Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2014

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
09/920190-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik. Art. 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/920190-07

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 3 januari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 14 juni 2007 en 20 december 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.R. van Roo, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. S.M. Barkhuisen-Venselaar heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 234 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door de jeugdreclassering en dat verdachte zal doorgaan met de behandeling bij de Waag. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gedeeltelijk, en voor wat betreft [benadeelde partij 2] hoofdelijk, zullen worden toegewezen tot een bedrag van elk € 2500,00 en de benadeelde partijen in hun vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard zijn.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2500,00, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 2], alsmede tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2500,00, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1].

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A, en in de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het duwen van een of meer vingers in de anus van het slachtoffer [D] niet kan worden bewezen, nu verdachte deze handelingen ontkent en de verklaring van [D] op dit punt onvoldoende duidelijkheid verschaft.

Met betrekking tot de onder feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten is de rechtbank voorts van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zijn penis in de anus van [B] en [A] heeft geduwd.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende gebleken is van een gezamenlijke uitvoering en een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte zodat bij geen van de bewezenverklaarde feiten kan worden gesproken van het tezamen en in vereniging plegen van de feiten. Weliswaar kan op grond van het dossier worden vastgesteld dat het regelmatig voorkwam dat verdachte seksuele handelingen pleegde met een van de slachtoffers terwijl de medeverdachte daarbij in de buurt was en hetzij toekeek, hetzij zelf seksueel handelingen pleegde bij een ander slachtoffer, maar deze omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende om het medeplegen bewezen te verklaren.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar en levert het na te melden misdrijf, meermalen gepleegd, op.

Verdachte is strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in 2003 en in 2004 toen hij zelf tussen de 12 en 14 jaar oud was schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen die bestonden uit het binnendringen van de lichamen door middel van het zich laten pijpen van de destijds tussen de 7 en 10 jaar oude slachtoffertjes.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het door verdachte gepleegde seksueel misbruik, naast de bewezenverklaarde feiten, ook het duwen van zijn penis tegen de anus, het pijpen en het trekken aan de penis van respectievelijk het laten trekken aan zijn penis door de slachtoffertjes.

Verdachte heeft door de bewezenverklaarde feiten en de overigens vastgestelde seksuele handelingen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de destijds nog zeer jonge slachtoffers. Hij heeft hen seksuele handelingen doen ondergaan waar zij gezien hun leeftijd en ontwikkeling nog lang niet aan toe waren. De rechtbank houdt overigens rekening met het feit dat verdachte tijdens het seksueel misbruik zelf nog jong was en daardoor niet volledig kon inschatten wat de gevolgen van een dergelijk misbruik voor slachtoffers kunnen zijn.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie uit het algemeen documentatieregister, in het verleden niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 30 juli 2007, van het psychologisch onderzoek, uitgevoerd en ondertekend door drs. M.H. Keppel, kinder- en jeugdpsycholoog, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een identiteitsprobleem (seksuele geaardheid). De gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde. Het identiteitsprobleem gaf betrokkene verwarring betreffende zijn seksuele geaardheid. Doordat betrokkene een kinderlijke jongen is met nog weinig identiteit heeft hij onvoldoende aansluiting met leeftijdgenoten. Hij richtte zich op jongere jongens en voerde bij hen seksuele handelingen uit, in eerste instantie experimenteel hetgeen uitmondde in het bevredigen van zijn homo-erotische lusten. Mogelijk is er sprake van een pedofiele ontwikkeling, gezien de langer durende seksuele handelingen met drie jonge jongens en omdat hij meer opwinding ervoer bij het idee van seks met jonge jongens dan met leeftijdgenoten. Daarnaast heeft het veelvuldige internetbezoek een luxerende werking gehad. Betrokkene wordt enigszins verminderd in staat geacht zijn wil te bepalen en de consequenties van zijn handelen te overzien. Het tenlastegelegde kan betrokkene in licht verminderde tot verminderde mate worden toegerekend. Gezien de kans op recidive op de langere termijn en de problematiek van de jongere is behandeling geïndiceerd, gericht op het delictscenario, de seksuele geaardheid van betrokkene, de overmatige seksuele gepreoccupeerdheid en het internetgebruik, sociale vaardigheden en conflicthantering.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemd rapport.

De rechtbank heeft kennisgenomen van diverse rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, in het bijzonder de rapportage d.d. 8 oktober 2007, alsmede diverse rapportages van de jeugdreclassering en in het bijzonder de rapportage d.d. 17 december 2007. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde partij 2].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt en dat betrokkene in het kader van een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf zich verder moet laten begeleiden door de jeugdreclassering alsmede zijn behandeling bij de Waag dient te voort te zetten.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich via hun moeder en wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger] als benadeelde partijen gevoegd in het geding over deze strafzaak en hebben elk een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade tot een bedrag van ieder € 5300,00.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren gebracht dat verdachte ten tijde van het bij gewijzigde dagvaarding onder 1 tenlastegelegde de leeftijd van 14 jaar nog niet had bereikt, op grond waarvan hij krachtens artikel 6:164 van het Burgerlijk Wetboek niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de geleden schade. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de raadsman kortheidshalve naar voren gebracht dat niet kan worden aangetoond dat de geleden schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en dat deze vordering daardoor niet eenvoudig van aard is en dat dus een niet-ontvankelijkheid verklaring dient te volgen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te worden afgewezen nu verdachte gelet op zijn leeftijd ten tijde van de bewezenverklaarde feiten op grond van artikel 6:164 van het Burgerlijk Wetboek niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die is veroorzaakt door de hem verweten gedragingen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld.

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 244 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 primair, 2 primair, 3 primair:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 234 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 120 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht en

dat de veroordeelde zijn behandeling bij de Waag zal continueren en afronden;

verstrekt aan de Stichting Bureau Jeugdzorg de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op: 16 april 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 19 april 2007,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 8 augustus 2007;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1];

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. E. Timmermans, kinderrechter,

en mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 januari 2008.