Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1854

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/4385 MAWKLU
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is niet verplicht om verzochte compensatie van het verschil tussen geleden waterschade aan inboedel bij verhuizing naar Verenigde Staten en hetgeen is vergoed, toe te kennen. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/4385 MAWKLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (VS), eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eiser, luitenant-kolonel der Koninklijke Luchtmacht, heeft bij rekest van 3 april 2006 aan verweerder verzocht om compensatie van het verschil tussen geleden schade (inboedelschade en de daaruit voortvloeiende schade) en hetgeen is vergoed op basis van de transportverzekering die door de zorg van het rijk was afgesloten, zijnde een bedrag van € 26.113,96.

2. Bij besluit van 19 september 2006 heeft verweerder voornoemde aanvraag afgewezen.

3. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 oktober 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt.

4. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 juni 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het beroep is op 22 januari 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bij gemachtigde, mr. J.G. de Werker-Bekx.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Buschgens.

II. Motivering

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is begin juli 2005 geplaatst in de functie van Commandant NAK VS/Hoofd Personeelszaken. Ten gevolge hiervan is eiser verhuisd naar [woonplaats in de Verenigde Staten] en is zijn inboedel door KHZ Internationale Verhuizers B.V. (hierna: KHZ) verhuisd van Nederland naar de VS.

1.2 Op 3 augustus 2005 is bij het openen van de verhuiscontainer waarmee eisers inboedel werd vervoerd gebleken dat de inboedel waterschade had opgelopen.

1.3 Bij rekest van 3 april 2006 heeft eiser verzocht om compensatie van het verschil tussen geleden schade en hetgeen is vergoed, zijnde een bedrag van € 26.113,96. De vervangingswaarde van de inboedel bedroeg € 51.560,--, de schade bedroeg € 50.739,05. Via de transportverzekering is € 23.475,-- uitgekeerd en door KHZ is € 1150,10 betaald in verband met de huur van meubelen.

1.4 Bij besluit van 14 mei 2007 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit van 19 september 2006, houdende de afwijzing van voornoemd rekest, ongegrond verklaard.

2. Verweerder heeft primair aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers zijn inboedel ten behoeve van zijn verhuizing heeft verzekerd via KHZ. Het Ministerie van Defensie is geen partij bij deze overeenkomst. Het Ministerie van Defensie heeft wel de premie van de transportverzekering voldaan, aangezien de verhuizing een gevolg is van de toewijzing van een functie aan eiser in de VS. Als gevolg hiervan is het Ministerie van Defensie niet gehouden de door eiser geleden vermogensschade te vergoeden.

Verweerder heeft subsidiair overwogen dat het verlies en de schade bestaan uit de dagwaarde van de goederen die verloren zijn gegaan. Eiser heeft meer moeten uitgeven om vervangende goederen aan te schaffen, maar daar tegenover staat dat hij vanaf dat moment weer beschikte over een nieuwe inboedel met een hogere dagwaarde, in dit geval de nieuwwaarde. De door eiser geleden schade is dan ook volledig vergoed. Ook goed werkgeverschap noopt niet tot een tegemoetkoming. Eisers stelling dat hem niet bekend was dat de transportverzekering dekking bood op basis van de dagwaarde en dat hem dit niet door verweerder is medegedeeld is volgens verweerder onjuist. Gebleken is dat eiser uitgebreid is voorgelicht en dat het onderwerp verzekeringen daarbij aan de orde is gekomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft gesteld dat hij zijn inboedel zelf (extra) zou hebben verzekerd tegen nieuw- of vervangingswaarde of aangedrongen zou hebben op een aanvullende verzekering indien hij wel van de vigerende transportverzekering op de hoogte zou zijn geweest.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel degelijk heeft aangegeven waarom verweerder hem financieel tegemoet dient te komen. Hij heeft geen keuze gehad voor wat betreft de verhuizer en de daaruit voortvloeiende overeenkomsten, zoals de verzekering. Eiser stelt dat hij heeft verzocht om een totaalbedrag, doch dit bedrag kan - zoals blijkt uit de gronden van zijn bezwaar - worden gesplitst. Zo blijkt uit het bezwaarschrift dat hij beredderingskosten heeft gemaakt. Hij heeft 241 uren en 880 km voor bereddering gemaakt. De verzekeraar is hem met betrekking tot deze uren met de toekenning van € 500,-- voor 40 uren enigszins tegemoet gekomen. Voor de gemaakte kilometers heeft hij geen enkele vergoeding ontvangen.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat zijn schade conform de polisvoorwaarden is vergoed, hetgeen erop neer komt dat hij nog niet eens de helft heeft mogen ontvangen van de vervangingswaarde. Eiser deelt de mening van verweerder, te weten dat als eiser alles volledig vergoed zou hebben gekregen hij ten opzichte van anderen in een gunstiger positie zou worden geplaatst, niet. Hij heeft weliswaar een nieuwe inboedel, maar deze vervangt niet de verloren gegane inboedelstukken met een emotionele waarde (zoals erfstukken, herinneringen en cadeaus). Daarnaast acht verweerder het - achteraf - blijkbaar niet zo redelijk en billijk dat bij schade alleen de dagwaarde wordt vergoedt. Met ingang van 1 januari 2006 zijn de polisvoorwaarden aangepast in die zin dat voortaan bij schade de nieuwwaarde wordt vergoed.

4.1 Ingevolge artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) kan de Minister van Defensie de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.

4.2 De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, heeft, in de hoedanigheid van opdrachtgever, op 1 mei 2001 een Raamovereenkomst gesloten met KHZ in verband met internationale verhuizingen Nederland - VS/Canada van (militaire) ambtenaren van het Ministerie van Defensie. Deze Raamovereenkomst is aangegaan tot en met

1 mei 2004 en is verlengd tot 2006.

4.3 In artikel 2, eerste lid, van de Raamovereenkomst - voor zover hier van belang - is bepaald dat de verhuizer zich in opdracht van opdrachtgever onder de in deze overeenkomst gestelde voorwaarden verplicht tot:

a. Het verzorgen van de verhuizing van inboedel van belanghebbende

1. van Nederland naar de VS of Canada;

2. van de VS of Canada naar Nederland;

3. binnen de VS of binnen Canada.

b. Het eventueel verzorgen van een tijdelijke opslag van de te verschepen of verscheepte inboedel (...).

c. Het verzorgen van de verhuizing van het restant aan inboedel van belanghebbende die niet zal worden verscheept (...).

d. Het afsluiten van een transport en/of opstalverzekering voor de waarde van deze inboedel.

4.4 Artikel 115 van het AMAR kan worden gezien als uitwerking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als goed werkgever te gedragen, zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) meerdere malen heeft overwogen (bijvoorbeeld CRvB, 9 december 2004, TAR 2005, 33). In de betreffende bepaling is de overheidswerkgever de bevoegdheid toegekend de ambtenaar naar billijkheid schadeloos te stellen. De wijze waarop verweerder deze bevoegdheid ten aanzien van de door eiser geleden schade heeft gebruikt, dient door de rechtbank marginaal te worden getoetst.

5.1 De rechtbank overweegt allereerst dat het enkele gegeven dat een transportverzekering is afgesloten via de verhuizer verweerder niet ontslaat van voornoemde verplichting.

5.2 De rechtbank overweegt voorts als volgt.

5.2.1 Eiser heeft bij zijn rekest van 3 april 2006 naar post gespecificeerd uiteengezet waaruit zijn schade als gevolg van de opgelopen waterschade bestaat. Eiser heeft aangegeven dat nog lang niet alles wat verloren is gegaan is vervangen en dat zijn huidige inboedel niet dezelfde kwaliteit heeft als zijn verloren gegane inboedel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser na aanschaf van nieuwe goederen weer beschikte over een nieuwe inboedel met een hogere dagwaarde. Dit standpunt van verweerder is niet nader onderbouwd. Niet gebleken is dat verweerder contact heeft gezocht met eiser teneinde duidelijkheid te krijgen met betrekking tot de waarde van de huidige inboedel. Bovendien heeft eiser heeft aangegeven dat een deel van de beredderingskosten niet is vergoed. Het standpunt van verweerder dat in het geheel geen sprake is van schade kan derhalve niet worden gevolgd.

5.2.2 Met betrekking tot eisers stelling dat hij geen vrijheid had bij de keuze van de verhuizer en de transport-/inboedelverzekering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser in het contact met Diensten Centrum Buitenland niet heeft verzocht of de mogelijkheid bestond om een andere verhuizer te kiezen en/of zich elders (aanvullend) te verzekeren. Verweerder heeft aangegeven dat, indien eiser hiernaar had geïnformeerd, aan eiser kenbaar zou zijn gemaakt dat deze mogelijkheid bestaat. Het Rijk zou slechts de kosten hebben vergoedt, die ook waren gemaakt bij verhuizing door KHZ. Volgens verweerder stond het eiser voorts vrij om een (aanvullende) verzekering af te sluiten voor de nieuwwaarde van zijn inboedel. De rechtbank overweegt dat, nu eiser het voorgaande niet heeft betwist, zijn stelling ter zake geen doel kan treffen.

5.2.3 Niet betwist is dat ruim voorafgaand aan zijn verhuizing door tussenkomst van (de voorganger van) Defensie Bureau Buitenland (hierna: DBB) ten behoeve van en aan eiser een briefing heeft plaatsgevonden en dat eiser langs alle specialisten van DBB is geleid en in de gelegenheid is gesteld om nadere vragen te stellen. Eiser heeft in zijn rekest aangegeven dat hij enkele weken voor de verhuizing bij het opnemen van de inboedel een brochure van de verhuisfirma heeft ontvangen met daarbij verschillende formulieren en de polisvoorwaarden van de transportverzekering. Eiser heeft voorts aangegeven dat hij deze stukken niet grondig heeft kunnen bestuderen omdat hij vlak voor zijn verhuizing zat.

Onder de gedingstukken bevindt zich het informatieboekje "verhuizingen en inboedelopslag t.b.v. belanghebbenden Ministerie van Defensie verhuizende naar USA/Canada" van KHZ. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd medegedeeld dat eiser een andere brochure heeft ontvangen, maar dat daarin eveneens is vermeld dat alle verzekeringen worden afgesloten op basis van maximaal dagwaarde vergoedingen.

De rechtbank overweegt dat verweerder eiser voldoende informatie heeft verstrekt voorafgaand aan zijn verhuizing. Het ligt niet op de weg van verweerder om eiser uitdrukkelijk te wijzen op de specifieke voorwaarden van de door de verhuizer afgesloten transportverzekering. Het had in de rede gelegen dat eiser, indien hij zich ter zake beter had willen laten informeren, daartoe zelf initiatieven had ontplooid. Dat eiser dit niet heeft gedaan dient dan ook voor zijn rekening te komen.

5.2.4 Eiser heeft ten behoeve van de transportverzekering een inventarislijst ingevuld, waarbij hij een schatting heeft gemaakt van de waarde van zijn inboedel. Gebleken is dat in de door eiser ingevulde inventarislijst duidelijk is vermeld dat de waarden die worden opgenomen de vervangingswaarde dient weer te geven. Uit het door verweerder bij diens verweerschrift overgelegde transportschaderapport van de verzekeringsmaatschappij van

31 oktober 2005 is voorts gebleken dat eisers opgave van de te verzekeren goederen naar omschrijving en waarde onvoldoende is geweest. Hierdoor is de vergoeding via de verzekering lager uitgevallen dan het schadebedrag dat eiser heeft geclaimd. Eiser heeft erkend dat hij op de inventarislijst de dagwaarde van zijn inboedel heeft opgegeven.

Nu eiser zich voorafgaand aan zijn verhuizing niet heeft verdiept in de voorwaarden van de transportverzekering en hij, ondanks de duidelijke vermelding in de inventarislijst dat de nieuwwaarde van de inboedel diende te worden vermeld, een te lage waarde van de inboedel heeft opgegeven, heeft hij het risico genomen dat bij schade aan zijn inboedel niet de door hem gewenste vergoeding zou worden uitgekeerd. De verwezenlijking van dit risico komt voor eisers rekening.

5.2.5 Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat als gevolg van de door hem geleden schade de polisvoorwaarden per 1 januari 2006 zijn aangepast in die zin dat voortaan bij schade de nieuwwaarde wordt vergoed. Verweerder heeft dit betwist. Volgens verweerder is per 1 januari 2006 sprake van een nieuwe Raamovereenkomst, waarbij andere voorwaarden gelden. Het is niet zo dat sindsdien van alle goederen de nieuwwaarde wordt vergoed. Alleen van goederen die minder dan drie jaar oud zijn kan de nieuwwaarde worden vergoed. Van deze goederen zijn onder meer computers uitgezonderd, aldus verweerder. Het gevolg van de situatie van eiser is alleen dat thans geadviseerd wordt om goederen met een emotionele waarde niet te verpakken met de rest van de inboedel, aldus verweerder. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee eisers standpunt afdoende heeft weerlegd.

5.3 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat zich geen omstandigheden voordoen die leiden tot een plicht voor verweerder om op grond van artikel 115 van het AMAR de door eiser verzochte vergoeding toe te kennen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

IV. Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier, A.J. Faasse - van Rossum