Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1513

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
AWB 08/879 WMO en AWB 08/202 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Huishoudelijke hulp in het kader van de WMO. Verweerder had niet mogen volstaan met een verwijzing naar het advies van het CIZ, nu eiser in bezwaar essentiële punten heeft aangevoerd. Uit het advies van het CIZ kan niet zonder meer worden afgeleid dat alle overgelegde informatie is meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Ook is niet gebleken dat het CIZ onderzoek heeft gedaan naar de totale huishouding. Besluit vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering. Tevens voorlopige voorziening getroffen in afwachting van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 1
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Wet maatschappelijke ondersteuning 5
Wet maatschappelijke ondersteuning 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/98

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg.nrs. AWB 08/879 WMO en AWB 08/202 WMO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en tevens op het beroep van

[eiser], , wonende te [woonplaats],

ten aanzien van het besluit van 29 november 2007 van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2007 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 januari 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Bij brief van 5 februari 2008 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De zaak is op 2 april 2008 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. de Jongh.

Motivering

De voorzieningenrechter kan, indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In dit geval wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

Eiser heeft op 22 maart 2007 een aanvraag ingediend voor hulp bij het huishouden, klasse 1 (zorg in natura, onbepaalde tijd, gemiddeld 0 tot 1,9 uur per week). Deze aanvraag is op 20 april 2007 bij verweerder ontvangen. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

Tussen partijen is in geschil of verweerder zijn besluit om eiser niet in aanmerking te brengen voor hulp bij het huishouden op goede gronden heeft gehandhaafd.

Eiser, die sinds 1982 ME/CVS heeft alsmede een mitochondriële afwijking, heeft aangevoerd dat hij maar in zeer beperkte mate belastbaar is en volledig arbeidsongeschikt. Hij heeft een zoontje dat meervoudig gehandicapt is en 24 uur per dag intensieve zorg nodig heeft. Deze zorg wordt momenteel volledig door eiser en zijn partner, die fulltime werkt en kostwinner is van het gezin, geleverd. Eiser is van mening dat hem huishoudelijke hulp moet worden verstrekt, omdat het voor hem onmogelijk is om de zorg voor zijn zoontje en de zorg voor de huishouding van het gezin te combineren.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de WMO is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. In het tweede lid is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WMO stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. In het tweede lid onder b is bepaald dat de verordening tenminste de bepaling bevat op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd op de situatie van de aanvrager worden bepaald.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de WMO vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder c, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007 van de gemeente Oegstgeest (hierna: de Verordening) wordt onder beperkingen verstaan: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten. Onder d is bepaald dat een persoon met beperkingen een persoon is die ten gevolge van ziekte of functiebeperking, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van, onder meer, het voeren van het huishouden.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het uitvoeren van de huishoudelijke verrichtingen op te heffen of te verminderen.

Verweerder heeft de gevraagde voorziening geweigerd omdat niet aan het in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening genoemde criterium zou zijn voldaan. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), waarin is geconcludeerd dat eiser, die geen loonvormende arbeid verricht, gezien de aard, ernst en intensiteit van zijn problematiek en beperkingen, in staat moet worden geacht - met leefregels en zonder deelname aan het arbeidsproces - alle huishoudelijke taken uit te voeren.

Eiser heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar aangevoerd dat ten onrechte alleen naar zijn situatie is gekeken, terwijl conform de protocollen van het CIZ alsmede de uitspraken van het College van Zorgverzekeringen gekeken dient te worden naar de gehele huishouding. Daarnaast heeft eiser kanttekeningen geplaatst bij de cognitieve gedragstherapie die volgens het CIZ naar huidige medische inzichten de voorliggende behandeling is voor ME/CVS-patiënten, waarbij hij er tevens op heeft gewezen dat deze behandeling om praktische redenen niet uitvoerbaar is voor hem. Verder heeft eiser nog gesteld dat het CIZ grotendeels voorbij is gegaan aan de andere aandoeningen waar hij mee kampt. Eiser heeft ook een ongeneeslijke afwijking aan zijn spierstelsel, suikerziekte en een overbelaste duim en rug.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op geen enkele wijze is ingegaan op de stellingen die eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren heeft gebracht. Nu eiser essentiële punten heeft aangevoerd, had verweerder daar kenbaar op moeten reageren en niet mogen volstaan met een verwijzing naar het advies van het CIZ. Reeds om die reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Daarbij komt dat het advies van het CIZ vrij summier is. Hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat alle informatie die eiser heeft overgelegd is meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag voor huishoudelijke hulp, zoals verweerder heeft aangenomen. Ook blijkt niet uit het CIZ-advies dat er onderzoek is gedaan naar de totale huishouding. Eiser heeft er terecht op gewezen dat niet alleen naar het individu maar naar de gehele leefeenheid dient te worden gekeken. De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook blijkt uit het Protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ, waar in punt 2.9 is aangegeven dat de zorgvuldigheid vereist dat, indien er sprake is van huisgenoten die gebruikelijke zorg of mantelzorg leveren, de indicatiesteller de huisgenoten altijd persoonlijk hoort in het kader van het indicatie-onderzoek, zodat correct kan worden geïnventariseerd welke taken de huisgenoot/-mantelzorger uitvoert en hoe hij/zij de belasting van deze taken ervaart in relatie tot zijn/haar maatschappelijke participatie. Niet is gebleken dat eisers partner door het CIZ is gehoord. Nu het CIZ haar eigen protocol niet heeft nageleefd, had het op de weg van verweerder gelegen om een nader advies te vragen aan het CIZ.

Anders dan verweerder ter zitting heeft aangegeven, heeft het feit dat eiser geen cognitieve gedragstherapie heeft gevolgd naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel degelijk een rol gespeeld bij de beoordeling van de aanvraag voor huishoudelijke hulp. Uit het CIZ-advies kan immers worden afgeleid dat dit als een voorliggende behandeling wordt gezien. Aannemelijk is dan ook dat een indicatie voor huishoudelijke hulp zou zijn afgegeven nadat eiser deze behandeling zou hebben gevolgd.

Het voorgaande in aanmerking genomen kan de voorzieningenrechter niet anders oordelen dan dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert.

Overigens wijst de voorzieningenrechter nog op artikel 26 van de WMO, dat de eis stelt dat de motivering van het bestreden besluit moet vermelden op welke wijze dat besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van eiser. Het bestreden besluit voldoet ook niet aan die eis. Dat die eis slechts toepasselijk zou zijn op toewijzende besluiten, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, blijkt niet uit de wet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het ook bij een afwijzend besluit op de weg van verweerder om te motiveren waarom een bepaalde voorziening niet wordt verstrekt en waarom die afwijzing bijdraagt aan het bevorderen dan wel behouden van de deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De voorzieningenrechter zal hiervoor een termijn stellen.

De belangen van eiser afwegende tegen die van verweerder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in afwachting van een nieuw te nemen besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat eiser in aanmerking dient te worden gebracht voor hulp bij het huishouden op grond van de WMO tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar, als nader in het dictum omschreven.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een verzoekschrift, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) drie punten worden toegekend.

Aangezien ter zake van dit verzoek en beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

treft de voorlopige voorziening dat eiser in aanmerking dient te worden gebracht voor hulp bij het huishouden op grond van de WMO (klasse 1, zorg in natura, gemiddeld 0 tot 1,9 uur per week), tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;

bepaalt dat de gemeente Oegstgeest aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 78,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,-, welk bedrag de gemeente Oegstgeest aan de griffier moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin op het beroep is beslist, binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier M. van Vlodrop.