Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1191

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
Reg. nr. AWB 06/9841 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding staat de vraag centraal of verweerders besluit eiser niet te bevorderen tot de naast hogere rang op juiste gronden berust. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/9841 MAW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

UITSPRAAK IN HET GEDING TUSSEN

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commandant der Zeestrijdkrachten, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft bij brief van 14 november 2006 beroep ingesteld tegen een besluit van 16 oktober 2006, waarbij verweerder zijn besluit van

20 december 2005 na bezwaar heeft gehandhaafd.

2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. Op verzoek van de rechtbank hebben partijen toestemming gegeven om een behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is voor onbepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marine en vervult in de rang van sergeant de functie van Medewerker Verificatie & Betaalbaarstelling (hierna: Medewerker V&B) bij het Centraal Betaalkantoor Defensie.

1.2 Bij verzoekenformulier van 12 mei 2005 heeft eiser, op grond van artikel 27, vierde lid, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (hierna: AMAR) verzocht om bevorderd te worden tot de naast hogere rang.

1.3 Bij besluit van 20 december 2005 is het verzoek van eiser afgewezen.

1.4 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 januari 2006 bezwaar gemaakt.

1.5 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 20 december 2005 gehandhaafd.

2.1 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit bijlage B-2 en bijlage H van het definitieve Reorganisatieplan Centraal Betaalkantoor Defensie (hierna: het Reorganisatieplan), zoals dat bij schrijven van 20 juli 2004 is vastgesteld door de Secretaris-Generaal, weliswaar blijkt dat de functie van eiser indicatief is gewaardeerd met de rang van sergeant-majoor, doch dat deze rang slechts geldt voor landmacht-, luchtmacht en marechausseepersoneel. Dit blijkt expliciet uit bijlage B van het Reorganisatieplan en de daarbij behorende leeswijzer. Voor het vaststellen van de toepasselijke rang voor het marinepersoneel dient de conversietabel, die onderdeel uitmaakt van het functiewaarderingssysteem Defensie (hierna: FUWADEF) geraadpleegd te worden. Uit deze conversietabel, in samenhang bezien met de in het Handboek FUWADEF opgenomen indelingsstructuur, kan worden opgemaakt dat indien aan een functie voor wat betreft militairen van de Koninklijke Landmacht (hierna: KL), Koninklijke Luchtmacht (hierna: KLU) en Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR) de rang van sergeant-majoor wordt toegekend, aan de functie voor militairen van de Koninklijke Marine (hierna: KM) de rang van sergeant wordt toegekend. Ter adstructie heeft verweerder er nog op gewezen dat uit artikel 4, in samenhang bezien met bijlage A en B, van het Inkomstenbesluit militairen (hierna: IBM) blijkt dat de salarisschalen van militairen van de KM afwijken van de salarisschalen van de KL, de KLU en de KMAR. Derhalve is niet alleen de militaire indelingsstructuur binnen de KM in vergelijking met de overige krijgsmachtdelen een andere, maar zijn de salarisschalen dat eveneens.

2.2 Eiser is van mening dat hij wel in aanmerking dient te worden gebracht voor bevordering tot de rang van sergeant-majoor op grond van artikel 27 van het AMAR. Aangezien verweerder zelf aangeeft dat eiser op een sergeant-majoor stoel is geplaatst, vermag eiser niet in te zien waarom er nu een uitzondering op artikel 27 van het AMAR op zijn plaats zou zijn. Verweerder dient in een steeds groter wordende paarse organisatie het onderscheid tussen militairen van de KL, KLU en KMAR enerzijds en de KM anderzijds op te heffen.

3. In dit geding staat de vraag centraal of verweerders besluit eiser niet te bevorderen tot de naast hogere rang op juiste gronden berust.

4.1 Bij de beantwoording van de onder punt 3 opgenomen vraag is het bepaalde in artikel 27, vierde lid, van het AMAR van belang. In dit artikel is bepaald dat aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, op de datum van ingang van functievervulling die hogere rang wordt toegekend.

4.2 Het verbinden van een rang aan een functie geschiedt middels het waarderen van een functie. Binnen de organisatie van verweerder wordt daarbij gebruik gemaakt van FUWADEF. FUWADEF is een functiewaarderingssysteem dat wordt gekenmerkt door de combinatie van een meetsysteem wat door het scoren op een aantal kenmerken met een puntensysteem de functiezwaarte bepaalt en een bestand aan normmateriaal waaraan de te waarderen functie kan worden getoetst. De aldus verkregen score kan middels een indelingsstructuurtabel worden herleid tot een rang.

De militaire indelingsstructuur is een indelingsstructuur van militaire functies naar categorie, rangbrackets en rang. Binnen deze indelingsstructuur is het mogelijk dat rangbrackets elkaar overlappen en in die zin ten aanzien van een functie gekozen kan worden tussen twee rangen. Daarbij staat een evenwichtige opbouw van de organisatie centraal. Daarnaast is het mogelijk om met toepassing van de zogenaamde beleidsfactor af te wijken van de uitkomsten van het functiewaarderingssysteem. Als beleidsfactoren worden onderkend: vereiste hiërarchieke verhoudingen, rangsverhoudingen binnen internationale bevelsstellingen en systeem van legervorming en gesloten personeelssysteem.

5. De rechtbank stelt voorop dat de vaststelling van de aan een functie verbonden rang door middel van een systeem van functiewaardering een bevoegdheid is met een discretionair karakter. Een met uitoefening van die bevoegdheid genomen besluit kan de rechtbank slechts terughoudend toetsen.

5.1 De rechtbank overweegt dat uit het door verweerder overgelegde Reorganisatieplan Centraal Betaalkantoor Defensie is gebleken dat de functiebeschrijvingen van de regiokantoren, vooruitlopend op de definitieve waardering daarvan, indicatief zijn gewaardeerd. In de functievergelijkingstabel, die is opgenomen onder bijlage 2 van het Reorganisatieplan, is de indicatieve waardering zichtbaar gemaakt. Uit de toelichting bij de functievergelijkingstabel blijkt ondubbelzinnig dat de rangen die in deze tabel zijn opgenomen slechts voor de KL, KLU en de KMAR gelden. Om voor het marinepersoneel de vergelijking te kunnen maken is de conversietabel behorende bij FUWADEF opgenomen.

5.2 Gelet op de systematiek van het functiewaarderingssysteem FUWADEF dient deze conversietabel in samenhang met de indelingsstructuurtabellen bezien te worden. Daaruit blijkt dat voor wat betreft functies binnen de KL, KLU en KMAR een somscore tussen de 31 en 35 punten kan leiden tot een indeling in de rang van sergeant-majoor. Binnen de KM kan een dergelijk somscore leiden tot een indeling in de rang van sergeant.

5.3 Uit de stukken blijkt dat de indicatieve waardering van de functie van Medewerker V&B overeenkomstig de indelingsstructuur militair KL/KLU/KMAR is herleid tot de rang van sergeant-majoor. Deze rang is aldus opgenomen in de functievergelijkingstabel. Hetzelfde waarderingsresultaat leidt voor functies die vervuld worden door marinepersoneel, overeenkomstig de daarvoor geldende indelingsstructuur militair KM, tot de rang van sergeant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee binnen de kaders van het toepasselijke functiewaarderingssysteem gehandeld. In dit licht bezien kan aan eisers stelling dat sprake zou zijn van rechtsongelijkheid tussen militairen van de KLU, KL, KMAR enerzijds en militairen van de KM anderzijds, geen gewicht worden toegekend. Temeer nu ook de salarisschalen van militairen van de KM afwijken van de salarisschalen van de KL, de KLU en de KMAR. Derhalve is niet alleen de militaire indelingsstructuur binnen de KM in vergelijking met de overige krijgsmachtdelen een andere, maar zijn de salarisschalen dat eveneens.

5.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerder in overeenstemming met de geldende functiewaarderingssystematiek aan eisers functie de rang van sergeant verbonden. De rechtbank dient thans nog te beoordelen of er sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren aan eisers functie niettemin de rang van sergeant-majoor toe te kennen. Daartoe dient de rechtbank te beoordelen of verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door in gelijke gevallen wel over te gaan tot bevordering en in het geval van eiser niet. Ten aanzien van de door eiser in bezwaar aangevoerde gelijke gevallen, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft erkend dat van de zes aangevoerde gevallen er in één geval een militair van de marine is bevorderd naar de rang die geldt voor KLU, KL en KMAR personeel. De overige gevallen hebben betrekking op militairen die “neergeschud” functioneren en, aldus verweerder, niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft ten aanzien van de militair van de marine die wel is bevorderd naar een hogere rang aangevoerd dat sprake is van een fout. Volgens vaste jurisprudentie strekt het gelijkheidsbeginsel evenwel niet zover dat een bestuursorgaan is gehouden om een in het verleden gemaakte fout te herhalen. De rechtbank wijst in dat kader op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2004, TAR 2005, 64. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder doelbewust is afgeweken van de geldende indelingssystematiek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

5.5 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan eisers functie niet de rang van sergeant-majoor toe te kennen.

6. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.P.J. Heesen, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op: