Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2009

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
09/920191-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in 2004 toen hij zelf 14 jaar oud was schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik, dat bestond uit het zich laten pijpen, van het destijds 7 jaar oud slachtoffertje. Art. 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/920191-07

rolnummer 0002

's-Gravenhage, 3 januari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 december 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.G. Cantarella, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. S.M. Barkhuisen-Venselaar heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en subsidiair wordt vrijgesproken en terzake van het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 197 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door de jeugdreclassering en dat verdachte zal deelnemen aan de behandeling bij de Waag. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk, hoofdelijk, zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2500,00 en de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard is.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2500,00, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 2].

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A, en in de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en subsidiair en onder 3 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder feit 3 primair en subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat weliswaar medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat verdachte overeenkomstige seksuele handelingen heeft gepleegd bij [A] als hij zelf deed, doch deze uitlating wordt onvoldoende in het verhoor van [A] met ondersteunend bewijs geschraagd.

Voorts zijn er weliswaar naar het oordeel van de rechtbank diverse momenten geweest dat verdachte seksuele handelingen pleegde met slachtoffer [B], terwijl tegelijkertijd medeverdachte [medeverdachte] in de directe omgeving van verdachte dergelijke handelingen pleegde met slachtoffer [A] maar deze omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om van medeplegen van seksueel misbruik van [A] door verdachte te kunnen spreken, nu in de gegeven omstandigheden niet van een gezamenlijke uitvoering en een bewuste en nauwe samenwerking kan worden gesproken tussen verdachte en [medeverdachte].

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 2 primair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van (onder meer) het slachtoffer [B] niet als bewijsmiddel mogen worden gebezigd nu uit het rapport van mevrouw [C] van Kinterview, die haar deskundige mening over de kwaliteit van de verhoren van de slachtoffers heeft gegeven, is gebleken dat in de verhoren onvoldoende aandacht is besteed aan mogelijke beïnvloeding van de slachtoffers vòòr het verhoor door de politie hetgeen de betrouwbaarheid van hun verklaringen aantast.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de deskundige heeft gerapporteerd dat de ondervraging van [B] op bepaalde punten is tekortgeschoten. Zo is ten aanzien van het slachtoffer [B] door de deskundige geoordeeld dat onvoldoende aan het licht is gekomen de vraag 'hoe vaak' en 'hoe' de moeder van [B] in de periode tussen 'disclosure' en het studioverhoor aan [B] gevraagd heeft of er misschien iets gebeurd was, blijft voorts de periode tussen 'disclosure' en studioverhoor onderbelicht en vraagt de verhoorder tenslotte niet genoeg door op welke wijze de gesprekken met moeder tot aan het studioverhoor zijn verlopen.

De rechtbank is echter van oordeel dat uit de rapportage van mevrouw [C] geenszins blijkt dat de verhoren onbetrouwbaar zijn, doch integendeel dat de verhoren over het algemeen juist goed zijn verlopen en zeker met betrekking tot de vragen omtrent welke seksuele handelingen zijn gepleegd voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld. Ook valt uit de bevindingen van mevrouw [C] niet op te maken dat cruciale vragen niet zijn gesteld.

Voorts is de rechtbank bij vergelijking van de studioverhoren van de slachtoffers niet gebleken van wederzijdse beïnvloeding in de zin van op elkaar afgestemde verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gesteld dat de verklaring van [B] niet kan worden gebezigd voor het bewijs.

De verdachte heeft alle hem ten laste gelegde feiten ontkend. Hij heeft voorts verklaard wel aanwezig te zijn geweest en te hebben toegekeken op diverse momenten toen medeverdachte [medeverdachte] in 2003 seksueel misbruik pleegde met [D]. Dit wordt ook verklaard door [medeverdachte] en slachtoffer [D]. Echter, met betrekking tot het seksueel misbruik van [B] door verdachte en door [medeverdachte] en het misbruik van [A] door [medeverdachte], gepleegd een jaar later in 2004, verklaart verdachte consequent dat hij hier niet bij aanwezig is geweest en hier niets van af wist, terwijl ook hier zowel uitdrukkelijke verklaringen van [medeverdachte] zijn, die zeer stellig is in zijn bewering dat verdachte ook daarbij aanwezig was en zelf ook seksuele handelingen pleegde, als ook de verklaringen van [B] en [A] omtrent verdachtes aanwezigheid.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij in 2004 niet aanwezig was bij het seksueel misbruik, laat staan zelf enige seksuele handelingen heeft gepleegd, ongeloofwaardig is.

Met betrekking tot de onder feit 2 primair ten laste gelegde feitelijke handelingen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zijn penis in de anus van het slachtoffer heeft geduwd, zodat alleen het zich laten pijpen door het slachtoffer kan worden bewezen verklaard.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar en levert het na te melden misdrijf op.

Verdachte is strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in 2004 toen hij zelf 14 jaar oud was schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen die bestonden uit het binnendringen van het lichaam door middel van het zich laten pijpen van het destijds 7 jaar oude slachtoffertje [B].

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het door verdachte gepleegde seksueel misbruik, naast de bewezenverklaarde feiten, ook inhield het duwen van zijn penis tegen de anus, het pijpen en het trekken aan de penis van de slachtoffertje.

Verdachte heeft door de bewezenverklaarde feiten en de overigens vastgestelde seksuele handelingen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het destijds nog zeer jonge slachtoffer. Hij heeft hem seksuele handelingen doen ondergaan waar hij gezien zijn leeftijd en ontwikkeling nog lang niet aan toe was. De rechtbank houdt overigens rekening met het feit dat verdachte tijdens het seksueel misbruik zelf pas 14 jaar was en daardoor niet geheel kon inschatten wat de gevolgen van een dergelijk misbruik voor het slachtoffer kunnen zijn.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie, in het verleden niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 13 augustus 2007, van het psychologisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door drs. M.H. Keppel, waarin onder meer wordt geconcludeerd dat er bij betrokkene geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij een bewezenverklaring kan betrokkene daarvoor als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit het rapport over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft kennisgenomen van rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 april 2007 en 11 september 2007, alsmede de rapportage van de jeugdreclassering d.d. 18 december 2007. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde partij 2].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor de duur van de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd een passende reactie vormt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een forse voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend is en invloed zal hebben op de recidivekans. De rechtbank overweegt dat geen bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd nu betrokkene zich goed heeft gehouden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en er vanuit het persoonlijkheidsonderzoek en de overige bovengenoemde rapportages geen dermate grote zorgen naar voren komen dat een vorm van verplichte begeleiding of behandeling noodzakelijk is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten reeds ruim drie jaar geleden zijn gepleegd en zich voor zover thans bekend geen herhaling heeft voorgedaan.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dan de 17 dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten, niet aan de orde is acht zij een andere vorm van onvoorwaardelijke afdoening die verdachte direct voelt wel passend. De rechtbank zal daarom tevens een werkstraf van na te noemen duur opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich via hun moeder en wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger] als benadeelde partijen gevoegd in het geding over deze strafzaak en hebben elk een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade tot een bedrag van ieder € 5300,00.

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren nu de verdachte ten aanzien van de aan de vordering ten grondslag liggende strafbare feiten wordt vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld.

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 244 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij - gewijzigde -dagvaarding onder 1 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Met iemand beneden de 12 jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 107 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 uren,

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

in verzekering gesteld op: 16 april 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 19 april 2007,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 3 mei 2007;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering nu verdachte terzake van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten is vrijgesproken;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering nu de vordering niet eenvoudig van aard is en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. E. Timmermans, kinderrechter,

en mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 januari 2008.