Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1624

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
09/757804-07.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een periode van twee en een half jaar een vijftal vrouwen aangezet om zich te prostitueren en heeft zich met de opbrengst uit deze prostitutie aanzienlijk bevoordeeld. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het witwassen van geld, uit misdrijf verkregen. De valsheid bestond hierin dat verdachte tijdens een asielprocedure een groot aantal documenten valselijk heeft opgemaakt, kennelijk met het doel zijn ware identiteit te verhullen. Gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757804-07

's-Gravenhage, 10 april 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land 1]) op [datum] 1967,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting '[...]', [adres],

thans zonder vaste woonplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 16 oktober 2007, 7 januari 2008 en 27 maart 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L. Fleer, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie, mr. Y. de Groot, heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid in de vervolging met betrekking tot feit 4., en heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 2. eerste alternatief/cumulatief voor het medeplegen en variant A, 2. tweede alternatief/cumulatief en 6. tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1. tweede alternatief/cumulatief, 1. derde alternatief/cumulatief, 2. eerste alternatief/cumulatief variant B, 3., 5. en 6. eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Ter terechtzitting is voorts de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht betreffende verdachte aanhangig gemaakt.

De officier van justitie heeft gevorderd dat behandeling van deze vordering wordt aangehouden voor onbepaalde tijd.

De beslissing van de rechtbank hierop is apart geminuteerd.

De telastlegging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Onder 4. op de tenlastelegging wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (poging tot) oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 21 september 1998 tot en met 10 mei 2000.

In dit verband overweegt de rechtbank dat op dit delict in de genoemde periode op grond van art. 326 (oud) Wetboek van Strafrecht een maximum gevangenisstraf van drie jaren was gesteld. Op grond van art. 70 (oud) Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht tot strafvordering voor een misdrijf waarop een dergelijke maximale straf staat in zes jaren.

De verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging. De rechtbank stelt vast dat als eerste daad van vervolging kan worden aangemerkt de betekening van de dagvaarding aan verdachte op 4 oktober 2007. Nu tussen 10 mei 2000, zijnde de einddatum van de tenlastegelegde periode, en 4 oktober 2007 meer dan 6 jaren zijn verstreken, is daarmee het vervolgingsrecht verjaard. Dit betekent dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging van het onder 4. tenlastegelegde feit.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 2. 3. en 6. tweede alternatief/cumulatief is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 2. overweegt de rechtbank het volgende. Aan de hand van de verklaringen van [A] en verdachte, noch anderszins, kan worden vastgesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode genoemde [A] - kort gezegd - tot prostitutie heeft gedwongen en daarvan heeft geprofiteerd. Nu bovendien niet is komen vast te staan dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander - waarbij in het bijzonder aan [F] ware te denken - heeft gepleegd, dient hij hiervan te worden vrijgesproken.

In het onder 3. tenlastegelegde feit wordt verdachte verweten dat hij samen met anderen

een zekere [G] heeft bedreigd. Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat aangever [G] de enige is die daadwerkelijk het pistool dat zou zijn getoond heeft gezien en de dreigende woorden die zouden zijn gebezigd heeft gehoord. Getuigen [A], [C] en [H] verklaren ook over een en ander maar uit hun respectievelijke verklaringen blijkt niet dat zij dat uit eigen wetenschap doen, zodat deze verklaringen niet kunnen dienen ter ondersteuning van hetgeen de aangever heeft verklaard. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw van verdachte acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de onder 1, tweede en derde alternatief/cumulatief tenlastegelegde feiten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Hiervan is sprake indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er schulden moeten worden afbetaald of als de betrokkene niet over eigen financiële middelen kan beschikken. Alle aangeefsters hebben verklaard dat zij (op enig moment) hun uit de prostitutie verkregen verdiensten (in meerdere of mindere mate) aan verdachte moesten afstaan. Door aangeefster [D] is voorts nog verklaard dat zij een steeds toenemende schuld aan verdachte moest afbetalen. Verder waren de aangeefsters afkomstig uit [land 2] en in de meeste gevallen door en op kosten van verdachte naar Nederland gehaald. Zij waren hier dan ook niet tot nauwelijks met de plaatselijke omstandigheden bekend, noch kenden zij iemand anders dan verdachte of zijn directe omgeving. Dat, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, allen beschikten over een paspoort en zelf hebben gekozen voor de prostitutie doet aan het voorgaande niet af en leidt daarom niet tot een ander oordeel.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 6. verweten witwassen. Daartoe is aangevoerd dat de overgemaakte geldbedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn, maar dat het geld betreft dat is verdiend met het in [land 3] gevestigde bouwbedrijf van de broers van verdachte. Deze broers kwamen regelmatig naar Nederland en namen dan geld mee voor verdachte, die, aldus nog steeds de raadsvrouw, het geld als hij het niet nodig had, overmaakte naar [land 1]. Ook zou verdachte volgens zijn eigen verklaring geld hebben verdiend met de koop en verkoop van een auto. Bovendien, zo betoogt de raadsvrouw, is niet duidelijk welk misdrijf wordt bedoeld, nu de verweten mensenhandel ziet op de periode 2004-2007 en het witwassen reeds in 2003 zou zijn begonnen.

Dit betoog wordt verworpen. Vooropgesteld zij dat voor een bewezenverklaring van het bepaalde in art. 420bis Wetboek van Strafrecht niet is vereist dat moet komen vast te staan door wie, waar en wanneer het misdrijf als bedoeld in dit artikel is gepleegd (HR 27 september 2005, LJN AT4094). In aanmerking genomen de onder 1 bewezenverklaarde periode voor de mensenhandel en de daaraan ten grondslag liggende verklaringen van de aangeefsters alsmede de vaststelling dat verdachte reeds in 1998 in Nederland is gearriveerd en zijn verklaring dat hij geen vaste bron van inkomsten heeft, komt de rechtbank tot het oordeel dat ook voor wat betreft de in 2003 overgemaakte geldbedragen moet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. De door en namens verdachte aangedragen verklaringen voor de herkomst van het geld acht de rechtbank niet aannemelijk. Het kan zijn dat verdachte - eenmalig zo begrijpt de rechtbank - geld heeft verdiend met de verkoop van een auto, maar dat verklaart nog niet waarom met enige regelmaat aanzienlijke geldbedragen werden overgemaakt. Dat de broers van verdachte het (beweerdelijk legaal verdiende) geld vanuit [land 3] contant hebben meegenomen voor verdachte en verdachte het vervolgens weer vanuit Nederland in contanten overmaakt naar andere broers in [land 1] is zonder enige nadere ondersteuning en in het licht van het voorgaande zodanig onaannemelijk dat de rechtbank ook daaraan voorbij gaat.

Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden acht om tot een bewezenverklaring van het onder feit 6, eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde (gewoonte)witwassen te komen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1. tweede alternatief/cumulatief

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005

tot en met 2 juli 2007 te [plaats 1] en [plaats 2] en [plaats 3] [A] en [B] en [C] en [D] en [E] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a

(oud) Wetboek van Strafrecht en met één van de onder lid 1, sub 1° van

artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft

bewogen hem verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele

handelingen van die [A] en [B] en [C] en [D]

en [E] met een derde,

immers heeft hij, verdachte, die [A] en

[B] en [C] en [D] en [E] :

- vanuit het land van herkomst naar Nederland doen/laten komen terwijl hij,

verdachte die reizen betaalde en

- overgebracht naar/ondergebracht in hotelkamers/woningen te

[plaats 1] en [plaats 2] en

- gezegd in die hotelkamers/woningen te

verblijven/overnachten en

- gezegd/opgedragen om met niemand te praten en

- gezegd dat zij wegens reiskosten en/of huurkosten terzake van woon- en/of

werkruimte

schulden hadden aan hem, verdachte, en

- naar plaatsen in [plaats 1] en [plaats 2]

gebracht waar zij als prostituee moesten en/of gingen werken, althans

hen heeft doen en/of laten werken als prostituee en

- opdracht gegeven en/of onder druk gezet en/of er toe aangezet een groot

aantal dagen per week, en een groot aantal uren per dag als prostituee tewerken en

- onder controle gehouden en/of laten houden en

- een aanzienlijk, deel van verdiensten laten

afgeven en ingehouden en met verbaal geweld bedreigd;

EN

1. derde alternatief/cumulatief

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005

tot en met 2 juli 2007 te [plaats 1] anderen, genaamd [C] en [D], heeft aangeworven met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zichbeschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;

5.

hij op 21 september 1998 te [plaats 4], een aanvraag om toelating als vluchteling en een antecedentenverklaring en een toestemmingsverklaring (ex artikel 15 Uitvoeringsovereenkomst verdrag van Dublin en een nationaliteitsverklaring, - elk zijnde een geschrift

dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft

opgemaakt, immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk

aan een medewerker van de IND opgegeven en verklaard dat zijn naam is

[Y] en dat hij is geboren te [...], [land] en dat

hij de nationaliteit heeft van Burger van de Federatieve Republiek [land]

en vervolgens die aanvraag om toelating als vluchteling en

antecedentenverklaring en toestemmingsverklaring ex artikel 15

Uitvoeringsovereenkomst verdrag van Dublin en nationaliteitsverklaring

waarop genoemde personalia waren vermeld ondertekend, zulks telkens met

het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

6. eerste alternatief/cumulatief

hij op tijdstippen in de periode van 13 mei 2003

tot en met 16 april 2007, te [plaats 1], voorwerpen, te weten geldbedragen voorhanden heeft gehad, en heeft overgedragen terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte telkens

opdracht gegeven tot de volgende geldtransacties:

- op 13 mei 2003 aan [broer 1 van verdachte] 2231 euro over maken en

- op 1 september 2003 aan [broer 1 van verdachte] 2176 euro over maken

en

- op 27 november 2003 aan [broer 1 van verdachte] 4000 euro over maken

en

- op 27 december 2003 aan [broer 1 van verdachte] 4000 euro over maken

en

- op 30 december 2004 aan [broer 1 van verdachte] te [land 1] 3000 euro over maken

en

- op 9 augustus 2006 aan [broer 2 van verdachte] te [land 1] 2000 euro over maken en

- op 16 april 2007 aan [broer 3 van verdachte] te [land 1] 1000 euro over maken

en hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van twee en een half jaar een vijftal vrouwen aangezet om zich te prostitueren en heeft zich met de opbrengst uit deze prostitutie aanzienlijk bevoordeeld.

Hij heeft de vrouwen, die zelf naar Nederland wilden komen om daar in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, naar Nederland gehaald door voor hen de reis te betalen. Hij regelde in Nederland woonruimte en heeft tegen de vrouwen gezegd dat zij daar moesten verblijven, dat zij met niemand over de situatie mochten praten; hij bracht de vrouwen naar de plaatsen waar ze moesten werken, heeft ze, enigszins onder druk, lange werkdagen en -weken laten maken, hield de vrouwen onder controle en heeft de vrouwen (grote) delen van hun verdiensten aan hem laten afdragen onder de mededeling dat zij geld aan hem verschuldigd waren voor onder andere levensonderhoud. Een en ander ging soms met verbale bedreiging gepaard. Op deze manier raakten de vrouwen in meer of mindere mate in een afhankelijke positie ten opzichte van verdachte. Gelet op deze handelwijze heeft verdachte de vrouwen op laakbare wijze voor eigen gewin uitgebuit, waarbij hij geen enkel respect heeft getoond voor de persoonlijke levenssfeer van de vrouwen.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het witwassen van geld, uit misdrijf verkregen.

De valsheid bestond hierin dat verdachte tijdens een asielprocedure een aantal documenten valselijk heeft opgemaakt, kennelijk met het doel zijn ware identiteit te verhullen.

Verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat door de maatschappij in dergelijke documenten wordt gesteld, geschaad.

Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden alsmede op het feit dat de rechtbank verdachte voor meer delen van de tenlastelegging zal vrijspreken dan door de officier van justitie gevorderd, acht zij een lagere straf dan door de officier gevorderd passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 57, 225 (oud), 273a (oud), 273f (oud), 273f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vervolging met betrekking tot het onder 4. tenlastegelegde;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 2. 3. en 6. tweede alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. tweede alternatief/cumulatief, 1. derde alternatief/cumulatief, 5. en 6. eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

1. tweede en derde alternatief/cumulatief:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

5.

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

6. eerste alternatief/cumulatief:

gewoontewitwassen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 2 juli 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 5 juli 2007,

Dit vonnis is gewezen door

Mr. E. Rabbie, voorzitter,

Mrs. J.D.G.J. Dop en V.F. Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2008.