Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1972

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/891 BAATBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een wezenlijke verandering van het geheel van de voorzieningen naar inrichting, aard en omvang, derhalve geen sprake van voorzieningen als bedoeld in artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet (hierna: de Wet). Nu de Verordening baatbelasting kernwinkelgebied Gouda 2004 (hierna: de Verordening) in strijd met artikel 222, eerste lid, van de Wet tot een heffing van baatbelasting heeft geleid, dient aan de Verordening verbindende kracht te worden ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/829
V-N 2008/42.22 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/891 BAATBL

Uitspraakdatum: 7 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.] B.V., gevestigd te [Z.], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gouda, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft, met dagtekening 31 december 2004, aan eiseres ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken, kadastraal bekend onder nummer C3972, plaatselijk bekend als Kleiweg 32, 32A, 34, 36, 38, 40, 42, 44 en 48 te Gouda (hierna: de onroerende zaken), een aanslag baatbelasting ([aanslagnummer]) opgelegd naar een bedrag van € 32.170.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 januari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 17 januari 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Partijen hebben vóór de eerste zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is [gemachtigde 1] verschenen, tot bijstand vergezeld door [gemachtigde 2], [gemachtigde 3], [gemachtigde 4], en [gemachtigde 5]. Namens verweerder zijn [gemachtigde A.], [gemachtigde B.] en [gemachtigde C.] verschenen.

1.7. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen de rechtbank en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

1.8. Een nadere zitting van de zaak heeft plaatsgehad op 31 oktober 2007. Namens eiseres is [gemachtigde 1] verschenen, tot bijstand vergezeld door [gemachtigde 6] en [gemachtigde 5]. Namens verweerder zijn [gemachtigde A.], [gemachtigde B.], [gemachtigde C.] verschenen, tot bijstand vergezeld door [gemachtigde D.].

1.9. Het beroep is tezamen met het beroep van [Y.] B.V. (AWB 06/890 BAATBL) gevoegd ter zitting behandeld.

1.10. Van het ter zitting verhandelde zijn twee processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

2. Bekostigingsbesluit en Verordening

Bekostigingsbesluit

2.1. In zijn openbare vergadering van 9 april 2001 heeft de raad van de gemeente Gouda (hierna: de gemeenteraad) het “Kostenverhaalsbesluit herinrichting kernwinkelgebied Gouda” (hierna: het Bekostigingsbesluit) vastgesteld. Het Bekostigingsbesluit is bekendgemaakt in het huis-aan-huis verspreide blad “Goudse Post” van 13 juni 2001. Het Bekostigingsbesluit bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Algemeen

1a. Het gebied waarbinnen de onroerende zaken zijn gelegen, die gebaat worden als gevolg van de door of met medewerking van de gemeente te treffen voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de herinrichting van het kernwinkelgebied Gouda, aan te duiden overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte kaart.

b. De onder 1a bedoelde voorzieningen zullen worden aangebracht in de volgende straten:

Achter de Vismarkt, Achter de Waag, Agnietenstraat, Blauwstraat, Dubbele Buurt, Hoogstraat, Kazernestraat, Kleiweg, Kleiwegstraat, Korte Groenendaal, Korte Tiendeweg, Lage Gouwe, Lange Groenendaal, Lange Tiendeweg, Markt, Naaierstraat, Nieuwehaven, Nieuwe Markt, Nieuwstraat, Sint Anthoniestraat, Stoofsteeg, Turfmarkt, Wijdstraat en Zeugstraat.

c. Dat de voorzieningen als bedoeld onder 1.a., in ieder geval bestaan uit de volgende werken:

a. Het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier)bestrating;

b. Het aanpassen c.q. aanbrengen van openbare verlichting;

c. Het aanpassen c.q. aanbrengen van straatmeubilair;

d. Het aanpassen c.q. aanbrengen van groenvoorzieningen;

e. Het aanpassen c.q. aanbrengen van sierende elementen.

(...)

3.b. De mate waarin de kosten van de onder 1.c. genoemde voorzieningen van openbaar nut via een baatbelasting zullen worden verhaald, vast te stellen op fl. 4.250.000,--, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte indicatieve kostenbegroting, zulks onder de bij de latere baatbelastingverordening vast te stellen regels met betrekking tot onder meer de definitieve omvang en de verdeling van die kosten naar rato van de verkregen of te verkrijgen baat over de in het onder artikel 1.a. genoemd gebied gelegen gebate onroerende zaken."

2.2. Het Bekostigingsbesluit is vervolgens in de openbare raadsvergadering van 19 april 2004 (hierna: het Wijzigingsbesluit) gewijzigd. Het Wijzigingsbesluit is bekendgemaakt in het huis-aan-huis verspreide blad “Goudse Post” van 28 april 2004. In bijlage 2 behorende bij het Wijzigingsbesluit is de volgende uitsplitsing in kosten gemaakt:

onderhoudskosten € 1.776.091

herinrichtings-/verbeteringskosten € 3.433.009

--------------

totaal kosten € 5.209.100

Voorts is in deze bijlage aangegeven dat van het bedrag van € 3.433.009 een bijdrage van € 1.213.566 zal worden gevraagd van de eigenaren/exploitanten van de in het heringerichte kernwinkelgebied gelegen onroerende zaken.

Verordening

2.3. In zijn openbare vergadering van 19 april 2004 heeft de gemeenteraad de “Verordening baatbelasting kernwinkelgebied Gouda 2004” (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekendgemaakt in het huis-aan-huis verspreide blad “Goudse Post” van 28 april 2004. De Verordening bevat onder meer de volgende bepalingen:

" artikel 1

begripsomschrijvingen

1. Deze verordening verstaat onder:

a. een onroerende zaak:

1) een gebouwd eigendom;

2) een ongebouwd eigendom;

3) een appartement;

4) een samenstel van twee of meer van de in onderdeel 1, onderdeel 2 of onderdeel 3 bedoelde aaneengebouwde of aangrenzende eigendommen of appartementen, voor zover ter zake van die eigendommen of appartementen een zelfde genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, wordt aangemerkt als belastingplichtige;

zulks met uitzondering van die delen van een onder 1 tot en met 4 van dit onderdeel bedoeld eigendom of appartement welke zelf deel uitmaken van het heringerichte kernwinkelgebied.

(...)

g. een gebate onroerende zaak: een onroerende zaak die in gele kleur is aangeduid op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, en die direct of indirect grenst aan de in artikel 2 genoemde voorzieningen in het heringerichte kernwinkelgebied, voorzover die onroerende zaak ingevolge het bestemmingsplan of door middel van vrijstelling op de in artikel 2, eerste lid genoemde peildatum voor de baatbepaling is bestemd voor de bestemmingen WCD, CD, OB, OBW, W I, WCD II, C I, C II, ERF 1 en ERF 2;

(...)

artikel 2

aard en voorwerp van de belasting

1. Onder de naam "baatbelasting kernwinkelgebied Gouda" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de in geel aangegeven onroerende zaken gelegen in de gemeente Gouda binnen het door de blauwe omlijning als zodanig in groen aangegeven heringerichte kernwinkelgebied aangeduid op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 september 2003 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten:

a. het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier)bestrating;

b. het aanpassen c.q. aanbrengen van openbare verlichting;

c. het aanpassen c.q. aanbrengen van straatmeubilair;

d. het aanpassen c.q. aanbrengen van groenvoorzieningen;

e. het aanpassen c.q. aanbrengen van sierende elementen.

artikel 3

belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene, die van een gebate onroerende zaak als bedoeld in artikel 2 het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene, die op 1 mei 2004, dan wel indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar, als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

(...)

artikel 4

heffingsmaatstaf

1. De belasting wordt geheven naar de volgende maatstaven:

a. de gecorrigeerde bebouwbare oppervlakte van een gebate onroerende zaak; en

b. de grenslengte van een gebate onroerende zaak;

zulks met inachtneming van het bepaalde in de navolgende artikelleden.

2. Voor een gebate onroerende zaak, niet zijnde een appartement of samenstel van appartementen, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, wordt verstaan onder:

a. bebouwbare oppervlakte: de oppervlakte van de gebate onroerende zaak volgens de kadastrale registratie,

vermenigvuldigd met het percentage dat de onroerende zaak volgens het bestemmingsplan maximaal bebouwd mag worden, op volle vierkante meters naar beneden afgerond;

b. gecorrigeerde bebouwbare oppervlakte: de bebouwbare oppervlakte van de gebate onroerende zaak vermenigvuldigd met de daarbij behorende baatfactor volgens de tot deze verordening behorende en gewaarmerkte tabel I (zie bijlage 2);

c. baatfactor: de factor die de mate van baat weergeeft van de gebate onroerende zaak van begane grond, verdieping en kelder, gerelateerd aan de met betrekking tot die bebouwbare oppervlakte, of dat gedeelte daarvan, van toepassing zijnde bestemming op basis van het bestemmingsplan en/of vrijstelling, welke wordt bepaald op de optelsom van de factoren volgens de tot deze verordening behorende en gewaarmerkte tabel I (zie bijlage 2);

d. grenslengte: de totale lengte van de zijden van een gebate onroerende zaak waarmee die onroerende zaak direct of indirect grenst aan het heringerichte kernwinkelgebied, op eenheden van 25 centimeter naar beneden afgerond.

artikel 5

tarieven

1. De belasting bedraagt

a. voor elke vierkante meter gecorrigeerde bebouwbare oppervlakte, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a: € 6,50, vermeerderd met:

b. per strekkende meter grenslengte, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b: € 155,--.

2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro’s.

(...)

Bijlage 2 behorende bij de Verordening

2.4. In de toelichting op de Verordening is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 2 Aard en voorwerp belasting

(...)

“Tijdstip gebaat zijn

Op 21 augustus 2001 is begonnen met het aanleggen van de voorzieningen en deze zijn in september 2003 voltooid. In artikel 2 is de peildatum voor het tijdstip van gebaat zijn vermeld: 1 september 2003.

(... )

Voorzieningen

Bepalend voor de baatbelasting zijn die voorzieningen die in de verordening worden genoemd.

Voor de duidelijkheid en de rechtszekerheid is het essentieel dat de verordening de specifieke

voorzieningen vermeldt welke aanleiding geven tot profijt van de in het desbetreffende deel van de

gemeente gelegen onroerende zaken. Alleen een wezenlijke verandering die een verbetering inhoudt, kan leiden tot baatbelasting; kosten van onderhoud mogen geen voorwerp zijn van de baatbelasting. Bij de kostenbegroting is met de aftrek van kosten van onderhoud rekening gehouden. Wij zijn van mening dat de herinrichting van het gebied een wezenlijke verbetering inhoudt.

Artikel 2, tweede lid, vermeldt daarom de voorzieningen waarvan de kosten ten dele via de baatbelasting worden verhaald. Voor een omschrijving van de kosten van de voorzieningen wordt verwezen naar de begroting van kosten en opbrengsten opgenomen bij het Kostenverhaalsbesluit. Door de totstandkoming van het geheel van de voorzieningen ontstaat een winkelgebied dat fraaier en voor het winkelend publiek aantrekkelijker is dan het tevoren was.

De basis voor de aanleg van de voorzieningen ligt in de nota “Binnenstad van binnen uit”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 6 september 1999. Genoemde nota verschafte een gemeentelijke, samenhangende visie op de gewenste ontwikkelingen in de binnenstad. De partijen (w.o. SOG, ROGO, pandeigenaren en de gemeente) in de binnenstad onderhandelden in positieve zin over een kwaliteitsimpuls van de Goudse binnenstad. Partijen constateerden dat de binnenstad van Gouda bij de omgeving achterblijft in ontwikkeling, dat onvoldoende gebruik werd gemaakt van de kwaliteit van de binnenstad en dat de positie van Gouda in de regio onvoldoende aantrekkelijk was. Het herinrichtingsplan heeft betrekking op de verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, het verbeteren van de bereikbaarheid, het versterken van de detailhandelsfunctie, het bevorderen van het toerisme.

Om de binnenstad de beoogde kwaliteitsimpuls te geven, is niet volstaan met een standaard vernieuwing van het kernwinkelgebied. Om het kernwinkelgebied de juiste uitstraling te geven, is er voor gekozen om de straten van gevel tot gevel met mooie, gebakken klinkers te bestraten en de Markt opnieuw te bestraten met kinderhoofdjes. Verder is hoogwaardig en op elkaar afgestemd straatmeubilair, zoals bankjes, prullenbakken en fietsenrekken, geplaatst. Daarnaast is ook de verlichting aangepast en zijn luxe boombakken geplaatst om het kernwinkelgebied de nodige allure te geven. Het geheel is gecompleteerd met de plaatsing van diverse kunstwerken. Al met al heeft het kernwinkelgebied als gevolg van de herinrichting een extra en passende uitstraling gekregen die een wezenlijke verbetering inhoudt ten opzichte van de oorspronkelijke inrichting van het winkelgebied. Om dit te bereiken heeft de gemeente daardoor meer kosten gemaakt dan dat zij normaliter zou hebben gedaan.

(...)

Artikel 4 Maatstaf van heffing

(...)

De objectieve gebruiksmogelijkheden van een onroerende zaak op grond van het betreffende bestemmingsplan zijn van belang voor het bepalen van de mate van baat van een onroerende zaak.

De vigerende bestemmingsplannen kennen meerdere bestemmingen, te weten: Openbare en bijzondere doeleinden (OB), Wonen en centrumdoeleinden (WCD), Centrumdoeleinden (CD), Wonen I (W I), Openbare en bijzondere doeleinden en wonen (BW), Wonen en centrum doeleinden II (WCD II), Centrumdoeleinden I (C I) en Centrumdoeleinden II (C II). Daarnaast komt de bestemming ERF 1 en ERF 2 voor, welke de bestemmingen van de naastgelegen percelen volgen.

Als een onroerende zaak een van de hierboven genoemde bestemmingen heeft, dan wordt die onroerende zaak, in meer of mindere mate, als gebaat aangemerkt. In de tot de verordening behorende bijlage 2, wordt in de tabellen I en II het gebaat zijn en de daarbij behorende (deel)baatfactor(en) voor de begane grond en verdiepingen aangegeven.

Bij de herinrichting van het kernwinkelgebied richten de voorzieningen zich op een verbetering van het winkel- en verblijfsklimaat, waardoor de baatwerking met name vruchten afwerpt voor onroerende zaken met als bestemming centrumdoeleinden e.d. en in mindere mate bijzondere doeleinden. Voor een onroerende zaak waarvoor bijvoorbeeld uitsluitend een bestemming “wonen” van toepassing is, geldt dat deze in mindere mate als gebaat kan worden aangemerkt. Omdat het betreffende woonobject door de herinrichting in enige mate is gebaat, is er voor gekozen deze bestemming toch in de heffing te betrekken, maar tegen een lage baatfactor. Overigens komt de bestemming wonen op de begane grond binnen het heringerichte kernwinkelgebied zeer beperkt voor (slechts één bekende situatie).

Benadrukt wordt dat het hier gaat om de bestemming die op grond van het vigerende bestemmingsplan van toepassing is en niet om het feitelijke gebruik van het object! De overige woningen op de begane grond, waar ook andere functies mogen worden uitgeoefend, worden voor de gewone baatfactor dus wel in de heffing betrokken. Voor wat betreft de 1e verdieping en hoger wordt de woonbestemming geacht niet of verwaarloosbaar gering gebaat te zijn bij de herinrichting.”.

De Verordening is vervolgens in de openbare raadsvergadering van 27 september 2004 (hierna: de Wijzigingverordening) gewijzigd. Het tarief genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Verordening is daarbij gewijzigd van € 6,50 naar € 6,12.

De Wijzigingsverordening is bekendgemaakt in het huis-aan-huis verspreide blad “Goudse Post” van 13 oktober 2004.

3. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Herinrichting

3.1. De gemeenteraad heeft op 6 september 1999 besloten tot herinrichting van het centrum van Gouda overeenkomstig de nota “Binnenstad van binnen Uit” (hierna: de nota). Het doel van de herinrichting was, naar verweerder in zijn brief aan de rechtbank van 1 mei 2007 heeft gesteld, het verbeteren van het leef- en winkelklimaat en het versterken van de samenhang tussen de diverse straten in het kernwinkelgebied en de historische binnenstadskern.

3.2. In de toelichting op de nota, zoals deze volgens verweerder in zijn brief aan de rechtbank van 20 juni 2007 bij de behandeling van de nota in de vergadering van de gemeenteraad aan de orde is geweest, is onder meer het volgende opgenomen:

“1.4 Noodzaak

(...)

Regionale structuurvisie op de detailhandel (...):

In deze visie wordt geconstateerd dat de binnenstad van Gouda aantrekkelijk is vanwege het historische karakter, maar dat het centrum functioneert als matig regionaal verzorgingscentrum; ondanks haar centrale ligging in de regio (...). In de nota wordt dan ook geconstateerd dat de kwaliteit van sfeer en historiciteit van de Goudse binnenstad veel beter uitgenut kan worden en zich dan kan onderscheiden van moderne nieuwe winkelcentra (...).

Onderzoek naar functioneren van het centrumgebied van Gouda (…)

In dit onderzoek komt als belangrijke aanbeveling naar voren dat de ‘attractiviteit van de binnenstad van Gouda zal worden vergroot wanneer er meer harmonie is tussen de winkels en de omgeving’ (...). Daartoe wordt geadviseerd om:

- etalages en puien op te knappen,

- nieuwe bestrating in gelijke structuur en kleur door het gehele winkelgebied aan te leggen;

- vernieuwen van de aankleding (bankjes, fietsenrekken, e.d.) in het winkelgebied in één stijl en passend in de historische omgeving,

- plaatsen van stijlvolle bewegwijzering;

- herkenbaarheid vergroten van de ingangen van het winkelgebied.

(...)

Daarnaast is het zo dat elk kernwinkelgebied en soort natuurlijke levenscyclus ondergaat. Elke 10 à 15 jaar dient e.e.a. weer eens tegen het daglicht gehouden te worden en aan de eisen van deze tijd ingetoetst te worden. De huidige inrichting van het kernwinkelgebied dateert van eind jaren 70/begin jaren 80 en is op zijn minst aan her-ijking toe!

(...)

Conclusie:

Zowel op inhoudelijke gronden (verouderde inrichting kernwinkelgebied, economische functioneren) als op basis van het moment (nieuw beleidsprogramma, projecten in aanloopfase) is de noodzaak voor het opstellen van een visie op een gehele, hedendaagse herinrichting van het kernwinkelgebied feitelijk aanwezig.

2.1. Het beoogde kwaliteitsniveau en de belangrijkste elementen.

De doelstelling voor het opstellen van deze visie is éénduidig: het verhogen van de verblijfskwaliteit in het kernwinkelgebied door het ontwerpen van een meer hedendaagse, rustige, aantrekkelijke, historisch passende en duurzame inrichting van het openbaar gebied. Om op deze wijze de neerwaartse spiraal van het economisch functioneren van Goudse winkelbestand (koopkrachtafvloeïng naar o.a. Alexandrium en Zoetermeer) om te buigen en het kernwinkelgebied een nieuwe impuls te geven.

(...)

Alle elementen voor de inrichting van de openbare ruimte (materiaalkeuze (duurzaam!), straatmeubilair, openbare verlichting, civieltechnische zaken, groenelementen, kunst, e.d.) vormen één samenhangend geheel. Dit geheel is tot stand gekomen op basis van beeldkwaliteitskenmerken, cultuur-historische kwaliteiten, functionaliteit (gebruik van de openbare ruimte) en de civiel technische (on)mogelijkheden.

Dit geheel van bouwstenen voldoet dan aan de wens voor een inrichting van het kernwinkelgebied met een zeker kwaliteitsniveau met als randvoorwaarden: sober, strak en rustig!

(...)

2.4 Uitvoering

(...)

Het gaat om de herinrichting van:

- de Kleiweg (incl. kop Kleiweg),

- de Kleiwegstraat,

- de Hoogstraat,

- de Markt,

-de Wijdstraat,

- de Agnietenstraat,

- de Nieuwe Markt,

- Achter de Waag,

- Zeugstraat,

- Stoofsteeg,

- Lange Tiendeweg,

- Korte Tiendeweg,

- Sint Antoniestraat,

- Nieuwstraat,

- Korte Groenendaal,

- Lange Groenendaal.

4.1.De baat en de financiële omvang van de baat

(...)

Conclusie:

Op basis van een objectieve heffingsmaatsaf (verdeelsleutel) (…) ware het wenselijk dat een bijdrage van ca. f 4.250.000,= wordt bekostigd door de baathebbers.”.

3.3. Het totaal van de herinrichtingskosten bedroeg € 5.209.100. Van deze kosten is een bedrag van € 1.213.566 via de baatbelasting verhaald. In de herinrichtingskosten zijn kosten begrepen die betrekking hebben op werkzaamheden ter zake van onderhoud.

Aanslag

3.4. Eiseres heeft op grond van een opstalrecht het genot van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn gelegen binnen het omlijnde gebied, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

3.5. De onderhavige aanslag is berekend op basis van een oppervlakte van 2.486 vierkante meter en een baatfactor van 1,6 à € 6,12 per m2 en een gevellengte van 50,50 meter à € 155 per meter.

4. Geschil

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. is sprake van het tot stand brengen van (een reeks) van voorzieningen als bedoeld in artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet (hierna: de Wet)?

b. zijn de onroerende zaken gebaat bij het geheel van de tot stand gebrachte voorzieningen?

c. zijn alle gebate onroerende zaken in de heffing betrokken?

d. is er sprake van een onjuiste objectafbakening?

e. is er sprake van een onredelijke en willekeurige heffingsmaatstaf?

Eiseres beantwoordt de vragen a tot en met c ontkennend en de vragen d en e bevestigend. Verweerder is de tegenovergestelde mening toegedaan.

4.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het geschil

Algemeen

5.1. Ingevolge artikel 222, eerste lid, van de Wet kan, ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen.

5.2. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 222 van de Wet dat onder het begrip voorzieningen “voortbrengselen van stoffelijke aard” moeten worden verstaan. De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1990/91, 21 591, nr. 7, blz. 30 en zie de conclusie van advocaat-generaal Niessen van 14 september 2006, nr. 42 457, V-N 2006/60.18, onderdelen 4.6.1, 5.2.1. en 5.6.

5.3. Voor de uitleg van de begrippen voorzieningen en baat als bedoeld in artikel 222 van de Wet is het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2007, nr. 42 457, BNB 2007/233, van belang. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder 4.1. het volgende overwogen:

"(a.1) Onder het tot stand brengen van voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet (hierna: de Wet) is niet enkel te verstaan het tot stand brengen van een voorheen niet bestaande voorziening. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan het tot stand brengen van een voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert.

(a.2) Van een verbetering van een bestaande voorziening is in elk geval geen sprake indien daaraan slechts onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Bovendien is de enkele omstandigheid dat de aan wijziging of vervanging van de bestaande voorziening bestede kosten hoger zijn dan die welke gemoeid zouden zijn met het opheffen van opgetreden achteruitgang daarvan, onvoldoende om de wijziging of vervanging te bestempelen als een verbetering.

(b) Indien sprake is van verbetering van een bestaande voorziening kunnen de kosten daarvan slechts door middel van een baatbelasting worden verhaald voor zover zij het bedrag overtreffen dat gemoeid zou zijn met alleen het opheffen van opgetreden achteruitgang van die bestaande voorziening.

(c) Een gemeente mag ervoor kiezen de kosten van een reeks voorzieningen te verhalen door middel van één baatbelasting, indien die voorzieningen als een samenhangend geheel worden uitgevoerd, zoals in het algemeen het geval zal zijn bij herinrichting van een gebied. Aan een zodanige keuze van een gemeente zijn enkele consequenties verbonden.

(d.1) Een van die consequenties is dat als bijkomend vereiste geldt dat het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied, in vergelijking met de toestand waarin dit geheel zich zou bevinden indien de voordien aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren, naar inrichting, aard of omvang wezenlijk veranderd is.

(d.2) Indien niet is voldaan aan dit bijkomende vereiste, dan is het beoogde verhaal van de kosten van de reeks van voorzieningen door middel van één baatbelasting niet mogelijk, ook al zouden de uitgevoerde werkzaamheden hebben geresulteerd in één of meer afzonderlijke voorzieningen in de zin van het hiervoor onder (a) overwogene.

(d.3) Indien wel is voldaan aan dit bijkomende vereiste, kunnen de kosten van de herinrichting worden verhaald voor zover de uitgevoerde werkzaamheden hebben geresulteerd in afzonderlijke voorzieningen als hiervoor bedoeld onder (a), en met inachtneming van het onder (b) gestelde.

(e) Een tweede consequentie van de hiervoor onder (c) bedoelde keuze van een gemeente is, dat de vraag of een bepaalde onroerende zaak gebaat is, dient te worden beantwoord in het kader van het geheel van tot stand gebrachte voorzieningen in de zin der Wet, en niet voor elke voorziening afzonderlijk (vgl. HR 15 juli 1980, nr. 19929, BNB 1980/301).”.

5.4. Vast staat dat de reeks van voorzieningen in het kader van de herinrichting van het kernwinkelgebied in Gouda als een samenhangend geheel is uitgevoerd en dat de kosten daarvan door middel van één baatbelasting zijn verhaald. Gelet op vorengenoemd arrest van de Hoge Raad dient in dit geval dan ook de vraag te worden beantwoord of het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit geheel zich zou bevinden indien de voordien aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren, naar inrichting, aard of omvang wezenlijk veranderd is.

5.5. Alvorens in te gaan op de vraag of in dit geval sprake is van een wezenlijke verandering naar inrichting, aard of omvang, overweegt de rechtbank eerst het navolgende onder 5.6. over de voorzieningen aan de afwatering en onder 5.7. in verband met hetgeen zij hiervoor onder 5.2 heeft overwogen.

Voorzieningen aan de afwatering / riolering

5.6. Uit hetgeen verweerder op dit punt naar voren heeft gebracht, valt onder meer af te leiden dat volgens verweerder onder de voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening, betreffende het aanpassen c.q. aanbrengen van sierbestrating, mede dient te worden verstaan de in het kader van de herinrichting gerealiseerde voorzieningen aan de afwatering / riolering in het kernwinkelgebied. Evengenoemde voorzieningen bestonden, naar verweerder heeft gesteld, uit het aanbrengen van lijnafwatering, waarbij vierkante putten door langwerpige goten zijn vervangen, alsmede het vergroten van de afvoercapaciteit van de riolering middels vergroting van de diameter van de afvoerleidingen. De rechtbank is van oordeel dat deze elementen van de herinrichting naar de letter van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening en het normale spraakgebruik niet kunnen worden aangemerkt als behorende tot het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier)bestrating. Genoemde werkzaamheden aan de riolering reiken immers verder dan het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier)plaveisel ten behoeve van de begaanbaarheid. De toelichting bij de Verordening biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de regelgever niettemin heeft beoogd deze werkzaamheden te rekenen tot het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier)bestrating in de zin van genoemde wettelijke bepaling. Dit betekent dat de Verordening geen grond biedt voor verhaal van de met deze werkzaamheden gemoeide kosten. Voorzover dit bij de bestreden aanslag wel is gebeurd, ontbeert deze aanslag derhalve een wettelijke grondslag. De bestreden uitspraak op bezwaar komt derhalve wegens strijd met de Verordening voor vernietiging in aanmerking.

Voorts volgt uit het voorgaande dat aan hetgeen verweerder met betrekking tot de werkzaamheden aan het riool heeft gesteld geen steun kan worden ontleend voor zijn stelling dat het geheel van voorzieningen een wezenlijke verandering naar inrichting, aard en omvang heeft ondergaan. De rechtbank gaat daaraan hierna bij de beantwoording van de onder 5.4. gestelde vraag derhalve voorbij.

Verwijdering groenvoorzieningen

5.7. Verweerder heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat ook de verwijdering dan wel de inkrimping van het aantal voorzieningen tot een verbetering kan leiden. Dit standpunt gaat naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet op voor zover een voorziening uitsluitend wordt verwijderd, met andere woorden: niet wordt gewijzigd dan wel vervangen. In een dergelijke situatie worden namelijk geen voortbrengselen van stoffelijke aard voortgebracht, zodat reeds om die reden van een voorziening als bedoeld in artikel 222, eerste lid, van de Wet geen sprake kan zijn. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het aantal bomen, boombakken en boomkorven in het kernwinkelgebied door de herinrichting is afgenomen, kunnen de kosten die uitsluitend betrekking hebben op de verwijdering van deze voorzieningen, voor zover dus geen sprake is van een wijziging dan wel vervanging, niet door middel van baatbelasting worden verhaald. Voorzover verweerder dit wel heeft gedaan, is de aanslag derhalve opgelegd in strijd met artikel 222, eerste lid, van de Wet en komt de bestreden uitspraak op bezwaar ook om die reden voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen verweerder heeft gesteld met betrekking tot de verwijdering en inkrimping van genoemde voorzieningen kan daarom evenmin dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat het geheel van voorzieningen een wezenlijke verandering naar inrichting, aard en omvang heeft ondergaan, zodat de rechtbank daaraan hierna eveneens voorbij gaat.

Wezenlijke verandering naar inrichting, aard en omvang?

5.8. De rechtbank zal ten aanzien van de overige voorzieningen beoordelen of het geheel van deze voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit geheel zich zou bevinden indien de voordien aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren, een wezenlijke verandering naar inrichting, aard of omvang heeft ondergaan. Daarbij ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat hiervan sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin niet geslaagd. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.9. Uit de gedingstukken, het door verweerder ingebrachte foto- en videomateriaal en diens toelichting daarop is gebleken dat de herinrichting als volgt is uitgevoerd. In het kader van de herinrichting heeft – behoudens een gedeelte aan de Markt, alwaar kinderkopjes door nieuwe kinderkopjes zijn vervangen, en een gedeelte aan de Kazernestraat – een herbestrating met nieuwe, uniforme materialen plaatsgevonden. De voorheen in het kernwinkelgebied aanwezige verschillende soorten stenen en tegels zijn daarbij door donkerrode, gebakken penterklinkers vervangen. Voorts zijn in een aantal straten (verhoogde) trottoirbanden geplaatst. In een deel van de Kleiweg is aan één zijde een zogenoemde “trapconstructie” aangelegd, bestaande uit een combinatie van rolstoelbanen en trappen met leuningen, teneinde het hoogteverschil op die plek op te lossen. In de Agnietenstraat is de middenberm verdwenen en zijn het fietspad en de rijbaan verlegd. De verlichting is aangepast, in die zin dat diverse staande bolarmaturen door gevel- en staande armaturen en een aantal gietijzeren lantaarns door staande armaturen zijn vervangen. Voorts is het straatmeubilair, bestaande uit prullenbakken, fietsenrekken, bankjes en paaltjes, aangepast. De plaatsing van het straatmeubilair is daarbij gewijzigd. Op diverse plekken zijn paaltjes verwijderd en in een aantal straten (zoals aan de Lange Tiendeweg) zijn weer nieuwe paaltjes geplaatst. Prullenbakken (afsluitbare plastic kliko’s met metalen frame) zijn – behoudens een aantal uitzonderingen, zoals aan de Kazernestraat – door kleinere, luxe, roestvrijstalen en open prullenbakken vervangen. Fietsklemmen zijn door zogenoemde hoog-/laag fietsenrekken vervangen. Voorheen stonden de fietsklemmen her en der door het kernwinkelgebied verspreid. De fietsenrekken daarentegen zijn op een aantal locaties in het kernwinkelgebied (zoals bij de Achter de Waag) gecentreerd. Tevens zijn er een aantal nieuwe bankjes geplaatst. Ook de groenvoorzieningen zijn aangepast. Een aantal boombakken is door luxe boombakken met boomroosters vervangen. Een aantal boombakken en een aantal boomkorven zijn geheel verwijderd. In de Wijdstraat zijn sierende elementen geplaatst, bestaande uit klinkers met de tekst “siroopwafels”. Ook in de Lange Groenendaal zijn sierende elementen in de vorm van tegels aangebracht.

5.10. Verweerder heeft met het foto- en videomateriaal, zijn toelichting daarop en hetgeen hij in de gedingstukken overigens daaromtrent heeft gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting van het winkel- en verbijfsgebied, noch op zich zelf beschouwd, noch in relatie met de historische binnenstad, wezenlijk is veranderd. Het gebruik en functie van het gebied als winkel- en verblijfsgebied als ook de structuur en het karakter van de historische binnenstad is daarbij niet wezenlijk veranderd. Voorts kan ook met betrekking tot de indeling van de openbare ruimte van het gebied niet worden gezegd dat sprake is van een wezenlijke verandering. Dat door het verleggen van de rijbaan en het fietspad alsmede het aanleggen van een trapconstructie de inrichting in respectievelijk de Agnietenstraat en de Kleiweg is gewijzigd alsmede de omstandigheid dat op een aantal locaties fietsenrekken zijn gecentreerd, is voor de inrichting van het gehele gebied slechts van geringe betekenis en is dan ook onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat het geheel van de voorzieningen naar inrichting wezenlijk is veranderd. Het gebruik van uniforme bestrating en de aanpassingen aan het straatmeubilair en de groenvoorzieningen, leiden weliswaar tot een ander straatbeeld, maar de hiermee gepaard gaande verandering van het uiterlijk en aanzien van het gebied, acht de rechtbank mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor in dit onderdeel is overwogen, van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een wezenlijke verandering.

5.11. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat het geheel van de voorzieningen door het gebruik van uniforme, luxe en kwalitatief betere materialen ook naar aard wezenlijk is veranderd. Eiseres heeft dit gemotiveerd betwist. Verweerder heeft vervolgens geen nadere en concrete gegevens met betrekking tot de kwaliteit, duurzaamheid en andere kenmerkende eigenschappen van de in het kader van de herinrichting gebruikte materialen verstrekt op grond waarvan moet worden aangenomen dat het geheel van voorzieningen een wezenlijke verandering heeft ondergaan in vergelijking met de toestand waarin dit geheel zich wat materiaalgebruik zou bevinden indien de vóór de herinrichting aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren. De omstandigheid dat in het gebied gebruik is gemaakt van uniforme materialen, waardoor de diverse straten in het gebied meer één geheel vormen, acht de rechtbank op zich van onvoldoende betekenis om van een wezenlijke verandering naar aard van het geheel van voorzieningen te kunnen spreken.

5.12. Ook naar omvang is geen sprake van een wezenlijke verandering van het geheel van de voorzieningen. Uit hetgeen partijen daartoe over en weer hebben aangevoerd, maakt de rechtbank op dat de volgende voorzieningen in ieder geval in omvang zijn toegenomen: bankjes (ongeveer 7 extra, voorheen aanwezig: 3), prullenbakken (32 extra kleinere exemplaren, voorheen aanwezig: 46 grotere), verlichting (50 extra, voorheen aanwezig: 127) en boomroosters (47 extra, voorheen aanwezig: 2). Overigens is de rechtbank uit de haar ten dienste staande gegevens niet duidelijk geworden in hoeverre het aantal fietsparkeerplekken en het aantal paaltjes is gewijzigd. De rechtbank acht vorengenoemde toename van de desbetreffende voorzieningen niet zodanig groot dat moet worden gesproken van een wezenlijke verandering van het geheel van de voorzieningen naar omvang.

5.13. In het foto- en videomateriaal, de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank ook overigens onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een wezenlijke verandering als bedoeld onder 5.4.

5.14. Gelet op het vorenoverwogene is er geen sprake van voorzieningen als bedoeld in artikel 222, eerste lid, van de Wet. Nu de Verordening in strijd met artikel 222, eerste lid, van de Wet tot een heffing van baatbelasting heeft geleid, dient aan de Verordening verbindende kracht te worden ontzegd. De aanslag kan dus om die reden niet in stand blijven.

5.15. Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden uitspraak op bezwaar komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Doende wat verweerder had behoren te doen, zal de rechtbank de bij die uitspraak op bezwaar ten onrechte gehandhaafde aanslag herroepen.

5.16. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen van eiseres geen behandeling meer.

6. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij de rechtbank het onderhavige beroep en het beroep van [Y.] B.V. (AWB 06/890 BAATBL) aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.449 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 322, factor 1,5 voor het gewicht van de zaak en factor 1 voor samenhang), van welk bedrag € 724,50 wordt toegekend aan de onderhavige zaak.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de belastingaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 724,50 en wijst de gemeente Gouda aan dit

bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de gemeente Gouda het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, mr. S.C. Stuldreher en mr. T. van Rij in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.