Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1447

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/6442 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorkeursrecht Wvg.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht niet voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze gegeven is. Er zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot het oordeel dat verweerder, de belangen afwegende, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vestigen van het voorkeursrecht. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/6442 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A.], handelend onder de naam Handelskwekerij [B.], gevestigd te [plaats A.], eiser,

en

de raad van de gemeente Nieuwkoop, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Liemeer de raad van die gemeente voorgesteld een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) te vestigen op de percelen aan de [a-straat] en [b-straat] te [plaats A.], kadastraal bekend als gemeente Zevenhoven, sectie A [nummers]. Het voorstel is met toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de Wvg bekendgemaakt.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft verweerder (als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Liemeer) op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop een voorkeursrecht ingevolge de Wvg gevestigd op het perceel [a-straat] 12 te [plaats A.].

Het mede tegen dit besluit gericht geachte bezwaar van 26 januari 2007 is bij besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 augustus 2007 heeft eiser daartegen beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 28 maart 2008 behandeld. Daarbij is eiser, vergezeld door [...], verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Oudshoorn. Tevens was mr. J.G. Bossink voor verweerder aanwezig als adviseur.

Motivering

Eiser heeft een tuinbouwbedrijf in de gemeente Nieuwkoop. Het gebied waarin zijn bedrijf ligt staat bekend als de "Noordse Buurt". De gemeente Liemeer en de Stichting Noordse Buurt waren van mening dat er geen toekomst meer was voor duurzame glastuinbouw in dit gebied. Het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Liemeer (de rechtvoorganger van Nieuwkoop) heeft bij besluit van 19 december 2006 een aanvang gemaakt met de vestiging van een voorkeursrecht ingevolge de Wvg op eisers percelen. Na gemeentelijke herindeling heeft verweerder op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop de aangevangen procedure voortgezet en bij besluit 8 februari 2007 bedoeld voorkeursrecht op eisers perceel gevestigd. Dat besluit is bij het bestreden besluit van 19 juli 2007 gehandhaafd.

Eiser heeft betoogd dat hij door het bestreden besluit in zijn bedrijfsvoering wordt benadeeld. De tuinbouw in de Noordse Buurt heeft naar zijn zeggen weinig toekomstperspectief meer. Er was in overleg met de gemeente Liemeer door de gezamenlijke kwekers (de Stichting Noordse Buurt) een plan opgesteld dat voorzag in de verkoop van alle bedrijven. Als potentiële kopers noemt eiser [partij X.] en Stallingsbedrijf Glastuinbouw Nederland. Deze zijn door het voorkeursrecht inmiddels niet meer in beeld.

Volgens eiser is de rechtsgrond van het voorkeursrecht inmiddels vervallen. Ten tijde van de vestiging ervan had verweerder het voornemen in het bewuste gebied woningbouw te realiseren, hoewel een concreet plan daartoe en een duidelijke financiële onderbouwing op dat moment nog ontbraken. Nu lijkt verweerder als toekomstige bestemming voor natuurgebied te kiezen. Voor eiser betekent dit dat zijn bedrijf onverkoopbaar zal worden. Daarnaast verwacht eiser schade als gevolg van waardevermindering van zijn perceel met 25-40 %. Hij zal geen gebruik meer kunnen maken van de zogeheten "Ruimte voor ruimte-regeling" die het mogelijk maakte de oude opstallen te slopen en het vrijgekomen terrein voor woningbouw te gebruiken.

Het plan van de Stichting Noordse Buurt voorzag in een verplaatsingssubsidie. De doorstart van de bedrijven op een andere locatie wordt, anders dan destijds door de gemeente Liemeer, door verweerder niet ondersteund. Eisers toekomst is onzeker, zijn bedrijf zit zoals hij zegt "op slot" en het is onduidelijk wat verweerder concreet voor hem gaat doen. Hij heeft zijn bedrijf begin 2007 aan verweerder te koop aangeboden, maar verweerder is tot op heden niet met hem in onderhandeling getreden, laat staan dat er een bod is uitgebracht.

De handhaving van het voorkeursrecht berust op verweerders standpunt dat aan de eisen voor de vestiging ervan wordt voldaan. Het in geding zijnde perceel wordt hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden gebruikt. Dit gebruik wijkt af van de toekomstige (niet agrarische) bestemming. De voorziene bestemming is die van natuurgebied met extensieve woonbebouwing. Verweerder is van mening dat het algemeen belang bij het voorkeursrecht in het primaire besluit voldoende is onderbouwd en dat alle belangen zijn afgewogen. Uit het besluit blijkt duidelijk waarom het voorkeursrecht op eisers perceel is gevestigd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Liemeer van 19 december 2006. Dit bezwaar heeft verweerder terecht ingevolge artikel 9a, tweede lid, van de Wvg gericht geacht tegen het raadsbesluit van de gemeente Nieuwkoop van 8 februari 2007.

Eiser heeft alleen bezwaar gemaakt tegen het voorkeursrecht dat is gevestigd op de percelen aan de [a-straat] 6A en 12, kadastraal bekend als gemeente Zevenhoven, sectie A [nummers]. Het beroep beperkt zich derhalve tot de vraag of verweerder in redelijkheid een voorkeursrecht ingevolge de Wvg op genoemde percelen heeft kunnen vestigen.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg luidt:

Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wvg kan de gemeenteraad gronden aanwijzen waarop van toepassing zijn de artikelen 10–24, 26 en 27, voor zover die gronden nog niet zijn opgenomen in een ter inzage gelegd ontwerp van een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of van een bestemmingsplan, waarbij aan de betrokken gronden een gewijzigde bestemming wordt toegedacht onderscheidenlijk gegeven. Bij het raadsbesluit behoort een kaart waarop de betrokken gronden en de aan die gronden toegedachte bestemming zijn aangeduid.

Ingevolge het tweede lid komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking gronden waaraan bij dat raadsbesluit een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming.

Niet ter discussie staat dat eisers percelen (sectie A [nummers]) hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aan de in geding zijnde percelen de bestemming natuurgebied met extensieve woondoeleinden toegedacht. Dit is een niet-agrarische bestemming. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt het bestaande gebruik in voldoende mate af van de toegedachte bestemming om op basis van het genoemde raadsbesluit een voorkeursrecht te kunnen vestigen. Aan de formele toepassingsvoorwaarden van artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wvg is derhalve voldaan. Daarmee ligt aan het bestreden besluit een geldige rechtsgrond ten grondslag. Dat in het oorspronkelijke raadsbesluit van 8 februari 2007 de toegedachte bestemming woondoeleinden was, maakt dit niet anders. Voor het kunnen vestigen van een voorkeursrecht ingevolge artikel 8 van de Wvg is doorslaggevend dat het huidig gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Die bestemming zal doorgaans gaandeweg nader en nauwkeuriger worden ingevuld. Op het moment dat een voorkeursrecht ingevolge artikel 8 van de Wvg wordt gevestigd behoeft die nog niet in detail vast te staan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht niet voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze gegeven is. Het voorkeursrecht is een instrument dat kan worden ingezet teneinde bij het ontwikkelen van een gebied de regiefunctie te behouden. Met dat oogmerk heeft verweerder dit instrument ook ingezet.

Uit de stukken komt naar voren dat de Noordse Buurt een glastuinbouwgebied is met veel kleinschalige, veelal verouderde bedrijven. De verkaveling staat de benodigde schaalvergroting in de weg. Vanuit het gebied is een plan ontwikkeld voor de transformatie naar een natuurgebied met extensieve woonbebouwing. Hoewel verweerder zegt positief tegenover dit plan te staan, moet de definitieve besluitvorming nog plaatsvinden en is de detaillering van de plannen nog lang niet gereed. Omdat verweerder heeft geconstateerd dat marktpartijen initiatieven aan het nemen waren voor grondverwerving in de Noordse Buurt, heeft verweerder besloten een voorkeursrecht ingevolge de Wvg onder meer op genoemde percelen te vestigen. Het voorkeursrecht is ingezet om verweerders regiefunctie bij de ontwikkeling van de Noordse Buurt te kunnen behouden. De initiatieven van de marktpartijen zouden een integrale ontwikkeling op haalbare condities in de weg kunnen staan.

Verweerder heeft het algemeen belang dat met het inzetten van het instrument van het voorkeursrecht is gediend afgewogen tegen het individuele belang van eiser. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid de conclusie mogen trekken dat het vestigen van het voorkeursrecht zwaarder moet wegen dan het individuele belang van eiser. De uit de vestiging van het voorkeursrecht voortvloeiende aanbiedingsplicht die op eiser is gelegd is niet onevenredig zwaar in verhouding tot het daarmee gediende belang. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de Wvg met de belangen van eiser rekening is gehouden. Zo kent de Wvg een uitgebreide rechtsbescherming voor eigenaren van aangewezen gronden zoals eiser. De Wvg bepaalt de gevallen waarin verweerder bestaande rechtsverhoudingen moet respecteren en waarin de aanbiedingsplicht niet geldt. Bovendien is eiser niet verplicht zijn percelen te verkopen. Eiser kan vrij bepalen of, en zo ja wanneer, hij tot verkoop wil overgaan. Hij is in dat geval alleen gehouden ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvg het desbetreffende goed eerst aan verweerder te koop aan te bieden. Eiser zal een reële prijs voor zijn onroerende zaken ontvangen en kan, wanneer over de prijs geen overeenstemming kan worden bereikt, een deskundigenadvies laten uitbrengen. Gewezen wordt op artikel 16 van de Wvg. Ook bestaat de mogelijkheid ingevolge artikel 17 van de Wvg de rechtbank te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. Voor zover eiser door de overdracht schade heeft geleden, kan eiser in het geval de bestemming bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is verwerkelijkt en bij onherroepelijk bestemmingsplan een bestemming is aangewezen die de vestiging van het voorkeursrecht in de weg zou hebben gestaan, vergoeding daarvan vorderen.

Er zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot het oordeel dat verweerder, de belangen afwegende, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vestigen van het voorkeursrecht.

Uit het dossier komt naar voren dat eiser zijn percelen inmiddels aan verweerder te koop heeft aangeboden en dat partijen hierover in onderhandeling zijn. De gestelde waardevermindering van de percelen kan eiser bij die onderhandelingen betrekken. Zijn verzoek om schadevergoeding komt echter gelet op artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit, niet voor toewijzing in aanmerking.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.