de duur van het verblijf van de vreemdeling en de gezinsleden in Nederland op grond van een verblijfsvergunning;

– de banden van de vreemdeling en de gezinsleden met het herkomstland;

– de reden waarom niet meer wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan;

– de duur en hoogte van middelen van bestaan die eventueel nog wel beschikbaar zijn;

– de mate waarin de vreemdeling eventueel een (aanvullend) beroep doet op de algemene middelen en (voorzover van toepassing) de reden waarom een vreemdeling dit beroep doet;

– eventuele bijzondere omstandigheden ten aanzien van de vreemdeling en de gezinsleden.”

18. Eiseres heeft zich met betrekking tot de door verweerder gemaakte belangenafweging op het standpunt gesteld dat de gevolgen voor haar onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelvereiste te dienen doelen. Het doel van het middelenvereiste is dat de Nederlandse overheid niet wordt geconfronteerd met kosten ten behoeve van vreemdelingen. Eiseres heeft geen aanspraak gemaakt op de openbare kas. Het handhaven van het middelenvereiste heeft derhalve in het onderhavige geval gevolgen, waarvoor het middelenvereiste niet bedoeld is.

19. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de gevolgen voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Daarbij heeft verweerder zwaar laten wegen dat het de eigen keuze is geweest van referent om zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V. te beëindigen. Hierdoor is het grootste deel van het inkomen van referent en eiseres weggevallen. Dit komt voor rekening en risico van eiseres. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging betrokken dat eiseres de Pakistaanse nationaliteit heeft, dat zij is geboren in Pakistan en daar samen met haar dochter tot eind 2006 haar hoofdverblijf heeft gehad. Eiseres heeft slechts gedurende een jaar over een geldige verblijfsvergunning beschikt. Niet is aannemelijk geworden dat eiseres zodanig in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd en de Pakistaanse samenleving zozeer is ontwend dat haar terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Referent en de dochter van referent en eiseres hebben weliswaar de Nederlandse nationaliteit, maar referent is evenals eiseres geboren en opgegroeid in Pakistan. Referent en eiseres zijn in Pakistan gehuwd en hun dochter is in Pakistan geboren. Referent is weliswaar al enige tijd in Nederland, maar heeft derhalve ook nog sterke banden met Pakistan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder alle betrokken belangen kenbaar heeft meegewogen. Voor zover de grief van eiseres is gericht tegen de door verweerder gemaakte belangenafweging is de rechtbank marginaal toetsend van oordeel dat verweerder daarbij in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het economisch welzijn van Nederland dan aan de belangen van eiseres.

Voor zover de grief van eiseres moet worden opgevat als een beroep op artikel 4:84 van de Awb, zoals ter zitting is bepleit, heeft verweerder in het feit dat referent geen aanspraak heeft gemaakt op de openbare kas, geen bijzondere omstandigheid hoeven zien is als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

Family life

20. Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

21. In artikel 8 van het EVRM is bepaald dat eenieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven (‘family life’). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

22. In casu is niet in geschil dat er sprake is van gezinsleven van eiseres met referent en hun dochter en dat vanwege de afwijzing van onderhavige aanvraag, eiseres de mogelijkheid van verblijf hier te lande en daarmee de mogelijkheid tot het uitoefenen van dit gezinsleven wordt ontnomen. De vraag die dan dient te worden beantwoord is of de inbreuk die het bestreden besluit maakt op het gezinsleven van eiseres met referent en hun dochter, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd is. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een "certain margin of appreciation" toekomt.

23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat weliswaar sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het gezinsleven doch dat in dit geval inmenging gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de reeds eerder gemaakte belangenafweging in het kader van het middelenvereiste. Immers in dat kader is reeds in zijn algemeenheid een afweging gemaakt tussen het belang van eiseres op uitoefening van familie- of gezinsleven en het belang van de Nederlandse overheid. Indien niet aan het middelenvereiste wordt voldaan, wordt in beginsel aan het belang van de Nederlandse overheid overwegende betekenis toegekend, ook indien dit zou betekenen dat van samenleving zou moeten worden afgezien. Niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven uit te oefenen buiten Nederland. Referent heeft nog sterke banden met Pakistan. Er is niet gebleken dat eiseres de cultuur en de taal van Pakistan dusdanig is ontwend dat het voor haar onmogelijk is om naar haar land van herkomst terug te keren. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die uitwijzen dat eiseres op verblijf hier te lande is aangewezen. Er is evenmin gebleken dat referent de cultuur en de taal van Pakistan dusdanig is ontwend dat het voor hem onmogelijk is om zich met eiseres in Pakistan te vestigen. Evenmin is gebleken dat hun dochter dusdanig in de Nederlandse samenleving is geworteld dat vestiging in Pakistan voor haar zal leiden tot onoverkomelijke problemen. Dat referent een eenmanszaak in Nederland voert, doet niet af aan het feit dat hij zich ook in Pakistan kan vestigen en daar een inkomen kan verwerven.

24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dan aan het persoonlijk belang van eiseres.

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM faalt derhalve.

Aanhouden van het bestreden besluit

25. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte niet heeft aangehouden, zodat referent in de tussenliggende tijd had kunnen voldoen aan de eis van anderhalf jaar zoals gesteld in artikel 3.20 van het Vv 2000. Verweerder heeft het besluit derhalve onzorgvuldig genomen.

26. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder, in de omstandigheid dat referent omstreeks juli 2008 zal voldoen aan de eis dat hij anderhalf jaar inkomen als zelfstandige geniet, geen aanleiding had hoeven zien om het bestreden besluit op te schorten tot aan die eis werd voldaan. Van onzorgvuldigheid is daarom geen sprake.

Hoorplicht

27. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder haar in bezwaar had moeten horen. Verweerder wist dat referent al enige tijd zijn eenmanszaak voerde. Indien eiseres in bezwaar was gehoord, dan was duidelijk geworden op welke termijn aan de eis van anderhalf jaar op grond van artikel 3.20 van het Vv 2000 werd voldaan.

28. Gelet op al het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat uit de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen door eiseres in eerste instantie is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, reeds aanstonds is gebleken dat de bezwaren van eiseres ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Verweerder mocht dan ook, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was, van het horen van eiseres afzien. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de schending van de hoorplicht leidt dan ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

29. De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op grond van artikel 18, eerste lid aanhef en onder d, van de Vw 2000.

30. Het beroep is derhalve ongegrond.

31. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

32. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2008.

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.