Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1198

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06/9159, 9301, 9171 en 9173 MAWKLA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil tussen partijen is de ontheffing uit de functie en de daarop gevolgde functietoewijzing, die in het kader van reorganisatie hebben plaatsgevonden.

Ter zitting is gebleken dat van de zijde van verweerder op geen enkele wijze contact is opgenomen met eisers teneinde tot een individueel overleg te komen met betrekking tot het toegezegde maatwerk. Verweerder heeft erkend dat eerst na maart 2006 een medewerker is aangewezen om het toegezegde maatwerk vorm te geven. Het had in de rede gelegen dat verweerder zich op een veel eerder moment had beraden op het toegezegde maatwerk. Dit klemt te meer nu eisers zicht hadden op functioneel leeftijdsontslag en in dat kader een reguliere functietoewijzing niet zonder meer aan de orde kon zijn. Aan eisers is bovendien in een zeer laat stadium kenbaar gemaakt dat aan hen de functie van Officier Toegevoegd wordt toegewezen. Niet gebleken is dat daarbij de maatwerkgedachte enige rol heeft gespeeld. Het bestreden besluit is ter zake van de functietoewijzing evenmin genomen met de vereiste zorgvuldigheid.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nrs. AWB 06/9159, 9301, 9171 en 9173 MAWKLA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser 1], wonende te [plaats 1],

[eiser 2], wonende te [plaats 2]

[eiser 3], wonende te [plaats 3], en

[eiser 4], wonende te [plaats 4], eisers,

en

de Commandant der Koninklijke Marechaussee, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Bij besluiten van 29 maart 2006 heeft verweerder aan eisers, allen kapitein der Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), medegedeeld dat zij met ingang van 1 april 2006 zullen worden ontheven uit hun functie van Brigade-commandant (hierna: Bc). Voorts is medegedeeld dat besloten is om eisers werkzaamheden te laten verrichten als Officier toegevoegd Districtsstaf binnen het district Noord-Oost, in verband waarmee zij tijdelijk worden geplaatst op een bepaald arbeidsplaatsnummer.

3. Tegen deze besluiten hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.

4. Bij besluiten van 3 oktober 2006 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

5. Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 9 november 2007 gevoegd ter zitting behandeld.

Eisers zijn verschenen bij gemachtigde, mr. P. Reitsma.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M. Bot en maj B.W. Baron.

II. Motivering

1. In geschil tussen partijen is de ontheffing uit de functie en de daarop gevolgde functietoewijzing, die in het kader van reorganisatie hebben plaatsgevonden.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorop gesteld dat de ontheffing van eisers uit hun functie niet is gelegen in persoonsgebonden factoren, maar voortvloeit uit een reorganisatie van de districten en brigades. De functie van Brigadecommandant Oude Stijl (BcOS) komt niet in haar huidige vorm in de nieuwe organisatie terug. In de nieuwe organisatie wordt de nieuwe en grotere centrumbrigade geleid door de zogenaamde Brigadecommandant Nieuwe Stijl (BcNS). Aan de functie van BcNS worden andere eisen en competenties gesteld dan aan de functie van BcOS, ten gevolge waarvan eerstgenoemde functie op een hoger rangsniveau wordt gewaardeerd. Verweerder stelt dat eisers gelijktijdig met hun ontheffing uit de functie tijdelijk andere werkzaamheden zijn opdragen, waarna zij door de centrale personeelsdienst zijn benaderd om tot een passende oplossing te komen. Eisers wensten echter de uitkomst van de bezwaarprocedure in deze kwestie af te wachten alvorens zij in overleg treden. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat geen sprake is van strijdigheid met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat in geval van ontheffing uit de functie in beginsel zo spoedig mogelijk functietoewijzing dient te volgen en bij gebreke van een spoedige functietoewijzing in ieder geval dient te worden voorzien in het tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden.

Verweerder stelt voorts dat de ingangsdatum van de ontheffing van eisers uit hun functie kan worden gehandhaafd. Erkend wordt dat de voorlichting vanuit District-Oost niet conform de aanwijzingen, zoals door verweerder in het Management Team (MT) besproken, is verlopen. Er werd vanuit de organisatie veel gewicht toegekend aan een landelijke ontheffingsdatum voor alle Bc’en. Dit organisatiebelang weegt zwaarder dan het belang van eisers om met ingang van een latere datum uit hun functie te worden ontheven.Verweerder geeft aan dat alle betrokken Bc’en OS is beloofd dat ten aanzien van hen maatwerk zou worden verricht. Deze belofte verplicht het bestuursorgaan geenszins om betrokkenen een functie in de naasthogere rang aan te bieden. In geval van functietoewijzing mag het rangsniveau van de laatste functie als uitgangspunt worden gehanteerd.

Met betrekking tot de selectieprocedure voor de functie BcNS overweegt verweerder dat eisers niet hebben gesolliciteerd naar deze functie. Nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op deze selectieprocedure, wordt van een verdere inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van eisers op dit punt afgezien.

3. Eisers hebben onder meer aangevoerd dat de reorganisatie zijn beslag zou krijgen tussen 1 april 2006 en 1 september 2006. Tot die tijd zouden zij hun functie uitoefenen. Eisers stellen dat zij niet van hun functie kunnen worden ontheven. De reorganisatie heeft formeel nog niet zijn beslag gekregen en de betreffende functies zijn nog niet zijn opgeheven.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat de tijdelijke functietoewijzingen geen recht doen aan hun rechtspositie. Door hen slechts tijdelijk op een arbeidsplaatsfunctie te plaatsen, kan niet worden volgehouden dat daarmee rekening wordt gehouden met de rang en grote ervaring van eisers binnen de KMar.

4.1.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) geschieden functietoewijzing en ontheffing uit de functie door de commandant operationeel commando, indien aan de functie een lagere rang is verbonden dan kapitein ter zee/kolonel.

4.1.2 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van het AMAR is de militair gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.

4.1.3 Ingevolge artikel 19, derde lid, van het AMAR volgt na ontheffing uit de functie in beginsel functietoewijzing, bestemming voor een bijscholingsopleiding of bestemming voor een omscholingsopleiding.

4.2 Artikel 23 van het AMAR luidt als volgt:

Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;

b. de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring;

c. de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functie;

d. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur.

5.1 Uit de stukken blijkt dat binnen de KMar een grootscheepse reorganisatie in gang is gezet. Uitgangspunt hierbij is het Beleidsplan KMar 2010 deel 1 van 23 maart 2005. Het Beleidsplan KMar 2010 deel 2 van

23 maart 2005 vormt een verdieping om kaders te stellen voor de veranderingsprocessen en reorganisaties. Uit het Beleidsplan blijkt dat de reorganisatie van de Staven District KMar, waarbij de bestaande vijf regionale districten worden omgevormd naar drie regionale districten, één van de belangrijkste (reorganisatie) projecten voor de komende jaren is. In het Beleidsplan is voorzien dat de afronding hiervan eind 2005 - begin 2006 zal plaatsvinden.

Uit de vacaturebrief van 11 oktober 2005, waarin de nieuwe functie van Bc vacant is gesteld, blijkt dat de nieuwe brigades volgens de geldende planning van het Beleidsplan 2010 KMar op 1 april 2006 operationeel dienen te zijn. De te selecteren BcNS zal een belangrijke rol krijgen bij het oprichten en inrichten van zijn eigen brigade. Daartoe zal hij vanaf 1 januari 2006 worden belast als kwartiermaker van de nieuw te vormen brigade.

Uit het verslag van overleg van het Districts Management Team (DMT) op 28 februari 2006 blijkt dat het DMT heeft besloten dat de Bc’en OS per

1 april 2006 gebiedscommandant zullen worden genoemd. Aan hun bevoegdheden, de Organisatie Tabel Autorisatie Staat (OTAS) en voor het personeel verandert er niets. De Bc’en OS zullen nog steeds degenen zijn die op hun brigade de opdrachten uitdelen en op dezelfde wijze blijven functioneren tot het omklapmoment, zijnde het moment waarop de oude brigade wordt gesloten en de nieuwe brigade in haar volle omvang zal ingaan, in de zomer van 2006. De Bc’en NS bemoeien zich in beginsel niet met de dagelijkse gang van zaken.

Bij brief van 14 maart 2006 heeft de Commandant van het District Noord-Oost aan alle medewerkers kenbaar gemaakt dat de Bc’en NS vanaf

1 april 2006 daadwerkelijk zullen worden belast met de formele en feitelijke leiding over de bestaande brigades tot het moment dat deze worden opgeheven. Zij zullen verder gaan met het uitbouwen en de inrichting van hun toekomstige brigade ter voorbereiding op de organisatorische omklap in 2006. Daarnaast zullen zij ook direct leiding geven aan de medewerkers binnen de organisatie van de oude eenheden bij de uitvoering van het jaarplan. Voorts is medegedeeld dat de huidige Bc’en vanaf 1 april 2006 geen directe commandantenverantwoordelijkheid meer dragen voor de bestaande eenheden. Zij zullen, organisatorisch als ‘Officier Toegevoegd’, vanuit de districtsstaf verschillende taken gaan uitvoeren binnen enkele specifieke taken en projecten.

Uit de Noviteitenspecial, het informatieblad van het district Noord-Oost, van juni 2006 blijkt tenslotte dat het Concept Realisatie Memorandum, waarin de reorganisatie van de brigades vorm heeft gekregen, op 6 juni 2006 in eerste termijn is goedgekeurd door de Marechaussee Raad (MARRA).

5.2 Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat gekozen is voor een landelijke ingangsdatum waarop alle Bc’en OS worden ontheven van hun functie. Er is, met het oog op de rol van de Bc’en NS, gekozen voor de ingangsdatum van 1 april 2006 en niet voor het zogenoemde omklapmoment.

5.3 De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige procedures de besluiten in het kader van de reorganisatie van de brigades, de wijziging van de functie van Bc alsmede de keuze van de ingangsdatum waarop de Bc’en NS daadwerkelijk worden belast met de formele dan wel feitelijke leiding over de oude brigades niet aan de orde zijn.

5.4 De rechtbank overweegt dat uit de voorhanden zijnde gegevens omtrent de reorganisatie van de brigades en de wijziging van de functie van Bc per 1 april 2006 blijkt dat verweerder heeft beoogd de functie van BcOS op enig moment op te heffen.

5.4.1 De rechtbank overweegt dat uit de brief van 14 maart 2006 blijkt dat per 1 april 2006 wezenlijke bestanddelen van de door eisers vervulde functie daaraan zullen worden onttrokken. Dat door het geleidelijk proces van de reorganisatie een deel van het samenstel van werkzaamheden wellicht na

1 april 2006 nog is blijven bestaan en door de Bc’en NS werd vervuld, neemt niet weg dat het opgedragen samenstel van werkzaamheden in de functie van Bc’OS per die datum is opgehouden te bestaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat hierdoor sprake is van een feitelijke opheffing van de functie van eisers. Dat de OTAS in dit opzicht nog niet was aangepast kan hier niet aan afdoen. Verweerder was derhalve bevoegd om eisers per

1 april 2006 te ontheffen uit hun functie.

5.4.2 De rechtbank stelt vast dat eerst uit de brief aan alle medewerkers van 14 maart 2006 aan eisers heeft kunnen blijken dat de ontheffing uit hun functie per 1 april 2006 zou gaan plaatsvinden. Een besluit hieromtrent is eerst op 29 maart 2006 aan eisers kenbaar gemaakt. Verweerder heeft dit niet betwist. Nu verweerder eisers in een zeer laat stadium ter zake heeft geïnformeerd, kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit voor zover het de ontheffing uit de functie betreft is genomen met de vereiste zorgvuldigheid.

5.5 De rechtbank ziet voorts aanleiding om met betrekking tot de functietoewijzing te overwegen als volgt.

5.5.1 Niet in geschil is dat eisers niet hebben geopteerd voor de functie van Bc’NS. Hetgeen eisers in dit kader hebben aangevoerd kan derhalve buiten beschouwing blijven.

5.5.2 Ter zitting is gebleken dat van de zijde van verweerder in de periode van 29 september 2005 tot 14 maart 2006 op geen enkele wijze contact is opgenomen met eisers teneinde tot een individueel overleg te komen met betrekking tot het toegezegde maatwerk. Verweerder heeft erkend dat eerst na 14 maart 2006 een medewerker is aangewezen om het toegezegde maatwerk vorm te geven. Het had in de rede gelegen dat verweerder zich op een veel eerder moment had beraden op het toegezegde maatwerk. Dit klemt te meer nu eisers zicht hadden op functioneel leeftijdsontslag en in dat kader een reguliere functietoewijzing niet zonder meer aan de orde kon zijn. Aan eisers is bovendien in een zeer laat stadium kenbaar gemaakt dat aan hen de functie van Officier Toegevoegd wordt toegewezen. Niet gebleken is dat daarbij de maatwerkgedachte enige rol heeft gespeeld. Het bestreden besluit is ter zake van de functietoewijzing evenmin genomen met de vereiste zorgvuldigheid.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

7. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte kosten.

Bij de vaststelling van de hoogte van het aan eisers te vergoeden bedrag heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De onderhavige beroepen zijn samenhangend en dienen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) te worden beschouwd als één zaak. Derhalve wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Vanwege de omstandigheid dat sprake is van vier samenhangende zaken, waarvan het gewicht als gemiddeld (factor 1) wordt aangemerkt, wordt gelet op de Bijlage, behorend bij het Bpb, voornoemde wegingsfactor vermenigvuldigd met 1,5. De kosten worden derhalve in totaal vastgesteld op € 966,--.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

4. bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) als rechtspersoon aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten

4 x € 141,--, vergoedt;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 966,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eisers dient te vergoeden.

IV. Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E.S.G. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2008, in tegenwoordigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier.