Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/41421
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Turkse werknemer / artikel 6 Associatiebesluit 1/80 / dezelfde werkgever / uitzendbureau / inlener

Uit het vereiste dat sprake moet zijn van een jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever is af te leiden dat is beoogd te bezien of in enige mate gewaarborgd is dat sprake is van voldoende continuïteit in de arbeidsverhouding. Vanuit die gedachte is niet van belang wie precies als werkgever moet worden aangemerkt of dat sprake is van een gedeeld werkgeverschap. Evenmin is van belang hoe de arbeidsverhouding precies moet worden gekwalificeerd. Voor de toepassing van artikel 6 van het Besluit 1/80 is primair van belang dat de arbeid wordt verricht als werknemer. Daarnaast moet voldoende continuïteit in de feitelijke arbeidsverhouding zijn gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in geval van het verrichten van arbeid via een uitzendbureau sprake indien de betrokken Turkse werknemer gedurende een jaar bij hetzelfde uitzendbureau en/of bij hetzelfde inlenende bedrijf heeft gewerkt en aansluitend bij datzelfde uitzendbureau en/of datzelfde inlenende bedrijf werkzaam kon blijven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de arbeidsmarkt in een lidstaat als Nederland inmiddels wordt gekenmerkt door een grote vraag naar en aanbod van flexibele arbeid. Daarbij maken werknemers in toenemende mate de keuze om structureel op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam te zijn. Arbeid op basis van een uitzendovereenkomst is daarmee evenzeer een algemeen aanvaarde reguliere vorm van arbeid geworden als arbeid op basis van een vaste arbeidsovereenkomst. Ook Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren, zoals eiser, blijken ervoor te kiezen structureel werkzaam te zijn op basis van een uitzendovereenkomst. Tegen deze achtergrond moeten begrippen in artikel 6 van het Besluit 1/80 zo worden uitgelegd dat het voor Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren mogelijk is te integreren in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst en hun positie op die arbeidsmarkt te verstevigen door structureel arbeid te verrichten op basis van een uitzendovereenkomst. De restrictie die het eerste lid, aanhef en eerste streepje, van artikel 6 van het Besluit 1/80 stelt moet daarbij worden opgevat als het vereiste dat de betrokken Turkse werknemer gedurende een jaar werkzaam is geweest en aansluitend werkzaam kan blijven bij hetzelfde uitzendbureau dan wel bij hetzelfde inlenende bedrijf. Een andere uitleg, zoals door verweerder wordt voorgestaan, zou er in feite toe leiden dat aan Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren en die ervoor kiezen structureel op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam te zijn, categorisch de voordelen die artikel 6 van het Besluit 1/80 in het leven roept, worden ontnomen. Die uitleg is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het doel van de Associatieovereenkomst en ontneemt het nuttig effect aan de toepassing van artikel 6 van het Besluit 1/80.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 690
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/236

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/41421

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1982,

nationaliteit Turkse,

verblijvende te Tilburg,

eiser,

gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het wijzigen van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning “verblijf bij echtgenote [echtgenote]” in de beperking “arbeid in loondienst bij Altiflex Personeelsdiensten op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (hierna: Besluit 1/80)” afgewezen.

Hiertegen heeft eiser op 6 september 2005 bezwaar gemaakt.

Op 20 maart 2007 is eiser gehoord door een ambtelijke hoorcommissie.

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder voornoemd bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiser heeft op 1 november 2007 tegen voornoemd besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 07/41425.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 10 april 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 5 oktober 2007, waarbij verweerder de afwijzing van eisers aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning “verblijf bij echtgenote [echtgenote]” in de beperking “arbeid in loondienst bij Altiflex Personeelsdiensten (hierna: Altiflex) op grond van het Besluit 1/80” heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van het volgende.

Eiser is op 1 mei 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [echtgenote]”. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 1 mei 2003, met een geldigheidsduur tot 25 april 2004, laatstelijk verlengd tot 28 februari 2009. Nadat gebleken was dat de relatie tussen eiser en [echtgenote] per 17 oktober 2004 was verbroken, heeft verweerder bij besluit van 1 februari 2005 – welk besluit in rechte vast staat – de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 17 oktober 2004 ingetrokken. Op 24 december 2004 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.

3. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Naar de mening van verweerder kan eiser geen rechten ontlenen aan artikel 6 van het Besluit 1/80 omdat niet is gebleken of aangetoond dat eiser een jaar legale arbeid bij “dezelfde werkgever” heeft verricht in de zin van artikel 6 van het Besluit 1/80. Volgens verweerder heeft eiser in de periode van 4 juni 2003 tot 17 oktober 2004 niet gewerkt voor “dezelfde werkgever” in de zin van voornoemde bepaling, nu gebleken is dat Altiflex een uitzendbureau is. Bij uitzendwerk werkt de werknemer niet bij het uitzendbureau en ook niet onder het gezag van het uitzendbureau, maar werkt hij bij de inlener en onder gezag van de inlener, zodat het vereiste kenmerk van de gezagsverhouding in deze situatie niet aanwezig is. Eiser is in de periode van 4 juni 2003 tot 17 oktober 2004 (via Altiflex) in ieder geval werkzaam geweest voor Unico Leather B.V. en Plasti Ned B.V. Derhalve is het evident dat eiser in de betreffende periode niet voor “dezelfde werkgever” gewerkt heeft. De weigering eiser verblijf in Nederland toe te staan is volgens verweerder voorts niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser heeft in beroep – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij niet als uitzendkracht werkzaam was, maar dat hij rechtstreeks in loondienst was van Altiflex, waarmee hij een arbeidsverhouding had. Er is geen sprake van een uitzendovereenkomst doch van een rechtstreeks dienstverband met Altiflex sinds 4 juni 2003. Altiflex detacheerde eiser als productiemedewerker bij twee bedrijven. Eiser is niet als uitzendkracht behandeld en het is niet zo dat in casu sprake is geweest van meerdere inleners. Eiser is bij één en dezelfde werkgever (Altiflex) in dienst geweest. Daar lag ook de relatie werkgever-werknemer. De uitleg van verweerder zou betekenen dat Turkse werknemers die jarenlang in hetzelfde beroep voor een personeelsdienst als Altiflex werken geen verblijfsrechten kunnen opbouwen, hetgeen onjuist is, aldus eiser. Voorts is namens eiser een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM.

5. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de arbeidsverhouding tussen eiser en Altiflex al dan niet als een uitzendovereenkomst dient te worden aangemerkt. Dienaangaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, op basis van de in het dossier aanwezige stukken, de voornoemde arbeidsverhouding dient te worden gekwalificeerd als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit verband wijst de rechtbank op de inhoud van de door eiser overgelegde werkgeversverklaringen van 12 januari 2004, waaruit blijkt dat eiser sedert 4 juni 2003 uitzendwerk verrichtte. Voorts blijkt uit een werkgeversverklaring van 9 december 2004 dat eiser met ingang van l oktober 2004 een overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij Altiflex, doch dat in deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van l oktober 2004 onder het kopje “arbeidstijd” het volgende is opgenomen: "indien op de betreffende afdeling of bedrijf onvoldoende werk voorhanden is, wordt men op andere afdelingen of bedrijven ingezet". Daarnaast is in het verslag van het gehoor van 20 maart 2007 van de ambtelijke commissie, op pagina l, laatste alinea, vermeld dat de gemachtigde van eiser aangegeven heeft dat eiser bij Altiflex immer werkzaam is geweest op basis van een uitzendovereenkomst. Daarenboven blijkt uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Midden-Brabant van 15 juli 2004 dat als bedrijfsomschrijving van Altiflex is vermeld: “uitzenden van arbeidskrachten, (…)”.

Gelet op het vorenstaande kan eiser dan ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat in zijn geval geen sprake is van een uitzendovereenkomst.

6. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken is gebleken dat eiser voor Altiflex bij twee inleners werkzaam is geweest, te weten Unico Leather B.V. en Plasti Ned B.V.

7. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de situatie van eiser, te weten dat hij voor hetzelfde uitzendbureau bij twee verschillende inleners werkzaam is geweest, sprake is van “dezelfde werkgever” in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Besluit 1/80.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap en de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd. De Associatieraad heeft op 19 september 1980 het eerdergenoemde Besluit 1/80 genomen.

10. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort, voor zover hier van belang, na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft. Ingevolge het tweede lid worden jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

11. De rechtbank benadrukt allereerst dat het Hof sinds het arrest van 20 september 1990, Sevince, C-192/89, RV 1990, 91, r.o. 26, steeds heeft geoordeeld, dat artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 in de lid-staten rechtstreekse werking heeft, zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden van dat artikel voldoen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten die de drie onderdelen van deze bepaling hun geleidelijk verlenen, afhankelijk van de duur die zij in de lid-staat van ontvangst in loondienst werkzaam zijn (zie onder meer arresten van 30 september 1997, Günaydin, C-36/96, Jurispr. blz. I-5143, r.o. 24, 30 september 1997, Ertanir, C-98/96, Jurispr. blz. I-5179, r.o. 24; 19 november 2002, Kurz, C-188/00, Jurispr. blz. I-10691, r.o. 26).

12. De rechtbank wijst erop dat – blijkens het Birden-arrest van het Hof van 26 november 1998, C-1/97, RV 1998, 94, r.o. 24 en 25 voor de bepaling van de reikwijdte van het in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 gebruikte begrip “werknemer” te rade dient te worden gegaan bij de uitlegging van het gemeenschapsrechtelijke begrip “werknemer”. Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat het begrip “werknemer” een communautaire inhoud heeft en niet restrictief mag worden uitgelegd. Bij de omschrijving van dit begrip moet worden uitgegaan van objectieve criteria die, wat de rechten en plichten van de betrokkenen betreft, kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. Om als werknemer te worden aangemerkt, moet een persoon reële en daadwerkelijke arbeid verrichten, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Daarentegen is de aard van de rechtsbetrekking die de werknemer en de werkgever verbindt niet beslissend voor de bepaling van de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht (zie wat artikel 48 van het EG-Verdrag betreft, met name de arresten van 3 juli 1986, Lawrie-Blum, 66/85, Jurispr. blz. 2121, r.o. 16 en 17; 21 juni 1988, Brown, 197/86, Jurispr. blz. 3205, r.o. 21; 26 februari 1992, Raulin, C-357/89, Jurispr. blz. I-1027, r.o. 10, en wat artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 betreft, reeds aangehaalde arresten Günaydin, r.o. 31; Ertanir, r.o. 43).

13. Vaststaat dat eiser werkzaam is op basis van een uitzendovereenkomst naar nationaal recht met een uitzendbureau. Op basis van deze uitzendovereenkomst verricht eiser werkzaamheden bij een inlenend bedrijf. Het gaat daarbij om reële en daadwerkelijke arbeid, terwijl niet gebleken is dat er sprake is van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij als louter marginaal en bijkomstig dienen te worden aangemerkt. Voor het verrichten van deze werkzaamheden ontvangt eiser loon van het uitzendbureau. Over dat loon worden door het uitzendbureau loonbelasting en werknemerspremies ingehouden. Wat de feitelijk te verrichten werkzaamheden betreft heeft eiser zich te richten naar de aanwijzingen van het inlenende bedrijf. Wat betreft de administratieve verantwoording van zijn werkzaamheden en dergelijke heeft eiser zich te richten naar de aanwijzingen van het uitzendbureau. Met het voorgaande staat vast dat in de geschetste arbeidsverhouding van eiser alle drie elementen – arbeid, loonbetaling en gezagsverhouding – aanwezig zijn om eiser voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 aan te merken als werknemer. Tussen partijen is dat ook niet in geschil.

14. Minder eenvoudig is het antwoord op de vraag wie in deze arbeidsverhouding voor de toepassing van genoemd artikel 6 als werkgever moet worden aangemerkt: het uitzendbureau, het inlenend bedrijf of wellicht beide. Geconstateerd moet worden dat binnen de arbeidsverhouding van eiser de genoemde drie elementen – arbeid, loonbetaling en gezagsverhouding – aan de werkgeverszijde zijn verdeeld over zowel het uitzendbureau als over het inlenende bedrijf. De werkzaamheden worden door eiser voor het inlenende bedrijf verricht en eiser ontvangt daarvoor loon van het uitzendbureau, terwijl het element gezag zowel aanwezig is bij het uitzendbureau als bij het inlenende bedrijf, een en ander zoals hiervoor geschetst. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vorm van gedeeld werkgeverschap.

15. Vervolgens is de vraag hoe bij de geschetste figuur van gedeeld werkgeverschap het begrip “dezelfde werkgever” als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 moet worden ingevuld. Volgens verweerder kan in geval van een arbeidsverhouding waarin de werknemer op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam is, nooit worden gesproken van “dezelfde werkgever” in vorenbedoelde zin. Dat is volgens verweerder zelfs niet het geval indien zowel het uitzendbureau als het inlenende bedrijf in de van belang zijnde periode van een jaar en vervolgens in aansluiting daarop dezelfde zijn gebleven. Verweerder acht daartoe redengevend dat uit de rechtsverhouding tussen de werknemer en het uitzendbureau voortvloeit dat altijd de mogelijkheid bestaat dat de werknemer bij andere inleners komt te werken. Deze juridische structuur staat eraan in de weg dat gesproken kan worden van “dezelfde werkgever” in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Besluit 1/80. Dat de feitelijke arbeidsverhouding desondanks gedurende een reeks van jaren ongewijzigd kan voortduren doet hieraan niet af, aldus verweerder.

16. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de hier in het geding zijnde arbeidsverhouding niet uitdrukkelijk in artikel 6 van het Besluit 1/80 is geregeld. Het begrip “dezelfde werkgever” genoemd in artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Besluit 1/80 moet echter zodanig worden uitgelegd, dat daardoor het nuttig effect van voornoemde bepaling niet verloren gaat. Daarbij is van belang dat het bepaalde in artikel 6 van het Besluit 1/80 dient te worden bezien tegen de achtergrond van het doel van de Associatieovereenkomst. Dat doel is de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomst sluitende partijen te bevorderen, enerzijds ter verbetering van de levensstandaard van het Turkse volk en anderzijds in het licht van de eventuele toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Dit geschiedt door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen en door de beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op te heffen. Het Besluit 1/80 dient te worden bezien in het kader van de geleidelijke totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 is sprake van een geleidelijke opbouw van rechten, afhankelijk van de duur van het verrichten van legale arbeid. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof heeft voornoemde bepaling tot doel de positie van Turkse werknemers in de gastlidstaat steeds verder te verstevigen (zie onder meer het arrest van 10 januari 2006, Sedef, C-230/03, Jurispr. blz. I-157, r.o. 34).

17. Uit het vereiste dat sprake moet zijn van een jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever is af te leiden dat is beoogd te bezien of in enige mate gewaarborgd is dat sprake is van voldoende continuïteit in de arbeidsverhouding. Vanuit die gedachte is niet van belang wie precies als werkgever moet worden aangemerkt of dat sprake is van een gedeeld werkgeverschap. Evenmin is van belang hoe de arbeidsverhouding precies moet worden gekwalificeerd. Voor de toepassing van artikel 6 van het Besluit 1/80 is primair van belang dat de arbeid wordt verricht als werknemer. Daarnaast moet voldoende continuïteit in de feitelijke arbeidsverhouding zijn gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in geval van het verrichten van arbeid via een uitzendbureau sprake indien de betrokken Turkse werknemer gedurende een jaar bij hetzelfde uitzendbureau en/of bij hetzelfde inlenende bedrijf heeft gewerkt en aansluitend bij datzelfde uitzendbureau en/of datzelfde inlenende bedrijf werkzaam kon blijven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de arbeidsmarkt in een lidstaat als Nederland inmiddels wordt gekenmerkt door een grote vraag naar en aanbod van flexibele arbeid. Daarbij maken werknemers in toenemende mate de keuze om structureel op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam te zijn. Arbeid op basis van een uitzendovereenkomst is daarmee evenzeer een algemeen aanvaarde reguliere vorm van arbeid geworden als arbeid op basis van een vaste arbeidsovereenkomst. Ook Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren, zoals eiser, blijken ervoor te kiezen structureel werkzaam te zijn op basis van een uitzendovereenkomst. Tegen deze achtergrond moeten begrippen in artikel 6 van het Besluit 1/80 zo worden uitgelegd dat het voor Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren mogelijk is te integreren in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst en hun positie op die arbeidsmarkt te verstevigen door structureel arbeid te verrichten op basis van een uitzendovereenkomst. De restrictie die het eerste lid, aanhef en eerste streepje, van artikel 6 van het Besluit 1/80 stelt moet daarbij worden opgevat als het vereiste dat de betrokken Turkse werknemer gedurende een jaar werkzaam is geweest en aansluitend werkzaam kan blijven bij hetzelfde uitzendbureau dan wel bij hetzelfde inlenende bedrijf. Een andere uitleg, zoals door verweerder wordt voorgestaan, zou er in feite toe leiden dat aan Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren en die ervoor kiezen structureel op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam te zijn, categorisch de voordelen die artikel 6 van het Besluit 1/80 in het leven roept, worden ontnomen. Die uitleg is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het doel van de Associatieovereenkomst en ontneemt het nuttig effect aan de toepassing van artikel 6 van het Besluit 1/80.

18. In het licht van het vorenstaande overweegt de rechtbank ten aanzien van het geval van eiser het volgende.

19. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken is gebleken dat eiser van 1 mei 2003 tot 17 oktober 2004 hier te lande heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [echtgenote]’, zodat eiser in voornoemde periode in het bezit was van een onomstreden verblijfsrecht, hetgeen betekent dat sprake was van een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt (zie de arresten Sevince; 16 december 1992, Kus, C-237/91, RV 1992, 95; 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93, RV 1995, 91). Tussen partijen is niet in geschil en uit de gedingstukken is ook gebleken dat eiser in voornoemde periode sedert 4 juni 2003, met uitzondering van de maand september 2004, legale arbeid heeft verricht voor Altiflex, bij twee inleners, te weten aanvankelijk bij Unico Leather B.V. en nadien bij Plasti Ned B.V. en dat eiser aansluitend, ten tijde van de peildatum, 17 oktober 2004, ongewijzigd voor Altiflex bij Plasti Ned B.V. kon blijven werken.

20. Het vorenstaande betekent in het onderhavige geval, waarin sprake is van een ongewijzigde situatie voor wat betreft het uitzendbureau, dat eiser voldoet aan het gestelde in artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Besluit 1/80. Gelet hierop had eiser aanspraak op voortzetting van de arbeidsverhouding en, daaraan gekoppeld, verblijfsrecht (zie reeds aangehaalde arresten Sevince, r.o. 26, en Birdin, r.o 20; Kurz, C-188/00, Jurispr. blz. I-10691, r.o. 27). Derhalve heeft verweerder eisers aanvraag ter vaststelling van eisers recht uit het Besluit 1/80 ten onrechte afgewezen. Gelet hierop komt het bestreden besluit, waarbij voornoemde afwijzing gehandhaafd is, voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Besluit 1/80.

21. Het beroep is derhalve reeds hierom gegrond. Gelet hierop behoeft hetgeen door eiser overigens is aangevoerd geen bespreking.

22. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

23. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 143,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. H. Benek als voorzitter en mr. A.B.M. Hent en mr. C.F.E. van Olden-Smit als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.