Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/3532 IW
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingswet. De ontvanger mag voorwaarden stellen aan het verlenen van uitstel van betaling, ook als de aanslag, wegens een nog lopend bezwaar of beroep, nog niet onherroepelijk vaststaat. Met het betekenen van afzonderlijke dwangbevelen voor meerdere aanslagen die tegelijk worden ingevorderd, worden hogere kosten in rekening gebracht dan noodzakelijk en handelt de ontvanger onzorvuldig en in strijd met artikel 4:84 van de AWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/45.6 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3532 IW

Uitspraakdatum: 8 februari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraken op administratief beroep

De uitspraken van verweerder van 17 januari 2006 en 6 maart 2006 op de administratieve beroepen van eiser tegen de aan hem in rekening gebrachte vervolgingskosten.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.

Namens verweerder zijn [...] daar verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 21 december 2007 aan [advocatenkantoor] onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Per brief van 3 januari 2008 deelde [advocaat] van genoemd advocatenkantoor de rechtbank mee dat hij de uitnodiging in goede orde had ontvangen en vroeg daarbij om uitstel van de mondelinge behandeling. Hoewel de rechtbank in de door [advocaat] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vond de behandeling ter zitting uit te stellen, concludeert zij hieruit wel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het beroep van eiser tegen de uitspraak op administratief beroep van 4 april 2006, procedurenummer AWB 06/4689 IW. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in die zaak, wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de uitspraak op administratief beroep van 17 januari 2006, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de uitspraak op administratief beroep van 6 maart 2006 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op administratief beroep van 6 maart 2006;

- vermindert de kosten van betekening van het dwangbevel tot betaling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000, [aanslagnummer], tot € 1.124 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

2. Gronden

2.1 Aan eiser zijn aanslagen of navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 1990 tot en met 2000 en vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd, alsmede een aanslag premie ziekenfondswet voor het jaar 2000. Eiser heeft tegen al deze aanslagen bezwaar gemaakt, ter gelegenheid waarvan verweerder hem uitstel van betaling verleende tot op het moment dat op de bezwaren zou zijn beslist. De inspecteur wees de bezwaren af en daarmee verviel het uitstel van betaling.

2.2 Eiser is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s Gravenhage. Ter gelegenheid daarvan verzocht hij verweerder om uitstel van betaling totdat het Gerechtshof uitspraak zou hebben gedaan. Bij brieven van 3 augustus 2004 en 29 oktober 2004 heeft verweerder eiser verzocht hem een overzicht van zijn vermogen te verstrekken, teneinde te kunnen beoordelen of voor het verlenen van uitstel van betaling zekerheidstelling nodig was.

2.3 Per brief van 1 november 2004 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij een vermogen had van € 222.356, dat bestond uit een fiscale oudedagsreserve, een eigen woning, banktegoeden en beleggingen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder eiser gevraagd hem vóór 11 december 2004 mee te delen op welke wijze zekerheid zou worden gesteld. Omdat eiser daarop niet reageerde, heeft verweerder het verzoek om uitstel van betaling bij beschik-king van 14 december 2004 afgewezen.

2.4 Eiser heeft tegen de in 2.3 bedoelde beschikking administratief beroep aangetekend bij de directeur van de Belastingdienst. Bij uitspraak van 18 maart 2005 heeft de directeur het beroep ongegrond verklaard. Daarna heeft verweerder eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld nader inzicht te geven in diens vermogenspositie. Omdat van eiser geen reactie kwam, is verweerder begonnen met dwanginvordering.

2.5 Op 1 augustus 2005 zijn dwangbevelen betekend voor de aanslagen vermogens-belasting voor de jaren 1995 tot en met 2000 en de aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 1996 tot en met 1999. Daarbij is in totaal € 5.947 aan kosten van betekening in rekening gebracht. Eerder had verweerder eiser voor elk van deze aanslagen € 9 aanmanings-kosten in rekening gebracht.

2.6 Op 16 februari 2006 zijn dwangbevelen betekend voor de aanslagen inkomsten-belasting voor de jaren 1990 tot en met 1995, de aanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 1994 en de aanslagen inkomstenbelasting en premie ziekenfondswet voor het jaar 2000. Daarbij is in totaal € 9.312 aan kosten van betekening in rekening gebracht. Eerder had verweerder eiser voor elk van deze aanslagen € 14 aanmaningskosten in rekening gebracht.

2.7 Tegen de door de belastingdeurwaarder in rekening gebrachte kosten van betekening heeft eiser beroepschriften ingediend bij verweerder. Bij uitspraak van 17 januari 2006 heeft verweerder het beroep tegen de in 2.5 bedoelde kosten van betekening ongegrond verklaard. Het beroep tegen de in 2.6 genoemde kosten van betekeningen is bij uitspraak van 6 maart 2006 ongegrond verklaard.

2.8 Omdat door eiser geen betalingen werden en gedaan en geen zekerheid werd gesteld, heeft verweerder onder meer voor de hier in geding zijnde aanslagen op 4 april 2006 executoriaal beslag laten leggen op de onroerende zaken van eiser. Per brief van 7 april 2006 heeft verweerder eiser echter meegedeeld dat niet zal worden overgegaan tot uitwinning van het beslag en dat uitstel van betaling werd verleend zolang geen beslissing zou zijn genomen op de bij het Gerechtshof ingediende beroepschriften. In een kort geding voor de Rechtbank Dordrecht heeft eiser gevorderd dat het executoriale beslag zou worden opgeheven. Bij vonnis van 29 juni 2006 heeft de voorzieningenrechter van die rechtbank deze vordering afgewezen.

2.9 In geschil is of de aanmaningskosten en de kosten van betekening terecht en naar de juiste bedragen in rekening zijn gebracht. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen wordt verwezen naar de stukken.

2.10 In zijn beroepschrift noemt eiser alleen de uitspraak op administratief beroep van 6 maart 2006 als de beslissing waartegen het beroep is gericht. De door eiser gehanteerde gronden en zijn conclusie betreffen echter ook de uitspraak op administratief beroep van 17 januari 2006 en de aan eiser in rekening gebrachte aanmaningskosten. De rechtbank merkt het beroep daarom mede aan als gericht tegen de uitspraak op administratief beroep van 17 januari 2006 en tegen de aan eiser in rekening gebrachte aanmaningskosten.

2.11 Uit de gedingstukken blijkt niets van door eiser gemaakte bezwaren tegen de door verweerder aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. Ter zitting kon verweerder desgevraagd niet met zekerheid zeggen of tegen de aanmaningskosten ooit bezwaren zijn ingediend en uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De rechtbank houdt het ervoor dat eiser tegen de aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten geen bezwaren heeft ingediend. Voor zover het beroep tegen het in rekening brengen van deze kosten is gericht, is het daarom niet-ontvankelijk verklaard.

2.12 Tegen een uitspraak van de ontvanger op een administratief beroep tegen een door de belastingdeurwaarder in rekening gebrachte kosten kan binnen zes weken na het bekend-maken van de uitspraak een beroepschrift worden ingediend bij de rechtbank. De uitspraak van verweerder op het administratief beroep tegen de kosten van betekening die in rekening zijn gebracht bij de dwangbevelen die zijn betekend op 1 augustus 2005, is gedagtekend 17 januari 2006. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 28 februari 2006. Het beroepschrift is gedagtekend 13 april 2006 en is bij de rechtbank binnengekomen op 14 april 2006. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest, zijn gesteld noch gebleken. Voorzover het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweer-der van 17 januari 2006, is het daarom niet-ontvankelijk verklaard.

2.13 Voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op administratief beroep van 6 maart 2006 overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft gesteld dat de aanslagen inkomstenbelasting en premie ziekenfondswet voor het jaar 2000 een uiterste vervaldatum hadden van 12 februari 2004 en dat alle andere in dit geding aan de orde zijnde aanslagen een uiterste vervaldatum hadden die vóór die datum lag. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid hiervan te twijfelen en uit hetgeen in de gedingstukken daartoe is vermeld kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat op 12 februari 2004 nog niets was betaald en dat tot op 16 februari 2006 evenmin enige betaling heeft plaatsgevonden, afgezien van een bedrag van € 247 op de aanslag inkomsten-belasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1994. In zoverre zijn de dwangbevelen terecht betekend en zijn de kosten van betekening terecht in rekening gebracht. Eiser stelt dat dit ten onrechte is gebeurd omdat hij niet in gebreke is gebleven de verschuldigde belasting tijdig te betalen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hem uitstel van betaling had moeten worden verleend gedurende de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof. Deze stelling van eiser faalt, naar het oordeel van de rechtbank. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige uitstel van betaling verlenen. Dat gewoonlijk uitstel van betaling wordt verleend gedurende de behandeling van een bezwaar of beroep tegen de desbetreffende aanslag, staat er niet aan in de weg dat de ontvanger ook in een dergelijk geval voorwaarden stelt en, als aan de voorwaarden niet wordt voldaan, een verzoek om uitstel van betaling afwijst. Alvorens een beslissing te nemen op het verzoek om uitstel van betaling, heeft verweerder eiser gevraagd om een opgave van zijn vermogen om te kunnen beoordelen of zekerheidsstelling nodig was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de hoogte van de openstaande bedragen, in redelijkheid deze voorwaarden mocht stellen. Omdat eiser, zoals blijkt uit de gedingstukken, de vragen van verweerder zeer summier en onvolledig heeft beantwoord, heeft hij niet aan de door verweerder te stellen voorwaarden voldaan en kon verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid besluiten dat geen uitstel van betaling werd verleend en heeft hij, toen betalingen uitbleven, terecht maatregelen voor dwanginvordering genomen.

2.14 Eiser stelt subsidiair dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door voor elke aanslag een afzonderlijk dwangbevel uit te reiken, omdat met het uitvaardigen van één dwangbevel een lager bedrag aan kosten van betekening in rekening zou zijn gebracht. De rechtbank overweegt dat aan alle aanslagen of navorderingsaanslagen dezelfde feiten ten grondslag liggen – de zogenoemde “KB-Lux”affaire –, dat de op de aanslagen te betalen bedragen kennelijk steeds gezamenlijk zijn ingevorderd, dat alle onder 2.6 vermelde dwang-bevelen op dezelfde dag zijn betekend en eiser alle openstaande bedragen binnen twee dagen diende te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank zou het dan, gezien het gestelde in de tweede volzin van artikel 12 van de Invorderingswet, in de rede hebben gelegen voor het totale bedrag één dwangbevel te betekenen. Verweerder heeft verklaard dat automatiseringstechnische problemen in de weg staan aan het betekenen van één dwangbevel bij dergelijke samenhangende aanslagen en dat om die reden het beleid is dat voor iedere aanslag afzonderlijk een dwangbevel wordt betekend. Bij het betekenen van de dwangbevelen is een totaalbedrag, inclusief aanmaningskosten, ingevorderd van € 134.522 en is voor in totaal € 9.312 aan kosten van betekening in rekening gebracht. Als voor de invordering van genoemd bedrag van € 134.522 één dwangbevel zou zijn betekend, zou, ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet, een bedrag van € 8.998 aan kosten van betekening in rekening zijn gebracht. Dat betekent dat het door verweerder gevoerde beleid tot gevolg heeft dat aan eiser een hoger bedrag aan kosten wordt berekend dan noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het handelen overeenkomstig deze beleidsregel in dit geval dan ook tot nadelige gevolgen voor belanghebbende die onevenredig zijn in verhouding tot het met die beleidsregel te dienen doel. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder, met het betekenen van meerdere dwangbevelen, heeft gehandeld in strijd met het gestelde in artikel 4:84 van de Awb en met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom.

2.15 In geding heeft eiser verwezen naar de toelichting van de Staatssecretaris van Financiën van 28 september 2005, DGB 2005/5390, bij diens beslissing om geen beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch van 26 augustus 2005, nr. 2002/02638. Op grond daarvan concludeert eiser dat verweerder, met het doen van uitspraak op bezwaar, in strijd met de algemene beginselen van bestuur heeft gehandeld omdat hij, ingevolge de toelichting van de Staatssecretaris, het bezwaar tegen de in rekening gebrachte vervolgingskosten had moeten aanhouden totdat de aanslagen definitief zouden vaststaan. Deze beroepsgrond faalt naar het oordeel van de rechtbank. De recht-bank overweegt daartoe dat de Staatssecretaris bedoelde toelichting heeft gegeven uitsluitend in het belang van de Staat, namelijk om te voorkomen dat Belastingontvangers in soort-gelijke gevallen als aldaar aan de orde (onnodig) worden veroordeeld in de proceskosten. Dat eiser door de afwijkende handelwijze van verweerder op enigerlei wijze in zijn processuele belangen in geschaad, is gesteld noch gebleken.

2.16 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep, voor zover het is gericht tegen de uit-spraak op administratief beroep van 6 maart 2006, gegrond verklaard. Eenvoudigheidshalve heeft de rechtbank het bedrag waarmee het totaal aan in rekening gebrachte kosten van betekening moet worden verminderd, in mindering gebracht op de kosten van betekening van het dwangbevel tot betaling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekerin-gen voor het jaar 2000, [aanslagnummer]. Deze kosten zijn daarom vermin-derd tot € 1.124 ((€ 1.438 -/- (€ 9.312 -/- € 8.998)).

2.17 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het administratieve beroep en het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift bij verweerder, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift bij de rechtbank, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 voor minder dan vier samenhangende zaken), waarvan voor deze zaak € 322 in aanmerking wordt genomen.

Deze uitspraak is gedaan op 8 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.