Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1429

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
FA RK 05-4358
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4898, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luxemburgs recht is van toepassing op de kinderalimentatie. Beoordeling van de vraag of de (hoge) kosten van de internationale school die de kinderen bezoeken, maar waarvan de kosten thans niet meer door de voormalig werkgever van de man worden vergoed, binnen de behoefte van de minderjarigen vallen. De rechtbank ziet geen (directe) noodzaak dat de minderjarigen onderwijs volgen op een internationale school, gelet op de omstandigheid dat de man thans geen internationale functie meer uitoefent, mitsdien geen wisselende standplaatsen voor zijn werk meer heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 05-4358

zaaknummer: 247570

datum beschikking: 12 februari 2008

TS

BESCHIKKING op het op 29 juli 2005 ingekomen verzoek van:

[de man],

ten tijde van de indiening van het verzoek wonende te [plaats], Luxemburg, thans wonende te [plaats in Nederland],

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Naarden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [plaats], Luxemburg,

procureur: mr. D.G.M. van den Hoogen,

advocaat: mr. R.J. Neijenhof te Amsterdam.

PROCEDURE

Bij beschikking van 7 november 2006 van deze rechtbank en kamer is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de verzoeken met betrekking tot het gezag, een omgangsregeling en de verblijfplaats van de twee minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank heeft de behandeling met betrekking tot de verzoeken tot vaststelling van een kinderbijdrage, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat partijen tussentijds hoger beroep kunnen instellen tegen de tussenbeschikking en dat partijen, indien geen hoger beroep (meer) aanhangig is, de in de tussenbeschikking genoemde stukken aan elkaar en aan de rechtbank dienen over te leggen, waarbij stukken die in een vreemde taal zijn gesteld moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal, tenzij het eenvoudig leesbare stukken betreft. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen:

- de brief met bijlagen van 30 maart 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlagen van 1 april 2007 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen van 26 april 2007 van de zijde van de man;

- het faxbericht met bijlage van 4 mei 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlagen van 2 november 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlagen van 2 november 2007 van de zijde van de man.

Op 13 november 2007 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat en met een tolk, mevrouw Bink.

BEOORDELING

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voorzover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Kinderbijdrage

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat aan haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van dit verzoek van de vrouw en dat zij op het verzoek Luxemburgs recht zal toepassen. De rechtbank heeft bepaald dat partijen zich uit dienen te laten omtrent de inhoud van het op dit punt toepasselijke Luxemburgse recht.

De vrouw heeft zich in haar brief van 30 maart 2007 uitgelaten over het Luxemburgse recht en hieromtrent stukken overgelegd, die door de man niet zijn betwist.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 303 van de Code Civil, van kracht in het groothertogdom Luxemburg (hierna CC), de man en de vrouw gehouden zijn bij te dragen in het levensonderhoud en de opvoeding van hun kinderen in verhouding tot hun draagkracht. Uit artikel 203 CC volgt dat de man en de vrouw verplicht zijn de minderjarigen te voeden, onderhouden en opvoeden en dat de aan de minderjarigen te bieden hulp wordt bepaald al naar gelang hun behoeften en de bronnen van inkomsten van de ouders.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de vaststelling van alimentatie de behoeften van de minderjarigen in aanmerking moeten worden genomen en rekening moet worden gehouden met de financiële draagkracht van beide ouders.

Voorts blijkt uit de literatuur dat de behoeften van de minderjarigen die in aanmerking moeten worden genomen bestaan uit alles wat nodig is om in de levensbehoeften te voorzien, zoals voeding, kleding, medische zorg en huisvesting. De behoeften zijn vooral afhankelijk van de leeftijd van de minderjarigen en het levenspeil dat zij hadden vóór de echtscheiding van de man en de vrouw.

De financiële draagkracht van de man en de vrouw hangt af van hun inkomsten en lasten, waarbij de inkomsten behalve uit het eigenlijke salaris bestaan uit diverse vergoedingen, inkomsten uit onroerend en roerend goed en dergelijke, sociale uitkeringen niet meegerekend, en de lasten uit de uitgaven die noodzakelijk zijn om te voorzien in het persoonlijke levensonderhoud zoals uitgaven voor huren en aflossing leningen, met uitzondering van leningen voor overbodige aankopen. Inactiviteit kan een ouder niet vrijstellen van zijn verplichtingen indien dat een vorm van ledigheid is.

Behoefte minderjarigen

De vrouw is - kort samengevat - van mening dat gekeken dient te worden naar de werkelijke maandelijkse kosten van de minderjarigen. In Luxemburg wordt volgens de vrouw niet zoals in Nederland een tabel gehanteerd en voorts is de behoefte niet gemaximeerd. De vrouw heeft ter onderbouwing van de werkelijke kosten van de minderjarigen diverse overzichten overgelegd. Uit het bij het verweerschrift als productie 9 overgelegde overzicht volgen kosten voor de minderjarigen van ongeveer € 3.000,- per maand per kind. Voorts verwijst de vrouw naar de overzichten van de uitgaven ten tijde van het huwelijk die door de man in het geding zijn gebracht.

De man betwist uitdrukkelijk de door de vrouw opgevoerde kosten voor de minderjarigen. Deze zijn zijns inziens buitensporig hoog. Volgens de man kunnen deze kosten worden bepaald aan de hand van de Nederlandse tabel eigen aandeel kosten van kinderen, welke bedragen ook voor zijn kinderen zullen gelden, nu aan deze tabel onderzoek ten grondslag ligt. Voor de minderjarigen kan het bedrag aan kosten worden gehanteerd dat volgt uit de hantering van het maximale gezinsinkomen van € 5.000,- netto per maand.

De rechtbank zal niet de (Nederlandse) tabel eigen aandeel kosten van kinderen hanteren, zoals de man betoogt, maar zal de behoefte van de minderjarigen vaststellen aan de hand van hun werkelijke kosten. Er is immers Luxemburgs recht, zoals hiervoor weergegeven, van toepassing. Vast is komen te staan dat partijen ten tijde van het huwelijk in een aanzienlijke welstand hebben geleefd, gelet op hun beider inkomens en de gunstige arbeidsvoorwaarden van de man.

Partijen twisten met name over de volgens de vrouw van de behoefte van de minderjarigen deel uitmakende schoolkosten voor de internationale school (ISL) die de minderjarigen bezoeken, welke kosten een aanzienlijk deel van de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen beslaan. Partijen hebben hieromtrent het volgende aangevoerd.

De vrouw is van mening dat de minderjarigen deze school moeten blijven bezoeken, waaraan de door haar ter zitting genoemde kosten ad € 12.350,- per kind per jaar aan inschrijvingskosten en € 240,- per kind per maand aan overige schoolkosten (zoals materialen, sporten en dergelijke) zijn verbonden. De minderjarigen bezoeken deze school sinds hun derde jaar en zijn vertrouwd met dit schoolsysteem. Mede gezien de echtscheiding is het in het belang van de minderjarigen dat zij deze vertrouwde school kunnen blijven bezoeken. De vrouw heeft verwezen naar productie 16 en 17, waaruit volgens haar blijkt dat de man wilde dat de minderjarigen gedurende het schooljaar 2005/2006 de ISL zouden blijven bezoeken. De plaatselijke school is volgens de vrouw geen optie voor de minderjarigen, nu daar Duits en Letzburgisch wordt gesproken, welke talen de minderjarigen niet voldoende beheersen.

De man is van mening dat de huidige financiële situatie van partijen niet toelaat dat de minderjarigen deze dure internationale school blijven bezoeken, omdat zijn voormalige werkgever deze kosten thans, in tegenstelling tot in het verleden, niet meer betaalt. De man betwist dat hij wilde dat de minderjarigen gedurende het schooljaar 2005/2006 de ISL zouden blijven bezoeken en hij verwijst naar productie 26 waaruit blijkt dat, toen zijn werksituatie duidelijk was, hij het ISL heeft bericht dat de minderjarigen deze school niet meer konden blijven bezoeken. De man heeft voorts aangevoerd dat het vóór de huwelijksproblemen de bedoeling van partijen was dat zij na het ontslag van de man naar Nederland zouden verhuizen, alwaar de minderjarigen een gewone school zouden bezoeken (de kinderen beheersen de Nederlandse taal voldoende). De man stelt hiertoe - onbetwist - dat partijen zich begin 2005 in Nederland hebben georiënteerd op huizen en op scholen. Ook overigens is er volgens de man geen beletsel om de minderjarigen naar een plaatselijke school te laten gaan, met name nu er in Mamer een goede nieuwe - gratis - school is gevestigd waar in het Frans, de taal die de minderjarigen beheersen, les wordt gegeven.

Bij de beantwoording van de vraag of het redelijk is dat de kosten van het ISL onderwijs binnen de behoefte van de minderjarigen vallen neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand in aanmerking.

Partijen hebben in het verleden gezamenlijk gekozen voor deze school. Tot aan het ontslag van de man per 1 november 2005 heeft de voormalige werkgever van de man, ING, alle kosten van deze school vergoed. Indien de minderjarigen thans deze school blijven bezoeken komen de kosten geheel voor rekening van partijen.

De rechtbank acht door de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de ISL een goede school is voor de minderjarigen en dat zij aan deze school gewend zijn. Door de man acht zij echter voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het stoppen van de vergoeding door ING van de schoolkosten van de minderjarigen het financieel niet verantwoord is dat de minderjarigen deze zeer dure school blijven bezoeken. De aanmelding door de man voor het schooljaar 2005/2006 was om, in afwachting van duidelijkheid omtrent zijn werk-/inkomenssituatie, hun plaatsen niet verloren te laten gaan. De rechtbank acht aannemelijk dat het niet de bedoeling van partijen was, dat de minderjarigen na het stoppen van de vergoeding door ING de ISL zouden blijven bezoeken. Vast staat dat partijen zich, met het oog op een mogelijke vestiging in Nederland na het ontslag van de man, hebben georiënteerd op andere, minder dure, scholen.

Voorts ziet de rechtbank geen (directe) noodzaak dat de minderjarigen onderwijs volgen op een internationale school, gelet op de omstandigheid dat de man thans geen internationale functie meer uitoefent, mitsdien geen wisselende standplaatsen voor zijn werk meer heeft en de vrouw ter terechtzitting heeft aangegeven vooralsnog in Luxemburg te willen blijven wonen.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de man gemotiveerd heeft gesteld dat er geen bezwaren zijn de minderjarigen de nieuwe school in Mamer (Ecole Primair de Mamer) te laten bezoeken. Hij heeft toegelicht dat het onderwijs mede is gericht op de vele buitenlandse kinderen die deze school bezoeken, dat de minderjarigen vlakbij deze school wonen, dat deze school goede overblijfmogelijkheden heeft en dat op deze school Frans wordt gesproken, hetgeen de rechtbank aannemelijk voorkomt. De vrouw heeft dit onvoldoende betwist, namelijk met de enkele – niet nader (met stukken) onderbouwde – stelling dat volgens haar op deze school slechts Duits en Letzburgisch wordt gesproken, welke talen de minderjarigen niet beheersen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het niet redelijk bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen rekening te houden met de door de vrouw opgevoerde schoolkosten voor de minderjarigen, zodat het behoefteoverzicht van de vrouw niet onverkort kan worden gevolgd.

Ook voor het overige komt de grondslag aan het behoefteoverzicht te vervallen omdat de man gemotiveerd heeft betwist dat het behoefteoverzicht welstandsgerelateerd is.

Bij gebreke van een gegrond en met voldoende bewijsstukken onderbouwd behoefteoverzicht zal de rechtbank de behoefte in redelijkheid vaststellen. Rekening houdend met de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk stelt de rechtbank de (totale) behoefte van de minderjarigen in redelijkheid vast op € 1.800,- per maand per kind. Rekening houdend met het feit dat de vrouw ook een bijdrage dient te leveren in de kosten van de minderjarigen en met de kinderbijslag die de vrouw ontvangt, stelt de rechtbank de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage van de man in redelijkheid vast op € 1.000,- per maand per kind.

Draagkracht man

Voor wat de beoordeling van de draagkracht van de man betreft verwijst de rechtbank naar het hierna onder partneralimentatie vermelde.

Partneralimentatie

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat aan haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van dit verzoek van de vrouw en dat zij op het verzoek Nederlands recht zal toepassen.

De vrouw heeft ter terechtzitting haar verzoek gewijzigd en haar verzoek luidt thans een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen van € 5.250,- per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek.

Grievend gedrag/redelijkheid en billijkheid

De man voert primair het verweer dat hij geen alimentatie aan de vrouw is verschuldigd omdat de vrouw zich grievend ten opzichte van hem heeft gedragen en hem opzettelijk heeft willen kwetsen. Indien dit verweer wordt verworpen beroept de man zich op matiging van de bijdrage en/of limitering van de bijdrage in tijd op grond van de redelijkheid en billijkheid. De man heeft de gang van zaken waarop hij dit verweer grondt uitvoerig in de stukken beschreven.

De vrouw betwist de door de man omschreven gang van zaken, althans geeft een andere uitleg aan de gang van zaken. De man heeft haars inziens zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en een beroep op artikel 1:157 BW gaat dan ook niet op.

De rechtbank overweegt als volgt.

De onderhoudsverplichting tussen (gewezen) echtgenoten vindt haar rechtsgrond in de levens-gemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen, welke gemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt. Het hangt vervolgens af van de concrete omstandigheden waarin de echtelieden na de ontbinding van het huwelijk zijn komen te verkeren of ten laste van de ene echtgenoot aan de andere daadwerkelijk een onderhoudsbijdrage moet worden toegekend. Daarbij dienen behoefte en draagkracht, mede gerelateerd aan de omstandigheden tijdens het huwelijk, tot maatstaf. Daarnaast kunnen niet-financiële factoren een rol spelen waarmee bij het bepalen van een partnerbijdrage rekening behoort te worden gehouden.

De rechtbank oordeelt dat de door de man aangevoerde niet financiële omstandigheden noch afzonderlijk, noch tezamen, voldoende grond vormen om dit gevolgen te laten hebben voor de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, zoals de man voorstaat. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door de man aangevoerde omstandigheden/gedragingen van de vrouw, dan wel de wijze waarop de man deze beleeft en typeert, door de vrouw worden betwist, waardoor de rechtbank niet voetstoots kan uitgaan van de juistheid van (de door de man gegeven betekenis aan) deze omstandigheden. Bovendien hebben deze omstandigheden zich voorgedaan in de periode rondom de verbreking van de relatie, welke periode gepaard kan gaan met de nodige spanningen en emoties. De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd dat het - door de vrouw betwiste - gedrag van de vrouw zodanig grievend is geweest dat dit de door de man voorgestane gevolgen dient te hebben voor de onderhoudsverplichting van de man.

De rechtbank voegt hier aan toe dat zij geen aanleiding ziet de bijdrage in tijd te limiteren op grond van de door de man aangevoerde financiële omstandigheden, nu dit nog onzekere gebeurtenissen in de toekomst betreft.

Behoefte

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar maandelijkse kosten en daarmee van haar behoefte een overzicht overgelegd. De man betwist de hoogte van de door de vrouw begrote behoefte. Hij stelt hiertoe dat het behoefteoverzicht van de vrouw meer kosten bevat dan van de vrouw alleen en uitgaven bevat die bovenmatig hoog zijn gerelateerd aan de welstand van partijen.

De rechtbank is met de man van oordeel dat het overzicht van de vrouw niet kan worden gevolgd, nu in dit overzicht tevens kosten van de kinderen zijn opgenomen en diverse door de man betwiste posten niet met bewijsstukken zijn onderbouwd. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het aangewezen uit te gaan van de verrekenoverzichten die de man in het geding heeft gebracht en waar de vrouw ter onderbouwing van de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk ook naar heeft verwezen.

De rechtbank neemt hierbij het volgende tot uitgangspunt. Bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat zowel in aanmerking zal moeten worden genomen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest, als een globaal inzicht zal moeten worden verkregen in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk - wat de kosten van het levensonderhoud betreft - in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud dienen te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

Uit voornoemde verrekenoverzichten blijkt dat het gemiddelde netto (totale) gezinsinkomen van het jaar 2000 tot en met het jaar 2004 € 183.115,- per jaar bedroeg, oftewel € 15.260,- per maand.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen hiervan een bedrag van € 3.600,- per maand besteedden aan kosten voor de kinderen (zie hiervoor de bepaling van hun behoefte), zodat een bedrag van € 11.660,- netto per maand voor partijen resteerde. Omdat het leven voor een alleenstaande duurder is dan voor samenwoners acht de rechtbank het redelijk naar aanleiding van de verrekenoverzichten de kosten van de vrouw te stellen op € 7.000,- netto per maand en, gezien haar eigen inkomen van € 3.640,- netto per maand (met ingang van 2008, waarbij de rechtbank rekening houdt met de overige emolumenten die de vrouw naast haar basissalaris ontvangt), de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man op € 3.360,- netto per maand.

In deze behoefte zit echter nog niet begrepen de behoefte aan een bijdrage in de woonkosten en ziektekosten, nu deze kosten voorheen rechtstreeks door de werkgever van de man werden betaald. De vrouw had hiervan wel het genot en dit maakt onderdeel uit van haar behoefte. De vrouw moet hier immers thans wel voor betalen. Dit feit in aanmerking nemende, acht de rechtbank de gevraagde bijdrage van € 5.250,- bruto per maand in overeenstemming met de behoefte van de vrouw, waarbij zij tevens rekening houdt met het feit dat de vrouw ook enig bedrag aan belasting verschuldigd is.

Door meer uren werken in staat in eigen levensonderhoud te voorzien

De rechtbank verwerpt, gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw, de stelling van de man dat de vrouw haar werkzaamheden zou kunnen uitbreiden, zodat zij op die manier geheel of voor een groter bedrag in eigen levensonderhoud kan voorzien. Gelet op de nog jonge leeftijd van de minderjarigen, die na schooltijd aandacht, verzorging en opvoeding nodig hebben, en het feit dat de vrouw thans voor 60% werkt, te weten vijf dagen per week onder de schooluren van de minderjarigen van 09.00 uur tot 15.00 uur, acht de rechtbank het niet redelijk van de vrouw te verlangen dat zij haar uren uitbreidt. Daar komt bij dat de werkgever van de vrouw, waar zij sinds 2001 werkzaam is, heeft verklaard dat het thans niet mogelijk is dat zij aldaar haar uren uitbreidt.

Draagkracht man

Inkomen

De rechtbank neemt de meest recente draagkrachtberekening van de man, door de man overgelegd bij brief van 2 november 2007, als uitgangspunt.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van de man wegens de uitkering van ING voor vervroegd vertrek van € 8.971,19 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. De rechtbank gaat hierbij uit van de specificatie van september 2007. De rechtbank ziet in het door de vrouw gestelde geen aanleiding uit te gaan van een hoger maandinkomen van de man. Het staat immers vast dat de dienstbetrekking van de man per 1 november 2005 is geëindigd en de man is sedert deze datum met vervroegd pensioen gegaan. De rechtbank acht door de man voldoende aangetoond dat hij van ING niet meer inkomen ontvangt, dan het inkomen zoals vermeld op voormelde salarisspecificatie van september 2007, zodat zij voorbij gaat aan de stelling van de vrouw dat de man van ING een hogere uitkering ontvangt dan blijkt uit deze specificatie.

De vrouw heeft voorts gesteld dat de man naast zijn uitkering van ING nog overig inkomen uit arbeid heeft, hetgeen zij baseert op de email van 18 augustus 2005 van de man, overgelegd als productie 32. De man heeft dit betwist.

De rechtbank overweegt dat het feit dat de man van ING naast zijn uitkering geld mag bijverdienen niets zegt over waar hij dan thans concreet extra inkomsten mee zou genereren en hoeveel inkomsten dit zijn. Hieromtrent heeft de vrouw geen concrete gegevens in het geding gebracht en zij heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat de man extra inkomsten heeft. De rechtbank gaat aan de stelling van de vrouw voorbij.

Voorts stelt de vrouw dat de man een aanzienlijk inkomen heeft uit vermogen. De vrouw schat het vermogen van de man op € 2.433.942,-, welke schatting zij baseert op een door haar overgelegd overzicht, onderbouwd met stukken. De man betwist dat hij over een dergelijk vermogen beschikt. Zijn vermogen bedraagt naar eigen zegge ongeveer € 1.000.000,-. De enkele betwisting van de, onderbouwde, stelling van de vrouw, acht de rechtbank onvoldoende. De man heeft zijn betwisting en de door hem gestelde hoogte van zijn vermogen op geen enkele wijze met verificatoire bescheiden onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg lag en waartoe hij voldoende in de gelegenheid is geweest. De man heeft derhalve de door de vrouw genoemde hoogte van zijn vermogen ad € 2.433.942,- onvoldoende bestreden, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat de man een dergelijk vermogen heeft. Nu de man niet nader heeft onderbouwd welk inkomen hij met dit vermogen genereert gaat de rechtbank uit van een opbrengst van 4% en derhalve van een jaarinkomen uit vermogen van € 97.358,-.

De rechtbank houdt aan de inkomenszijde verder nog rekening met een eigenwoningforfait van € 2.915,- (0,55% van de WOZ waarde van zijn woning ad € 530.000,-), met de fiscale voordelen betreffende de hypotheekrente en met de voor de man toepasselijke heffingskortingen.

Lasten

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

€ 2.649,17 hypotheekrente

€ 95,- forfait overige eigenaarslasten

€ 118,84 premie zorgverzekeringswet

€ 165,88 werkgeversbijdrage ZVW

€ 1.125,- kosten omgangsregeling

€ 125,- herinrichtingskosten

€ 377,37 aflossing lening voor auto

- Hypotheekrente en forfait overige eigenaarslasten

De rechtbank houdt rekening met de opgevoerde last voor hypotheekrente, nu de man de hoogte van deze last voldoende met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat deze kosten onevenredig hoog zijn. Het totale inkomen van de man, uit zijn uitkering en uit vermogen, in aanmerking nemende acht de rechtbank de maandelijkse woonlasten van de man niet onredelijk hoog.

- Premie zorgverzekeringswet en werkgeversbijdrage ZVW

De rechtbank houdt rekening met deze - door de vrouw niet betwiste - lasten.

- Kosten omgangsregeling

De vrouw betwist de door de man opgevoerde kosten. Deze kosten hebben volgens haar betrekking op de vastgestelde omgangsregeling van een weekend per veertien dagen. In de praktijk is de omgang niet zo frequent. De man heeft de kinderen slechts in de vakantie bij zich. De man heeft volgens de vrouw in 2007 de kinderen tweemaal bezocht, namelijk met Pasen en in de zomervakantie. De vrouw betwist derhalve dat de omgangskosten zo (exorbitant) hoog zijn als gesteld.

De man heeft de door de vrouw gemelde frequentie van de omgang niet betwist en heeft de door hem opgevoerde kosten niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank houdt gezien de frequentie van de omgangsregeling en de afstand Nederland-Luxemburg in redelijkheid rekening met een last van € 250,- per maand.

- Herinrichtingskosten

De rechtbank houdt, gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw, geen rekening met deze last.

De rechtbank acht aannemelijk dat de man kosten heeft moeten maken zijn nieuwe woning in te richten en onder omstandigheden kan dienaangaande met een maandelijkse last rekening worden gehouden. Dit is echter met name het geval wanneer er geen spaargelden aanwezig zijn en een lening is afgesloten om deze kosten te betalen, waarop maandelijks wordt afgelost. Nergens blijkt echter uit dat de man een dergelijke lening heeft afgesloten en de man moet worden geacht deze kosten uit zijn vermogen te kunnen voldoen.

- Aflossing lening voor auto

De rechtbank houdt geen rekening met deze - gemotiveerd door de vrouw betwiste - last.

De man heeft de noodzaak van het aangaan van deze lening niet, althans niet voldoende, onderbouwd. De man moet worden geacht de lening uit zijn vermogen te kunnen aflossen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Conclusie kinder- en partneralimentatie

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 1.000,- per maand per kind, alsmede een uitkering ter voorziening in het levensonderhoud van de vrouw van

€ 5.250,- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Uitsluiting wettelijke indexering

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man de wettelijke indexering uit te sluiten. Zij heeft de stelling die de man aan dit verzoek ten grondslag legt, namelijk dat zijn uitkering niet onderhevig is aan jaarlijkse indexering, gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat de stelling van de man geen grondslag vindt in de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties. Hieruit blijkt immers dat de uitkering van de man met ingang van 1 januari 2006 € 8.602,06 bruto per maand bedroeg, met ingang van 1 januari 2007 € 8.731,09 en met ingang van 1 september 2007 € 8.971,19. De rechtbank wijst het verzoek van de man derhalve af.

Ingangsdatum kinder- en partneralimentatie

De vrouw heeft erop gewezen dat er geen leemte dient te ontstaan in de betaling van de bijdragen door de man, doch heeft geen ingangsdatum verzocht. De rechtbank zal de bijdragen vaststellen per 1 maart 2007, te weten de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand. Voor wat de kinderbijdrage betreft ziet de rechtbank geen aanleiding een eerdere datum te bepalen nu er een voorlopige bijdrage (door de Luxemburgse rechter) is vastgesteld.

Compenseren teveel betaalde alimentatie

De man heeft verzocht te bepalen dat hij eventueel teveel betaalde alimentatie uit dien hoofde mag compenseren met voor de toekomst verschuldigde termijnen.

De rechtbank wijst dit verzoek af wegens gebrek aan belang, omdat de thans vastgestelde bijdragen hoger zijn dan de voorlopig vastgestelde bijdragen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Zoals vermeld in de tussenbeschikking luiden de verzoeken van de vrouw waarop de rechtbank dient te beslissen:

- veroordeling van de man om aan de vrouw, krachtens het tussen partijen geldende Amsterdams verrekenbeding, te betalen de waarde van de helft van zijn vermogen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der indiening van dit verweerschrift tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in dit kader de man te veroordelen de bescheiden als bedoeld in artikel 1:143 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek over te leggen;

- veroordeling van de man om mee te werken aan de verdeling bij helfte van de zaken die geacht worden gemeenschappelijk eigendom te zijn.

Blijkens de pleitnota van de man luiden de verzoeken van de man waarop de rechtbank dient te beslissen:

- veroordeling van de vrouw om in verband met de afrekening op grond van het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden van partijen over de jaren 2004 en 2005 binnen één week na de betekening van de ten deze te wijzen beschikking aan de man € 4.889,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 10 augustus 2006 tot de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met 50% van het door haar overgespaarde inkomen over de periode 1 januari 2005 tot de peildatum voor het verrekenbeding;

- bepaling dat de vrouw aan de man moet vergoeden de bedragen gemoeid met de (overige) nog in Luxemburg op te leggen belastingaanslagen die betrekking hebben op haar inkomen en vermogen, doch waarvoor de man wordt aangeslagen en die hij moet betalen.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat aan haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van de in de tussenbeschikking vermelde verzoeken van partijen betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, alsmede dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Nederlands recht.

De rechtbank heeft in voormelde beschikking onder meer bepaald dat partijen dienen over te leggen:

een schriftelijke overeenstemming inzake een peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen en de te verdelen inboedel, bij gebreke waarvan als tijdstip zal gelden de datum waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend.

Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de peildatum en voorts van mening verschillen over de datum waarop hun gemeenschappelijke huishouding heeft opgehouden te bestaan, zal de rechtbank zoals in de tussenbeschikking is overwogen als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 29 juli 2005, hanteren.

Verrekening

De man stelt – kort samengevat – dat hij op grond van de huwelijkse voorwaarden en met name het verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden niets meer aan de vrouw is verschuldigd. De man stelt dat hij in juni 2005 aan de vrouw een bedrag van € 189.092,- heeft betaald, waarmee aan het verrekenbeding tot en met het jaar 2004 uitvoering is gegeven.

De man heeft hiertoe overgelegd een door beide partijen getekende notitie van april 2005, alsmede door beide partijen getekende jaarlijkse overzichten. De man voegt hieraan toe dat de afrekening over het jaar 2004 wel is gemaakt, maar dat er nog geen bedragen zijn verrekend, omdat er nog compensatievorderingen zijn.

De vrouw is van mening dat er geen uitvoering is gegeven aan het verrekenbeding. Zij stelt daartoe dat de man eerst in juni 2005 een bedrag van € 189.092,- aan haar heeft overgemaakt, doch dat de man bij de berekening van dit bedrag aan de vrouw geen inzage heeft gegeven in de bescheiden die daaraan ten grondslag lagen. De vrouw stelt met dit bedrag genoegen te hebben genomen, omdat zij bang was anders, gezien de huwelijksproblemen, niets van de man te ontvangen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij heeft gedwaald ten aanzien van de hoogte van het te verrekenen bedrag, omdat zij is benadeeld voor meer dan een vierde deel. De vrouw verwijst hiertoe naar door haar overgelegde stukken waaruit blijkt dat de vermogenstoename van de man tijdens het huwelijk aanzienlijk is geweest, volgens de vrouw ongeveer € 2.200.000,-, welke nagenoeg geheel is ontstaan door overgespaarde inkomsten.

De rechtbank neemt het volgende als vaststaand in aanmerking.

De vrouw heeft alle verrekende bedragen tot en met het jaar 2003 op 10 juni 2005 ontvangen. De berekeningen hebben betrekking op de jaren 1996 tot en met 2004 en zijn gemaakt in de jaren 2002, 2004 en 2005. Beide partijen hebben deze berekeningen ondertekend. De rechtbank oordeelt hierna over het beroep van de vrouw op dwaling, doch stelt voorop dat op grond van het vorenstaande partijen elk jaar periodiek hebben verrekend conform de huwelijkse voorwaarden en dat niet is aangetoond dat deze verrekening niet als geldig moet worden aangemerkt. Uit de beide handtekeningen blijkt de instemming met de wijze van verrekening. Het feit dat de bedragen niet zijn uitgekeerd doet niets af aan de geldigheid van de verrekening, nu de vrouw hier blijkbaar mee heeft ingestemd.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat er sprake is van dwaling. Naar de mening van de vrouw heeft de verrekening niet correct plaatsgevonden en de vrouw verwijst hiertoe naar het thans aanwezige vermogen van € 2.400.000,-, terwijl het vermogen bij aanvang huwelijk slechts € 200.000,- was. Dit is echter een verwijzing naar het stelsel van de wet (waaronder het wettelijk vermoeden in artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek) dat van toepassing is indien bij het einde van het huwelijk níet is voldaan aan een bij huwelijke voorwaarden overeengekomen periodiek verrekenbeding. Het staat echter vast dat partijen wel periodiek hebben verrekend. De vrouw heeft derhalve onvoldoende aangevoerd om te kunnen komen tot een vernietiging van elke overeengekomen periodieke verrekening.

De rechtbank wijst daarom af het verzoek van de vrouw de man te veroordelen de waarde van de helft van zijn vermogen aan haar te betalen, alsmede in dit kader de man te veroordelen de bescheiden als bedoeld in artikel 1:143 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (welk artikel handelt over finale verrekenbedingen) over te leggen.

De rechtbank zal in dit verband echter wel bepalen dat de man nog een bedrag van € 46.392,- aan de vrouw dient te betalen, te weten de verrekenvordering over het jaar 2004. Dit bedrag blijkt immers uit het door beide partijen getekende overzicht. De man stelt weliswaar nog vorderingen op de vrouw te hebben, die in mindering dienen te komen op dit bedrag, maar deze vorderingen hebben betrekking op het jaar 2005, worden door de vrouw betwist en staan los van de verrekenvordering over het jaar 2004. De rechtbank zal de door de man gestelde vorderingen hierna bespreken.

Wettelijke rente

De vrouw verzoekt de verrekeningsvordering vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der indiening van haar verweerschrift tot aan de dag der algehele voldoening. De man maakt hiertegen bezwaar en hij stelt hiertoe dat de wettelijke rente pas verschuldigd is als hij in verzuim is, welk verzuim pas intreedt als duidelijk is welk bedrag moet worden betaald.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Het overzicht, waaruit de verrekenvordering van € 46.392,- blijkt, is door partijen ondertekend in juni 2005, zodat op dat moment al duidelijk was dat de man dit bedrag aan de vrouw zou moeten betalen. De vrouw heeft haar verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verrekening krachtens het tussen hen geldende verrekenbeding bij haar verweerschrift gedaan. De man stelt weliswaar in dit kader nog vorderingen op de vrouw te hebben die hij met dit bedrag wil compenseren, doch deze vorderingen staan los van de verrekenvordering van 2004 en zijn voorts door de vrouw betwist. Nu de man, gezien het vorenstaande, in ieder geval sedert de datum van indiening van het verweerschrift van de vrouw in verzuim is het hem bekende bedrag van € 46.392,- aan de vrouw te betalen, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van de wettelijke rente vanaf die datum toe.

Vorderingen man

- 4 keer netto salaris ad totaal € 12.854,48

De man stelt een vordering te hebben op de vrouw van € 12.854,48, omdat de vrouw met ingang van

1 april 2005 haar salaris niet meer op de gezamenlijke rekening van partijen heeft laten storten, terwijl de gezamenlijke huishouding pas is gestopt per 1 augustus 2005.

De vrouw heeft niet betwist dat zij haar salaris op een andere rekening heeft laten storten, maar betwist dat de man daarom een vordering op haar heeft. De vrouw stelt dit inkomen te hebben aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, zodat er geen sprake is van overgespaard inkomen.

De rechtbank gaat er vanuit dat de man aan zijn vordering ten grondslag legt, dat er sprake is van overgespaard inkomen dat nog verdeeld moet worden. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij haar salaris heeft aangewend voor de bestrijding van de kosten van de huishouding, hetgeen de rechtbank aannemelijk voorkomt, en de man niet nader heeft onderbouwd dat dit bedrag overgespaard inkomen is, neemt de rechtbank deze door de man gestelde vordering niet in aanmerking.

- Een opname door de vrouw van € 17.649,04, uitgaven die de vrouw met een creditcard heeft gedaan ten laste van de rekening van de man ad € 3.308,51 en door de man betaalde belasting van de vrouw ad € 17.739,-

Nu de vrouw stelt dat haar niets bekend is van de door de man genoemde opname, uitgaven en betaalde belasting en de man deze posten niet nader met stukken heeft onderbouwd, neemt de rechtbank deze door de man gestelde vordering niet in aanmerking.

- Vergoeding voor nog op te leggen belastingaanslagen

De rechtbank wijst dit verzoek van de man af als onvoldoende bepaald.

Voorts stelt de man nog aanspraak te hebben op het tot 1 augustus 2005 door de vrouw bespaarde inkomen, doch hij heeft dienaangaande geen concreet verzoek aan de rechtbank gedaan. Ook de vrouw heeft geen concreet verzoek over de verrekening van overgespaard inkomen over het jaar 2005 aan de rechtbank gedaan. Gezien de peildatum van 29 juli 2005 moet zowel het overgespaarde inkomen van de vrouw als van de man tot 29 juli 2005 nog tussen partijen worden verrekend. Nu geen der partijen echter hieromtrent een beslissing van de rechtbank heeft verzocht en voorts door geen der partijen hieromtrent gegevens aan de rechtbank zijn overgelegd, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen hierover in onderling overleg afspraken zullen maken.

Verdeling gemeenschap van inboedel

Tussen partijen is in geschil wie het grootste gedeelte van de gezamenlijke inboedel onder zich heeft. De vrouw stelt – kort samengevat – dat de man bij zijn vertrek het grootste deel van de gezamenlijke inboedel heeft meegenomen. Ze verzoekt de man te veroordelen om mee te werken aan de verdeling bij helfte van de zaken die geacht worden gemeenschappelijk eigendom te zijn en zij verzoekt de inboedel alsnog op een eerlijke wijze te verdelen. De vrouw heeft een overzicht overgelegd van de goederen die zij mist en die de man volgens haar heeft meegenomen.

De man betwist dat hij het grootste deel van de gezamenlijke inboedel heeft meegenomen en betwist ook het overzicht van de vrouw. De man stelt een aanzienlijke hoeveelheid zaken ter huwelijk te hebben aangebracht die gezien de huwelijkse voorwaarden van hem zijn gebleven en die hij aldus mocht meenemen. Juist de vrouw heeft het grootste deel van de gezamenlijke inboedel mee naar haar huis genomen en zij is dus overbedeeld. De man wenst echter dat ieder der partijen houdt wat hij/zij heeft, zonder verrekening.

De rechtbank overweegt dat zij niet kan beoordelen welke inboedelgoederen in wiens bezit zijn, doch dat aan haar ook slechts voorligt op welke wijze de inboedel moet worden verdeeld. De vrouw heeft slechts opgesomd welke inboedelgoederen zij mist en verzocht de man te veroordelen om mee te werken aan de verdeling bij helfte van de zaken die geacht worden gemeenschappelijk eigendom te zijn en verzocht de inboedel eerlijk te verdelen. Dit zijn geen voldoende gespecificeerde verzoeken waarop de rechtbank kan beslissen. Het lag op de weg van de vrouw een concreet verdelingsvoorstel te doen. Nu beide partijen stellen dat de andere partij het grootste deel van de inboedel onder zich heeft genomen, geen der partijen zijn stelling voldoende heeft onderbouwd, noch aan de rechtbank een overzicht heeft verschaft van de door hem/haar gewenste inboedelgoederen, zal de rechtbank aan ieder der partijen toedelen wat hij/zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening, zoals door de man verzocht. De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw af.

Kostenveroordeling

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

De rechtbank zal beslissen als na te melden.

BESLISSING

De rechtbank:

bepaalt dat de man, met ingang van 1 maart 2007, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [datum] 1997 te Luxemburg, en

[minderjarige 2], geboren op [datum] 1999 te Luxemburg,

aan de vrouw, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 1.000,- per maand, per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man met ingang van 1 maart 2007 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 5.250,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake van verrekening € 46.392,- dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de verdeling van de gemeenschap van inboedel als volgt vast:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1. de inboedelgoederen die hij thans onder zich heeft;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1. de inboedelgoederen die zij thans onder zich heeft;

een en ander zonder nadere verrekening;

verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, C.W. de Wit en J.M. van Baardewijk, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008